Het Beleg van Antwerpen tijdens de Tachtigjarige Oorlog begon op 3 juli 1584, duurde veertien maanden en eindigde op 17 augustus 1585 met wat de Bevrijding van Antwerpen of Val van Antwerpen wordt genoemd, die een eind bracht aan de Gouden Eeuw van Antwerpen. Antwerpen werd tijdens het beleg geleid door Filips van Marnix van Sint-Aldegonde in de strijd tegen het reguliere leger onder leiding van Alexander Farnese, hertog van Parma.

Aanloop In 1576 sloot Antwerpen zich aan bij de gewesten die zich tegen de Spaanse koning hadden verenigd bij de Pacificatie van Gent. Het jaar daarop kwam er een sterk calvinistisch bewind in de stad aan de macht dat zich zelf de Antwerpse Republiek noemde, deze stond onder leiding van buitenburgemeester Filips van Marnix van Sint-Aldegonde. In die periode van radicalisering was het katholicisme officieel verboden. Op 29 juli 1579Algemene Geschiedenis der Nederlanden. Deel 5: De Tachtigjarige Oorlog 1567-1609. (1952) 139. ging de stad ook deel uitmaken van de Unie van Utrecht. De grootste Nederlandse stad, met in die tijd meer dan 100.000 inwoners, werd daardoor de hoofdstad van de Nederlandse opstand. In 1583 verbleef Willem van Oranje tijdelijk in Antwerpen met zijn hofhouding.

In 1582 was de hertog van Parma, Alexander Farnese, landvoogd van de Zeventien Provinciën geworden als opvolger van Juan van Oostenrijk. De moeder van Farnese, Margaretha van Parma, was ook al landvoogdes geweest, van 1559-1567. Farnese was een uitstekend strateeg en had een plan bedacht om de Vlaamse en Brabantse steden af te sluiten van hun exportgebied. Dit wilde hij bereiken door de kustgebieden en de Scheldemonding te veroveren. Hij had in de jaren 1583-1584 al veel steden opnieuw in handen gekregen. Op 3 juli 1584 begon de omsingeling van Antwerpen.

Begin zomer had Willem van Oranje van zijn spionnen voorkennis gekregen van een ophanden zijnd beleg van Antwerpen. Het was belangrijk voor hem dat Antwerpen voor de staatsen behouden zou blijven. Hij nodigde Filips van Marnix van Sint-Aldegonde en griffier Martine uit om zogenaamd de doop van zijn jongste zoon bij te wonen. Tijdens de ontmoeting verzekerde hij de Antwerpenaren dat hij binnen twee maanden de stad zou komen ontzetten mocht zij belegerd worden. Willem van Oranje gaf opdracht om de dijken van Blauwgaren en Kouwenstein te vernielen, zodat de staatse vloot via de overstroomde gebieden Antwerpen kon bereiken. Parma zou daardoor verhinderd worden om schansen aan te leggen, en het zou het leger van Vlaanderen buitendijks houden. Ondanks het feit dat Aldegonde de noodzaak van dit plan beklemtoonde was er grote weerstand vanuit het Vleeshouwersgilde, omdat er weiden verloren zouden gaan (zoals de Borgerweert op de Linkeroever en de Kattendijk bij Oosterweel) waarop jaarlijks wel twaalfduizend ossen vetgemest werden. Intussen werd begonnen met de bouw van de verdedigingswerken. Er werden verscheidene schansen opgeworpen langs de Schelde: de St. Antheunisschans op het Vlaams Hoofd, te Burcht, aan het Melkhuis en aan het Tolhuis, en aan de zuidkant onder de stad de Austruweelseschans en de Boerenschans. Het beste punt om de polders onder water te zetten, was volgens Hendrik T'Serraets aan de samenloop van de Kouwensteinse- en Scheldedijk, waar hij zijn kasteel had. Het protest daartegen was echter groot, zodanig zelfs dat T'Serraets de stad moest verlaten en hij zijn heil bij Parma ging zoeken en hem zijn diensten aanbood. Parma beloonde hem later bij de overgave van de stad met het Markgraafsambt. Om het samenspannen met Spanje in de kiem te smoren kondigde de prins van Oranje op 22 juni een edict af, daarin werd met zware straffen gedreigd voor ieder die met de (Spaanse)koning of de koningsgezinden samenwerkte of onderhandelde., Geschiedenis van Antwerpen sedert de Stichting der Stad tot onze Tyden uitgegeven door de Rederykkamer de Olyftak bewerkt door F. H. Mertens en K. L. Torfs, Volume 5 P.204- Uitgave: 1849

Beleg miniatuur|Parma zet de eerste schop in de grond, op de achtergrond de nog niet voltooide schipbrug, Filips van Marnix pleegt met schepen een aanval op de werkzaamheden

Als eerste werd de route tussen Antwerpen en Dendermonde afgesloten; opdracht hiertoe kreeg Antonio Olivera die ter hoogte van een brug een nieuw fort moest bouwen, zodat de handel tussen Gent, Dendermonde en Antwerpen afgesneden zou zijn. Om de Brusselse vaart te beheersen, zond Parma een andere afdeling naar Willebroek om daar een schans aan de Schelde in te nemen. Beveren werd versterkt, het dorp Kallo werd ontruimd en bezet., Der Nederlandtsche oorloge, Volume 2 P.376 Uitgave: A. van Hoogen-huyse, 1655

Insluiting Parma had intussen bedacht wat de beste manier zou zijn om Antwerpen te bemachtigen: de toevoer afsnijden en de stad uithongeren. Op 3 juli werd begonnen met het afsluiten van Antwerpen. Het leger werd gesplitst. Vijfduizend man onder de markies van Rijsburg nam positie tegen Liefkenshoek, zevenduizend man onder leiding van Mansfeld en Mondragon tegen de vesting. (Volgens Strada waren het vierduizend en vijfhonderd man voetvolk en acht vendels ruiters, die werden toegevoegd aan Mondragon, bij Rubaes drieduizend man voetvolk en vier vendels ruiters.) Mansfeld en Mondragon trokken bij Kruibeke de Schelde over, hoewel het Zeeuwse admiraalsschip dit tevergeefs probeerde te verhinderen. Een deel moest de schansen Lillo en Liefkenshoek veroveren. De eerste bestorming van Liefkenshoek werd door de verdedigers afgeslagen, bij de tweede poging werd een krijgslist gebruikt. Op 10 juli werden enkele hooiwagens onder de wallen gebracht en in brand gestoken. Door de rook waren de verdedigers niet in staat om zich op de wallen te begeven en de schans kon worden ingenomen. Iedereen binnen de wallen werd doodgeslagen. Op dezelfde dag werd Willem van Oranje doodgeschoten. Omdat zijn oudste zoon in Spaanse handen was werd de tweede zoon prins Maurits benoemd als zijn opvolger.

De volgende dag werd ook Doel bezet, 15 juli Zwijndrecht, op 17 juli Herentals. Het deel van het leger onder leiding van Mondragon was intussen naar Lillo opgerukt. Binnen deze schans lag een Frans vendel met een honderdtal Antwerpse gildebroeders, later versterkt met vier Schotse vendels onder Henry Balfour. De koningsgezinden hadden een bres geschoten. Ze stonden op het punt hun bestorming in te zetten, toen de verdedigers binnen de schans een mijn te vroeg lieten ontploffen. Ze leden door dit ongeluk veel verliezen, waaruit de koningsgezinden voordeel haalden. Desondanks werd er zo fel verdedigd dat het Mondragon nog drie weken tijd kostte om de schans in te nemen.

Doorsteken van dijken, komst Frederico Gianibelli left|thumb|225px|Fin de la guerre, het ramschip

De vleeshouwers gingen overstag en gaven eindelijk hun toestemming om de polders blank te zetten, Mondragon had de wegen rondom de dijken echter al bezet. Ondanks het edict dat sinds 17 juli van kracht was, verlieten dagelijks tientallen gezinnen Antwerpen om elders het geluk te zoeken. Het edict verbood nochtans om zonder toestemming de stad te verlaten op straffe van onteigening van goederen en hoge geldboetes. Op 26 juli vertrokken veel burgers naar Zeeland.

Op 10 augustus werd Oorderen ingenomen en kort daarna de Boerenschans. Op 17 augustus viel Dendermonde, op 19 augustus twee blokhuizen rondom Willebroek, op 20 augustus het kasteel Grimbergen, op 4 september Vilvoorde, op 17 september Gent. Eerder, sinds april, hadden Ieper, Brugge en andere Vlaamse steden zich overgegeven. Antwerpen raakte steeds meer afgesloten. Intussen had Parma het grof geschut in Beveren bij elkaar verzameld.

Te Antwerpen bood Frederico Gianibelli, een Italiaanse uitvinder, zijn hulp aan. Hij bedacht allerlei uitvindingen zoals branders, een drijvend kasteel, maar ook onbemande vaartuigen die weerbaar moesten zijn onderweg als Spaanse aanvallers ze wilden belagen. Een constructie met kruitvaatjes die rondom het onbemand schip hingen, moest ervoor zorgen dat om het half uur een vaatje ontplofte: genoeg afschrikking om niemand het schip te doen naderen.

Een ander idee was de invoering van een honderdste penning, met de opbrengst daarvan (zesendertig tonnen goud) zou dan in Holland levensmiddelen gekocht kunnen worden ten bate van iedereen. Er werd echter een andere optie genomen: iedere inwoner moest voor zichzelf twee jaar aan voorraden in huis hebben. Spijtig genoeg kochten rijke burgers te schaars in, ze vreesden immers dat men in tijden van nood, de voorraden toch weer bij hen zou komen weghalen.. Van Meteren is ervan overtuigd dat het anders had kunnen lopen en dat de stad niet in handen van de Spanjaarden had moeten vallen. De gemeenteraad had namelijk een maximumprijs voor graan opgelegd, die was zo laag waardoor dat het vele bevoorradingsschepen had afgeschrikt. Zonder maximum graanprijs was er meer graan naar de stad gekomen, en met een grotere voedselvoorraad had de bevolking veel langer standgehouden. Farnese zou niet genoeg geld en niet genoeg voedsel gehad hebben om de omsingeling veel langer aan te houden. Dit ziet Van Meteren dan ook als de grootste fout van de Antwerpenaren: onvoldoende voedselvoorraad inslaan wanneer het de kans had., Belgische ofte Nederlantsche historie van onsen tijden, p. 598.

Parma's schipbrug left|thumb|225px|Aanslag op de Farnesebrug

In oktober 1584 vestigde Parma zijn hoofdkwartier te Beveren, de insluiting van Antwerpen was bijna voltooid met het innemen van alle omliggende steden en dorpen. Behalve het water. Binnen Antwerpen dacht men niet aan de optie van een brug. Het zou zelfs onmogelijk zijn werd er gedacht. Honderd timmerlieden, zeshonderd sappeurs, moesten tweeëntwintig in beslag genomen pleiten uit Dendermonde verbouwen tot een brug. De brug zou tussen twee schansen komen, genaamd Philips- en Mariaschans. Een derde schans onder Lillo dekte de Kouwensteinsedijk. Op 10 oktober werd tevergeefs door Aldegonde persoonlijk geprobeerd dit te verhinderen, het kostte kapitein Peter de Bakker het leven.

Enkele voorname burgers in Antwerpen wilden in onderhandeling gaan met Parma. Deze werden als verraders opgesloten. Ze werden berecht en moesten, als afschrikking voor anderen met gelijke gedachten, hoge geldboetes betalen. Farnese had van zijn spionnen vernomen over de moeilijke sfeer binnen de stad, en achtte de tijd rijp om de stad op te eisen. Op 13 november 1584 zond hij een beleefde brief aan de wethouder. Er werd even beleefd geantwoord dat men de vijandelijkheden zou staken als Parma dat ook zou doen, en 'vrijheid van geweten' zou toezeggen. Parma stuurde nog een brief op 10 december, maar kreeg daarop geen antwoord meer.

De Spanjaarden legden een 730 meter lange schipbrug (brug van schepen) over de Schelde als barricade. Na de voltooiing van de zgn. Farnesebrug in februari 1585 kon de uithongering van de stad beginnen. Alle pogingen vanuit de stad zelf (met buskruit geladen zogenaamde mijnen) en vanuit Zeeland om de schipbrug op de rivier te doorbreken mislukten.

Aanslagen op Parma's brug thumb|Parma kwam bijna om bij de aanslag op zijn pontonbrug, Famiano Strada: Histoire de la guerre des Païs-Bas, 1727