De Tridentijnse mis, ook bekend als de Vetus Ordo of de Extraordinaire vorm van de Latijnse Ritus, is de vorm van de katholieke eredienst die vóór de liturgische hervormingen in de jaren 60, volgend op besluiten van het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965), algemeen werd gebruikt. Deze vorm van de misviering werd in 1570 door paus Pius V gestandaardiseerd en veralgemeend, naar aanleiding van het toenmalige Concilie van Trente, in het Latijn Concilium Tridentinum (1545-1563), vanwaar de naam tridentijns. De gebruikte teksten zijn echter grotendeels veel ouder, ze zijn dan ook nagenoeg gelijk aan die tijdens het pausschap van Gregorius de Grote uit de zesde eeuw (590-604).Liturgy of the Mass, lemma in Catholic Encyclopedia, 1913
De term Tridentijnse mis kan verwarrend zijn. De liturgie die gecodificeerd werd op het Concilie van Trente was immers de al reeds bestaande Romeinse mis, wiens wortels zich al in de vroege eeuwen na Christus bevinden. De Romeinse ritus werd op dat moment louter vastgelegd en gepromulgeerd voor de gehele Kerk. Bepaalde rites konden, met toestemming, blijven voortbestaan als ze meer dan 200 jaar oud waren, zoals de Dominicaanse ritus en de Ambrosiaanse ritus, alhoewel de meeste daarvan inmiddels in onbruik zijn geraakt. Sinds de standaardisatie van de Romeinse mis op Trente is de liturgie relatief weinig veranderd tot aan het Tweede Vaticaans Concilie.
Inleiding Zoals hierboven aangegeven werd de oude misorde (Ordo Missae) van paus Pius V gedurende de jaren 60 aangepast, en in 1970 grotendeels vervangen door een nieuwe misorde (Novus Ordo Missae) als liturgie voor het gebied van de Romeinse ritus, en in de praktijk voor het gehele Latijnse deel van de Katholieke Kerk, dat wil zeggen bijna alle katholieke kerken buiten Oost-Europa en het Midden-Oosten. Deze wijzigingen in de Eucharistieviering zijn uitgevoerd naar aanleiding van bepalingen van het Tweede Vaticaans Concilie, waar onder andere is besloten om rijker te putten uit de H. Schrift ten behoeve van de lezingen in de Eucharistieviering, meer variatie aan te brengen in de teksten en te streven naar vereenvoudiging en een nobele eenvoud van de liturgie door gebruik te maken van de inzichten uit de liturgische wetenschap van de laatste vier eeuwen. Het missaal van 1962 is door de invoering van het missaal van 1970 automatisch vervangen.
Op 7 juli 2007 is tijdelijk een ruimer gebruik gecreëerd van het missaal van 1962 middels het motu proprio, een besluit uit eigen beweging, van paus Benedictus XVI, Summorum Pontificum. Hij beschouwde hierin de Tridentijnse mis, in de editie 1962 van het Romeinse missaal (Missale Romanum, van paus Johannes XXIII), als de buitengewone vorm van de Latijnse ritus, terwijl het Missale Romanum van 1970 (Novus Ordo Missae van paus Paulus VI) de gewone vorm of uitdrukking is. Dit motu proprio is in werking getreden op 14 september 2007. Het stond alle priesters van de Latijnse ritus (Romeinse ritus) weer vrij om volgens het Romeins misboek van 1962 te celebreren, zowel privé als publiek. Publieke missen stonden onder toezicht van de bisschop. De bisschoppen werden nadrukkelijk verzocht om te voldoen aan de wensen van gelovigen die de Tridentijnse liturgie aanhangen.
Bij het genoemde motu proprio werd aangegeven dat dit ruimer gebruik van het missaal van 1962 zou worden geëvalueerd. Dit is gebeurd middels een consultatie van bisschoppenconferenties uit de hele wereld onder het pontificaat van paus Franciscus. Deze besloot daarop het gebruik van het missaal van 1962 in te perken en grotendeels aan te sluiten bij het beleid van zijn voorgangers de heilige pausen Paulus VI en Johannes Paulus II, zoals vastgelegd in zijn motu proprio van 15 juli 2021 Traditionis Custodes. Zo moeten onder anderen pas gewijde priesters toestemming van Rome hebben om het missaal van 1962 te gebruiken.Motu proprio, Vaticaan
Andere – eveneens foutieve – benamingen die in gebruik zijn voor de Eucharistieviering volgens het missaal van 1962 zijn Tridentijnse ritus, klassieke Romeinse ritus, traditionele Latijnse mis, oude Romeinse ritus, Traditionele ritus, overgeleverde Romeinse ritus of mis van paus Pius V.
Een Tridentijnse Mis kent aan de hand van de heiligenkalender en feesten diverse klassen van feesten:
1e klas feest - Hoogfeesten, belangrijke feesten in het kerkelijk jaar. Feesten van de toepasselijke patroonheilige van een kerk, parochie of bisdom, Ook een Requiemmis mis wordt geclassificeerd als 1e klas H. Mis 2e klas feest - Feesten, belangrijke maar geen primaire feesten. Ook een huwelijksmis wordt geclassificeerd als een 2e klas H. Mis 3e klas feest - (Verplichte) Gedachtenis, de meeste doordeweekse H. Missen behoren tot Missen van de 3e klas 4e klas feest - Vrije gedachtenis, herdenking van een heilige van mindere betekenis
Opbouw Voormis of mis der catechumenen De Tridentijnse H. Mis begint op zondag met de zang van het Asperges me (Was mij, o Heer, met hysop), indien het een gezongen mis betreft. De priester of bisschop draagt de koorkap bij deze besprenkeling met wijwater. Hierna worden door afwisselend priester en misdienaars de gebeden aan de voet van het altaar gezegd (Ps. 42, Introibo ad altare Dei), inclusief het Confiteor. Een eventueel koor zingt de Introïtus. Hierna vindt de eventuele bewieroking van het altaar plaats, gevolgd door Kyrië en Gloria in excelsis Deo. Dan bidt de celebrant de Oratio (ook wel: Collecte). Hierna zingt of leest de priester (of subdiaken) het Epistel, gevolgd door het Graduale en het Alleluia. Diep neergebogen vraagt hij God om kracht om waardig het Evangelie te verkondigen. Dit wordt aansluitend hieraan gezongen. De priester, diaken of bisschop betreedt de preekstoel (of ambo) en houdt de homilie. Voorafgaand worden door hem de lezingen in de volkstaal nogmaals luid herhaald. Hierna volgt het Credo.
Altaardienst of mis der gelovigen thumb|H. Bloed thumb|Tridentijnse mis De rondgang met de collecteschaal vindt plaats. De celebrant spreekt de gebeden van het Offertorium en loopt vooruit op het komende misoffer door de gebeden waarin hij de gaven van brood en wijn aan God en de eredienst toewijdt. Bij de Plechtige H. Mis 'met drie Heren' neemt subdiaken de pateen aan en houdt deze tot het Paternoster onder een schoudervelum. De Prefatie wordt gezegd of gezongen, waarna het Sanctus volgt. De priester bidt stil het Sanctus en begint met de woorden Te igitur aan de zachtjes gebeden Romeinse canon. In de canon (eucharistisch hoofdgebed) vindt de consecratie plaats. De H. Hostie en het geconsacreerde H. Bloed worden opgeheven voor aanbidding. Altaarbellen klinken. Misdienaars bewieroken zowel kelk als Hostie. Na de canon zingt de priester alleen het grootste deel van het Paternoster. Hij staat aan het altaar zoals Christus voor Zijn apostelen. Het volk, misdienaars en het koor antwoorden de laatste zin: Sed libera nos a malo (Maar verlos ons van het kwade). Nu volgen de vredeswens van de priester die een stukje van de Hostie in de kelk laat vallen (Pax Domini sit semper vobiscum). Het Agnus Dei wordt gezongen en gebeden. De priester bereidt zich voor op de nuttiging van de H. Communie door stille gebeden. De priester communiceert. De misdienaars en het volk spreken gezamenlijk het Confiteor (Ik belijd) uit. De priester geeft door een kruisteken uiting aan een niet-sacramenteel gebed van absolutie. De priester toont de Hostie en spreekt: Ecce Agnus Dei... (Ziet het Lam Gods, ziet Hem die de zonden der wereld wegneemt). Het volk belijdt driemaal haar onwaardigheid door middel van het Domine, non sum dignus (Heer, ik ben niet waardig). Dan wordt direct de H. Communie uitgedeeld. De gelovigen ontvangen uitsluitend de Hostie. Zij knielen aan de communiebank en houden hun handen veelal onder een wit kleed, communiedwaal genoemd, dat op de bank bevestigd is. De Communie wordt uitsluitend door een priester of bisschop, of eventueel de diaken, uitgereikt. De H. Hostie wordt enkel op de tong ontvangen, de "Communie op de hand" is verboden. De celebrant spreekt voor zichzelf de Communiezang (Communio) uit. Hierna volgt een Gebed na de Communie (Postcommunio). Dan wordt door de diaken of priester het Ite missa est gezongen of gezegd. De zegen van de priester wordt gegeven, waarbij men knielt. Het Laatste Evangelie (Joh. 1,1-14) wordt gezegd als afsluiting. Er volgt een lofzang ter ere van de Moeder van God. Na een stille (gelezen) H. Mis volgen echter gesproken gebeden (Wees gegroet Koningin, Moeder van barmhartigheid; Heilige aartsengel Michaël; Allerheiligst Hart van Jezus...) De geestelijkheid en de misdienaars gaan in processie terug naar de sacristie.
Geschiedenis Ontstaan Deze overgeleverde Romeinse ritus, zoals hij in 1570 gecodificeerd werd, behoort naast de Liturgie van Johannes Chrysostomos en de Liturgie van Basilios tot de oudst overgeleverde christelijke liturgieën. Bepaalde essentiële gebeden van de ritus gaan volgens liturgiewetenschappers terug tot apostolische tijden. Door de pausen uit de oudheid (Gelasius en Damasus) werd de Romeinse canon (het oorspronkelijke eucharistisch gebed van de westerse Kerk, en gebruikt in de Tridentijnse mis) zelfs aan de apostelen Petrus en Paulus zelf toegeschreven. De zesde-eeuwse paus Gregorius de Grote zou zich actief met de zang (gregoriaans) van deze ritus hebben bemoeid. De notatie van het gregoriaans op papier (in muzieknotatie) vindt echter pas plaats vanaf de negende eeuw. Latere toevoegingen bestaan uit de huidige Offertorium-gebeden (achtste eeuw), gebeden aan de voet van het altaar (Introibo ad altare Dei, Psalm 42) bij het begin van de mis sinds de twaalfde eeuw en het Laatste Evangelie (Joh. 1, 1-14) sinds de dertiende eeuw. Aanvankelijk bestond zij in de Latijnse Kerk als een van de vele op elkaar gelijkende Latijnse ritussen. De Gallicaanse, Ambrosiaanse en Mozarabische riten bestonden naast de Romeinse ritus. In wezen verschilden deze liturgieën niet zeer veel van elkaar, omdat de invloed van de ritus van Rome altijd de grootste was geweest en Rome de vroegste christelijke gemeenschap in het Westen was geweest. Rome was het voornaamste centrum van liturgische riten voor de westerse Kerk; zo werd de Romeinse canon (eucharistisch gebed) in alle genoemde Latijnse varianten aangehouden.
Concilie van Trente Paus Pius V codificeerde in 1570 de bestaande ritus van Rome op advies van het Concilie van Trente dat een verdediging van de Katholieke Kerk tegen het protestantisme voorstond. Pius V creëerde geen nieuwe liturgie, maar veralgemeende en rubriceerde de liturgie zoals gebruikt in Rome en omliggende gebieden. De gehele Latijnse Kerk, met uitzondering van de oude Ambrosiaanse, Mozarabische en Gallicaanse ritusgebieden, werd verplicht het missaal van Pius V (Tridentijnse liturgie) te gebruiken. In de middeleeuwen ontstonden de riten van de dominicanen, karmelieten en de Braga-gebruiken. Deze varianten van de Tridentijnse liturgie bleven ook na 1570 bestaan.
Het Tridentijnse missaal draagt weliswaar de naam van het zestiende-eeuwse Concilie van Trente, maar verschilt vrijwel niet van de liturgie van Rome in de vijftiende eeuw en eerder in de middeleeuwen. Historisch gezien is dus de benaming Tridentijnse liturgie of ritus eigenlijk hoogst ongelukkig.
Sommige tegenstanders van de sterk gerubriceerde Tridentijnse mis beweren soms ten onrechte dat het Concilie van Trente deze liturgie zelf schiep.
Na 1570 De Tridentijnse liturgie benadrukt sterk de theologie van het misoffer. Hiervoor werd zij door pausen geprezen, maar door protestanten als Luther, Calvijn en vooral de schrijver van de gereformeerde Heidelbergse Catechismus veroordeeld als "afgoderij". Zij stond synoniem voor het pausschap, en de trouw daaraan, daarom werd de Tridentijnse mis ook wel de "Paepsche Misse" genoemd.