De nyingma is de oudste traditie binnen het Tibetaans boeddhisme. Het is een van de vijf hoofdscholen binnen het Tibetaans boeddhisme. De andere vier zijn kagyü, sakya, gelug en jonang.

Achtergrond Alle stromingen binnen het Tibetaans boeddhisme gaan ervan uit wortels te hebben in de Tibetaanse geschiedenis van voor het ontstaan van hun feitelijke georganiseerde traditie. Tradities als de gelug, daarvoor de kadampa en de sakya en kagyü, traceren die wortels tot aan het begin van de tweede verspreiding van het boeddhisme in Tibet. Globaal is dat vanaf het begin van de 11e eeuw.

De nyingma is uniek binnen die tradities vanwege het feit dat zij hun literaire en culturele erfenis alsmede hun doctrines baseren op de instructies die volgens hun opvatting al tijdens de periode van het Tibetaanse rijk van de 8e en begin 9e eeuw in Tibet geïntroduceerd werden.

Die erfenis kan - globaal - in twee delen onderscheiden worden. Het eerste deel zijn een aantal soetras en tantras. In de boeddhistische traditie zijn dit teksten, die toegeschreven worden aan een boeddha als eerste verkondiger. De meeste teksten zijn afkomstig uit het Sanskriet, maar er zijn ook teksten uit het Burushaski.

In de boeddhistische traditie zijn dit teksten die een boeddha zelf zou hebben uitgesproken, dan wel zijn instemming heeft gegeven dat de teksten van generatie op generatie worden overgedragen of op enigerlei andere wijze zijn zegen aan de tekst heeft gegeven. In de nyimgmatraditie is het grootste deel van die teksten gerelateerd aan Samantabhadra. In de meeste boeddhistische stromingen is Samantabhadra een bodhisattva. In de nyingma traditie wordt Samantabhadra beschouwd als een van de adiboeddhas, een van de oer-boeddha's, die in het oorspronkelijk Sanskriet wordt aangeduid met het begrip dharmakaya. Er zijn ook - een beperkter aantal - teksten, die de nyingma op dezelfde wijze relateren aan de vijf dhyani-Boeddha's (sambhogakaya) en aan Sakyamuni Boeddha (nirmanakaya), die als boeddha aan de mensheid verscheen.

Het tweede deel zijn de terma's. Dat zijn openbaringen in de vorm van religieuze voorwerpen, maar vooral teksten die in diezelfde periode van de 8e en 9e eeuw door met name Padmasambhava, maar bijvoorbeeld ook Vimalamitra verborgen zouden zijn op het Tibetaans plateau om door tertöns op een geschikt tijdstip van vaak honderden jaren later te worden gevonden om de inhoud dan te openbaren. Geen van de andere stromingen binnen het Tibetaans boeddhisme kent deze vorm van openbaringen. Wel is een aanzienlijk deel van de literatuur van de bönreligie, de andere vorm van boeddhisme in Tibet, gebaseerd op terma's.

Essentie van de doctrine van de nyingma In de doctrine wordt de geest, het bewustzijn omschreven als het oerbegrip, een aanwezigheid die er altijd is geweest. Het wordt gekarakteriseerd door kwaliteiten als bijvoorbeeld spontaniteit, helderheid, volledige vrijheid, oorspronkelijke puurheid en waarachtigheid en intrinsiek bewustzijn. De ware natuur van de geest, het bewustzijn is niet toegankelijk via logische analyse. De geest creëert de verschijningen in de wereld, de plaats van het menselijk lijden. Al deze verschijningen worden echter geacht illusoir te zijn. De onwetende geest gaat ervan uit dat zijn creaties (de verschijningen) echter in de realiteit bestaan en vergeet daarbij zijn ware natuur van oorspronkelijke puurheid en waarachtigheid. De techniek om door te dringen tot de oorspronkelijke waarachtigheid is om activiteiten te ondernemen, die erop gericht zijn een aantal obstakels te verwijderen. Hierna zal de geest, het bewustzijn alle valse gedachten en ervaringen weten te elimineren en zijn eigen ware natuur weten te herkennen.Lopez, jr., Donald S. (1997) Religions of Tibet in Practice, pag. 24-26, Princeton University Press,

De verwerving van kennis en inzicht In de nyingmatraditie zijn er negen voertuigen, vormen van instructie voor het verwerven van deze kennis en dit inzicht te onderscheiden. Het onderscheid ligt in het wel dan niet reeds verworven inzicht van degene die de instructies ontvangt. Iedere lagere vorm van instructie wordt in de hogere vorm herhaald.

Sravakayana de instructie van de vrome aanwezigen. Pratyekabuddha de instructie van de op zich zelf betrokken boeddha, Boddhisattvayana de instructie van degenen die de verlichting niet voor zichzelf zoeken maar voor alle wezens Kriyatantra Ubhayatrantra Yogatantra Mahayoga Anuyoga Atiyoga of ook wel Grote Perfectie of DzogchenKapstein, Matthew (1991) Voorwoord van de vertaler in: The Nyingma school of Tibetan Budhhism, Its fundamentals and its History, pag. 30-35, Wisdom Publications,

De authenticiteit van de nyingma- teksten Na de val van de Yarlung-dynastie en het eind van het Tibetaans keizerrijk in het midden van de 9e eeuw verdwijnt het boeddhisme in georganiseerde en zeker als monastieke vorm voor ruim een eeuw uit Tibet. Een tweede verspreiding begint weer plaats te vinden aan het eind van de 10de, begin 11e eeuw. Vanaf die periode reizen weer Indiase meesters naar Tibet en Tibetaanse lama's naar India voor onderwijs.

Hun activiteiten leidden tot de stichting van nieuwe georganiseerde tradities binnen het Tibetaans boeddhisme, zoals de kadampa, sakya en veel varianten binnen de kagyüschool.

Vanaf het begin van die periode tot op de dag van heden wordt de nyingma geconfronteerd met de beschuldiging, dat - in ieder geval een aanzienlijk deel van - hun teksten uit de 8e en 9e eeuw niet authentiek zijn. Daarmee wordt bedoeld dat die teksten hun oorsprong niet in India hebben. De implicatie daarvan is, dat die teksten in de 8e en 9e eeuw in Tibet zelf zouden moeten zijn ontstaan.

Er zijn vele verhalen van zowel meesters uit India als lama's die naar dit land reisden met als essentie dat zij gedurende de periode van hun verblijf in India nooit het oorspronkelijke equivalent in het Sanskriet van ook maar een van de oude vertalingen uit de 8e of 9e eeuw hadden gezien of ontdekt. Het resultaat is, dat er nauwelijks teksten van de nyingma opgenomen zijn in de kangyur, de canon van het Tibetaans boeddhisme. De nyingma hebben als antwoord daarop een eigen verzameling van hun canonieke teksten bijeengebracht, de Nyingma Gyübum. De min of meer definitieve ordening van die verzameling vindt plaats in de 15e eeuw.

De kwestie van authenticiteit van de teksten lag en ligt voor de nyingma zeer gevoelig. De Indiase wortels van het Tibetaans boeddhisme zijn cruciaal voor de geloofwaardigheid van iedere traditie. De nyimgma hebben zich dan ook altijd fel verzet tegen deze beschuldiging. De totstandkoming van de nyingma als een apart te onderscheiden traditie is voor een belangrijk deel toe te schrijven aan dit verzet.

In de jaren na 1960 schrijft de tweede Düdjom Rinpoche Jigdral Yeshe Dorje in India zijn belangrijkste werk, The Nyingma School of Tibetan Buddhism; Its Fundamentals and History. Het zeer omvangrijke werk is een compilatie van de culturele en spirituele erfenis van de nyingma en bedoeld om in een compleet veranderde werkelijkheid de kennis daarvan voor toekomstige generaties te behouden.Dudjom Rinpoche (1991) The Nyingma School of Tibetan Buddhism - Its Fundamentals and History, Wisdom Publications, pag. 888-928,

In dit werk wordt uitgebreid aandacht besteed aan de weerleggingen van de beschuldiging. Naast eigen opvattingen daarover citeert Jigdral Yeshe Dorje daarbij uitgebreid uit het verweer van vroegere nyingmameesters. Voor een westers publiek klinken die weerleggingen niet altijd even overtuigend en/of rationeel. De auteur zelf heeft als belangrijkste argument dat het niet bestaan of niet voorkomen van de teksten in India niets zegt over de authenticiteit er van.

Hij citeert bijvoorbeeld uit het werk van Rongzompa, een auteur uit de nyingmatraditie van de 11e eeuw. Zijn belangrijkste argument is, dat de teksten wel authentiek moeten zijn, omdat deze werden gemaakt in opdracht van de drie grote Dharma-koningen van Tibet, Songtsen Gampo, Tri Songdetsen en Tri Ralpachen die van een heel andere orde van grootheid zijn dan de opdrachtgevers van heden. Rongzompa merkt verder op dat de oude vertalingen gemaakt zijn in geheiligde tempels als Samye, die heel iets anders zijn de paar monastieke grotten van vandaag. De oude vertalingen werden gemaakt door echte meesters en die waren heel anders dan de vertalers van tegenwoordig die vooral op zoek zijn naar beloningen in de vorm van goud. Ten tijde van de vertaling van de oude teksten was het boeddhisme in India in een bloeiperiode. Daardoor konden de vertalers van de oude teksten die ook zonder fouten realiseren. Maar de charlatans die zich nu vertaler durven te noemen stellen de overgeleverde instructies van de boeddha's verkeerd voor. Zij verzinnen zelf allemaal hun eigen doctrine en stapelen fout op fout.

Jigdral Yeshe Dorje citeert in zijn werk ten aanzien van dit punt nog meer nyingma auteurs uit ook de 13e en 14 e eeuw. Een steeds terugkerend element in de weerleggingen is het voortdurend schetsen van een negatief beeld van de vertalers die vanaf de 11e eeuw werkzaam waren.

Deze discussie is in het historische Tibet steeds aanwezig geweest. De gelughistoricus Sumpa Yeshe Peljor schrijft bijvoorbeeld eind 18e eeuw.

Pabongka, de meest invloedrijke tulku van de gelug uit de eerste helft van de 20e eeuw vond hierin nog aanleiding om met zijn knokploegen nyingma kloosters in die periode aan te vallen.Kay, David N. (2004) Tibetan and Zen Buddhism in Britain, Transplantation, Development and Adaptation, Routledge Curzon,

In strikt historische zin is het een feit, dat er van de grote meerderheid van de "oude vertalingen" nooit een equivalent in het origineel Sanskriet is gevonden. Wetenschappers en tibetologen hebben zich in deze kwestie tot nu toe meestal terughoudend opgesteld. Wel wordt door een aantal opgemerkt dat het boeddhisme vanaf de 11e eeuw, de periode waarin de tweede verspreiding in Tibet aanvangt, in India al zeer duidelijk aan betekenis had ingeboet. Het is mogelijk dat er daardoor ook materiaal in het Sanskriet waarop de oude vertalingen zijn gebaseerd was verdwenen.

Naar de belangrijkste tekst van de nyingma, de Dzogchen is echter wel onderzoek gedaan. De belangrijkste conclusie daarvan is, dat de Indiase wortels zo niet geheel afwezig dan toch zeer gering zijn..Germano, David (1997) Food, Clothes, Dreams and Karmic, in: Religions of Tibet in Practice, pag. 221-222Karmay, Samten G. (2007) The Great Perfection, Leiden, Brill.

De terma In de nyingma opvattingen ontstond naast de overdrachtsmethode van meesters op leerlingen van de oude teksten in de 8e eeuw een andere lijn van overdracht van instructies. Dit waren de terma. Dat zijn openbaringen in de vorm van religieuze voorwerpen, maar vooral teksten die door met name Padmasambhava, maar bijvoorbeeld ook Vimalamitra, verborgen zouden zijn op het Tibetaans plateau om door tertöns op een geschikt tijdstip van vaak honderden jaren later te worden gevonden om de inhoud dan te openbaren. In de traditie is het ook mogelijk, dat teksten in het hoofd van de tertön gevonden kunnen worden. Hoewel er tot in de 20e eeuw op deze wijze nieuwe openbaringen zijn geclaimd, vindt de hausse van openbaringen plaats in de periode van globaal 1050-1350.

Historische context terma Tibetologen als Matthew Kapstein, Per Kværne en Donald Sewell Lopez jr. zetten de hausse van het vinden van terma's in die periode in de context van de boeddhistische renaissance, de tweede verspreiding van het boeddhisme in Tibet die Sarma wordt genoemd.

Dat was een periode dat veel Indiase meesters, zoals Atisha naar Tibet reisden om daar het geloof uit te dragen. In dezelfde periode reisden veel Tibetaanse lama's naar India voor onderwijs, maar vooral om daar opnieuw voor Tibet nog onbekende, boeddhistische teksten te ontdekken en vanuit het Sanskriet te vertalen. Voorbeelden van hen zijn Marpa en Gampopa.