Het 1e Parachutistenleger (Duits: 1. Fallschirm-Armee) was een onderdeel van de Wehrmacht in de Tweede Wereldoorlog. Aanvankelijk was het leger opgericht in april 1944 als een trainingscommando, dat een onderdeel vormde van Heeresgruppe D. Het vormde een louter administratieve eenheid. Op 4 september 1944 werd het leger ingezet als een veldleger. Het 1e Parachutistenleger vocht uitsluitend aan het westfront. Op 8 mei 1945 capituleerde het leger nabij Oldenburg.
Ontstaan Op 4 september 1944 kreeg een verbaasde General Kurt Student te horen van Generaloberst Alfred Jodl, chef van Operaties van het OKW, dat hij was benoemd tot bevelhebber van het 1e Parachutistenleger. De parachutisten waren echter over heel Duitsland verspreid en behalve het 6e Regiment onder leiding van luitenant-kolonel von der Heydte bestonden de andere eenheden slechts uit rekruten, die nog in opleiding waren. Zijn strijdmacht bestond uit een bataljon van het 2e Parachutistenregiment, vijf nieuwe regimenten in opleiding en het 'Ausbildung Bataljon Hermann Göring', dat over antitankgeschut beschikte. Ze beschikten nauwelijks over zware wapens en eigen transportmiddelen. Dezelfde dag bood Hermann Göring 20.000 extra manschappen aan van de Luftwaffe. Dit waren verbindingseenheden, grondpersoneel en piloten, die overbodig waren geworden omdat er nog nauwelijks vliegtuigen beschikbaar waren.
Met deze kleine strijdmacht kreeg General Student de opdracht om het gat in het westelijke front te dichten. Na de strijd bij Falaise was het Duitse front volledig ineengestort. Het 15e Leger trok langs de kust terug naar de monding van de Schelde en het 7e Leger ging in de richting van Aken. Hierdoor was een opening van 150 km tussen beide legers ontstaan en het Oberkommando der Wehrmacht vreesde dat de geallieerden hiervan zouden profiteren. Op 4 september had de geallieerde voorhoede reeds Antwerpen bereikt. De toegangsweg naar Noord-Duitsland was volledig onbeschermd. General Student besloot om een verdedigingslinie op te richten op de noordelijke oever van het Albertkanaal, dat van Antwerpen naar Maastricht liep. Het brede kanaal vormde de ideale antitankgracht, maar er waren geen bunkers of andere verdedigingspunten aan het kanaal. Bovendien lag de noordelijke oever lager dan de zuidelijke oever.
Als expert op het gebied van luchtlandingsoperaties was General Student gewend aan improvisatie. Hij besefte dat het minstens vijf dagen zou duren om alle eenheden ter plaatse te krijgen en daarom besliste hij om alle beschikbare transportmiddelen aan het 6e Parachutistenregiment toe te wijzen. Dit regiment vormde de kern van zijn strijdmacht en het bestond uit 6000 ervaren soldaten. General Student liet de Duitse militaire politie alle beschikbare treinen opvorderen en in de richting van Antwerpen dirigeren. De andere troepen moesten in hun eigen tempo volgen.
De bevelhebber van Heeresgruppe B, Generalfeldmarschall Walther Model, wees nog twee extra divisies toe aan het nieuwe 1e Parachutistenleger. De 719e Infanteriedivisie was een kustverdedigingsdivisie, gestationeerd in Nederland. De divisie bestond uit oudere soldaten, die ongeschikt waren voor frontdienst en jongeren zonder ervaring. Ze hadden tijdens de oorlog nog geen schot gelost. Hun commandant was Generalmajor Karl Sievers, een bejaarde generaal die in de Eerste Wereldoorlog had gevochten. De andere divisie was de 176e Infanteriedivisie, die zich in de buurt van Aken bevond. Ze bestond voornamelijk uit invaliden, revaliderende soldaten en zieken, die niet geschikt waren voor frontdienst. De zieken waren samengebracht in afzonderlijke bataljons. Er waren zelfs speciale dieetkeukens voor de bataljons, die aan maag- en darmkwalen leden.
In de namiddag van 5 september 1944 begonnen de eerste onderdelen van het 1e Parachutistenleger te arriveren aan het Albertkanaal. De treinen van de 719e Infanteriedivisie stopten in Breda, ten noorden van Antwerpen. Vanuit het station trokken de verschillende bataljons verder naar hun posities in Merksem en Wijnegem, ten oosten van Antwerpen. Toen Generalmajor Sievers merkte dat de Britten Antwerpen reeds hadden bevrijd, besloot hij een verdedigingslinie ten noorden van de stad te vormen. Een bataljon van de 34.SS-divisie Landstorm, dat naar Breda was gestuurd, werd door Generalmajor Sievers bij zijn divisie ingelijfd.
General Student kreeg hulp vanuit een onverwachte hoek. Tijdens de gevechten in Normandië had General Chill het grootste deel van zijn 85e Infanteriedivisie verloren. De overlevenden trokken zich terug naar Duitsland. Toen General Chill in Herentals het Albertkanaal bereikte, besloot hij stand te houden. Hij plaatste militaire politie bij de bruggen over het kanaal om alle Duitse soldaten tegen te houden. Infanteristen, chauffeurs, koks en kanonniers werden opgevangen, verzameld in nieuwe pelotons en achter het kanaal gelegerd. Op die manier vormde zich uit de restanten van drie divisies een nieuwe eenheid, Kampfgruppe Chill. Op zijn rechterflank maakte hij in de namiddag van 6 september contact met eenheden van de 719e Infanteriedivisie. Een dag later merkte General Chill dat de linkerflank van zijn Kampfgruppe werd gesteund door pas gearriveerde parachutisten.
Langzaam maar zeker begon het gat in het Duitse front zich te sluiten en vormde het 1e Parachutistenleger een dunne verdedigingslinie achter het Albertkanaal.
Strijd in België en Nederland Op 4 september 1944 bevrijdde de Britse 11e Pantserdivisie Antwerpen. Het verlies van de stad en de haven was een zware slag voor de Duitsers. Zolang ze echter nog de Scheldemonding in handen hielden, konden de geallieerden de haven niet gebruiken. Gesteund door verzetslieden probeerden de Britten vanuit de stad verder op te rukken, maar de Duitsers bliezen de brug bij Merksem over het Albertkanaal op. Tijdens de volgende dagen besloten de Britten een rustpauze in te lassen en te wachten op infanteriesteun. Deze onverwachte pauze gaf de 719e Infanteriedivisie van Generalmajor Sievers en Kampfgruppe Chill de kans om hun verdedigingslinie te versterken. De Britse troepen beperkten zich tot enkele verkenningsaanvallen, die zonder moeite werden afgeslagen. Op 7 september ondernamen de Britse eenheden een nieuwe poging om een bruggenhoofd te vestigen over het Albertkanaal, maar de 719e divisie hield stand. thumb|Duitse para's graven zich in Terwijl de strijd in Merksem en Wijnegem woedde, probeerde de voorhoede van de Britse Guards Pantserdivisie verder naar het oosten een onbeschadigde brug over het Albertkanaal te vinden. Bij Oostham was de brug opgeblazen, maar bij Beringen wisten ze op 7 september 1944 een onbeschadigde brug te veroveren. Na een korte strijd werden de Duitse verdedigers verdreven. General Student gaf opdracht om het belangrijke verkeersknooppunt van Hechtel in handen te houden. Het kwam tot hevige gevechten tussen de Duitse parachutisten, gesteund door de gemechaniseerde kanonnen van het 'Ausbildung Bataljon Hermann Göring', en de Britse Welsh Guards. Gedurende vijf dagen werd er hevig gevochten rond Hechtel. Enkel toen de Duitse positie dreigde te worden omsingeld door de verovering van Neerpelt, werd het kruispunt ontruimd. Ook bij Geel kwam het tot felle gevechten. Bij Ten Aard, een gehucht nabij Geel, vestigde de 15e (Schotse) Infanteriedivisie een bruggenhoofd, maar op 21 september moesten ze het bruggenhoofd ontruimen.
Op 17 september 1944 ging Operatie Market Garden van start. Deze luchtlandingsoperatie sneed het front van het 1e Parachutistenleger in tweeën van Neerpelt tot Arnhem. Generalfeldmarschall Model reageerde onmiddellijk. De westzijde van de saillant werd toegewezen aan het 15e Leger en de oostzijde aan het 1e Parachutistenleger. Gesteund door de tanks en de pantsergrenadiers van het IIe SS-Pantserkorps probeerde General Student de corridor af te snijden. Ondanks verschillende aanvallen hielden de geallieerde troepen stand en het front stabiliseerde zich tot een patstelling. De geallieerden waren niet sterk genoeg om Arnhem te bereiken, maar de Duitsers waren niet sterk genoeg om de corridor te vernietigen.
Strijd in Duitsland Na de mislukking van Market Garden nam de strijd in de sector van het 1e Parachutistenleger af. Vanaf november 1944 begon het Duitse opperbevel troepen te verzamelen voor een aanval in de Ardennen en de legers aan het westfront werden herschikt. Het 15e Leger werd naar het zuiden verplaatst en zijn plaats werd ingenomen door het nieuwe 25e Leger. General Student werd bevorderd tot commandant van de nieuwe Heeresgruppe H, die behalve het 1e Parachutistenleger ook het nieuwe leger omvatte. Zijn opvolger als commandant van het 1e Parachutistenleger was General der Fallschirmjäger Alfred Schlemm, een bekwaam korpscommandant. Het 1e Parachutistenleger bleef in dezelfde frontsector, maar het moest wel zijn sterkste eenheden afstaan voor het Duitse offensief in de Ardennen. Eind december 1944 bestond het leger slechts uit één SS-pantserdivisie, één reguliere infanteriedivisie en één Volkssturmdivisie en enkele Kampfgruppen.
Begin februari 1945 bevond het 1e Parachutistenleger zich achter het noordelijke uiteinde van de Westwall. Deze verdedigingslinie, bestaande uit een netwerk van bunkers, loopgraven, prikkeldraadversperringen en drakentanden, vormde de westelijke verdedigingslinie van Duitsland. Hoewel Market Garden was mislukt, bestond er toch een kans dat de geallieerden de linie konden omzeilen. De frontlijn strekte zich uit voorbij de Maas, maar niet tot aan Rijn. Het gedeelte van de Westwall tussen de beide rivieren was aanzienlijk zwakker dan de rest. Hier bevond zich het Reichswald en in het woud was geen ononderbroken linie, maar enkel afzonderlijk bunkers en versterkte punten. Het Duitse opperbevel veronderstelde dat het woud op zichzelf een voldoende verdediging vormde.
thumb|GeneralAlfred Schlemm