Dit artikel beschrijft de geschiedenis van Zweden.

Prehistorie thumb|Boerderijen en vaste nederzettingen in Zweden gedurende het Paleolithicum (10.000-4.100 v.Chr.) Lange tijd, tot in het Pleistoceen, werd het land bedekt door een zeer dikke ijskap. Deze schuurde over het landschap en hierdoor zijn er geen onbetwiste vondsten uit het Vroeg- of Midden-Paleolithicum. Rond 14.000 v.Chr. begon de ijskap te smelten in de zuidelijkste gedeelten van het land. Rond ongeveer 12.000 v.Chr. vestigden de eerste laatpaleolithische volksstammen van rendierjagers uit de Brommecultuur zich in deze zuidelijke gedeelten. Men noemt dit tijdperk het Allerød-interstadiaal. Kort voor het einde van het Jonge Dryas (circa 9600 v.Chr.) vestigden zich aan de westkust van Zweden (Bohuslän) westelijke jagers-verzamelaars uit het noorden van het huidige Duitsland. Deze groep wordt meestal aangeduid als de Ahrensburgcultuur. Zij waren in hoofdzaak vissers en gingen op zeehondenvangst langs de kust van het westen van Zweden. Tegenwoordig wordt deze groep aangeduid als de Fosna-Hensbackacultuur.

Naarmate de ijskap zich verder terugtrok, trokken er ook mensen naar het noordoosten. Archeologisch, taalkundig en genetisch bewijs suggereert dat oostelijke jagers-verzamelaars vanuit het noorden langs de Noorse kust trokken, en zich vermengde met de al aanwezige westelijke jagers-verzamelaars. De zo ontstane Scandinavische jagers-verzamelaars verspreidden zich verder over Zweden.

Een belangrijk gevolg van het einde van de ijstijd was een voortdurende opwaartse druk op het land naarmate de aardkorst zich herstelde van de druk die was uitgeoefend door het ijs. Dit proces, dat aanvankelijk zeer snel ging, duurt tot op heden voort. Het heeft tot gevolg dat plaatsen die oorspronkelijk langs een groot deel van de kust van Zweden lagen, chronologisch kunnen worden geordend aan de hand van hun elevatie. Rond de hoofdstad van het land bijvoorbeeld, bevinden de vroegste sites van jagers op zeehonden zich nu op bergtoppen in het binnenland. Hun aantal neemt toe als men zich bergaf beweegt in de richting van de zee.

De laatpaleolithische cultuur maakte plaats voor de eerste fase van het Mesolithicum rond 9600 v.Chr. Dit tijdperk, onderverdeeld in de Maglemosecultuur, gevolgd door Kongemosecultuur en de Ertebøllecultuur, wordt gekenmerkt door kleine groepen van jagers-verzamelaars-vissers die microlieten (stenen werktuigen gemaakt van vuursteen dat minder dan 3 centimeter lang is en minder dan 1 centimeter breed) gebruikten. Waar vuursteen niet direct beschikbaar was, werd kwarts en leisteen gebruikt. In de laat-Ertebøllecultuur verschenen er semi-permanente vissersnederzettingen, gekenmerkt door typisch aardewerk en grote begraafplaatsen.

Tijdens het Neolithicum (4000-1700 v.Chr.) kwamen er rond 4000 v.Chr. opnieuw invloeden uit het continent met de Trechterbekercultuur. Dit waren landbouw en veeteelt, samen met de monumentale begraafplaatsen, gepolijst vuurstenen bijlen en versierd aardewerk. Men weet niet of dit gebeurd is door de verspreiding van kennis of door massale migratie. In een tijdspanne van twee eeuwen werd heel Denemarken en het zuidelijk deel van Zweden ondergedompeld in deze neolithische cultuur. Een groot deel van het gebied raakte bezaaid met hunebedden. De boeren konden koeien fokken en beschikten zodoende het hele jaar door over melk.Kristian Sjøgren: First Scandinavian farmers were far more advanced than we thought Gron KJ, Montgomery J, Rowley-Conwy P (2015): Cattle Management for Dairying in Scandinavia’s Earliest Neolithic

De volkeren in het noorden van het land behielden echter nog tot het 1e millennium voor Christus een mesolithische levensstijl. Volkeren in het zuidoosten van Zweden gingen na slechts een paar eeuwen al over van de neolithische cultuur naar een economie van jacht en visserij. Dit noemt men de Pitted-warecultuur. Uit deze cultuur komen de mooiste bewerkte vuurstenen in de Scandinavische prehistorie en de laatste hunebedden.

Bronzen tijdperk (1700 - 500 v.Chr.) Meer dan tweeduizend jaar geleden trokken de eerste Germanen vanuit het zuiden het land binnen. De voorouders van de Zweden vestigden zich voornamelijk aan de oostkust van Zweden, de zuidwestkust van Finland en op de eilanden Öland, Gotland en Åland.

Eeuwenlang woonden in het huidige Zweden verschillende Germaanse stammen; de Svear uit Svealand en de Gauten uit Götaland waren de belangrijkste. In het noorden leefden de Saami een teruggetrokken bestaan.

Het zuidelijke deel van Zweden maakte deel uit van de Noordse bronstijd met veefokkers en boeren. Deze periode begon circa 1700 v.Chr. met de invoer van brons, eerst uit Ierland en daarna in toenemende mate uit Midden-Europa. Lokaal werd nooit naar koper gezocht tijdens deze periode, en Scandinavië bezit geen tinertsen. Derhalve moest alle metaal worden ingevoerd. Dit werd grotendeels bewerkt in lokale ontwerpen. Dit resulteerde in rijk bewerkte wapens en versieringen voor de hoofdmannen. Toch bleef het gebruik van metaal beperkt, tot men, rond 500 v.Chr., zelf ijzererts begon te ontginnen uit de bodem van meren en moerassen – al wist men in eerste instantie nog niet hoe dit erts bewerkt moest worden. IJzer werd bijna uitsluitend gebruikt voor gereedschap om bronzen voorwerpen te maken.

In deze Scandinavische Bronstijd bestonden er nog geen echte steden. De mensen leefden in gehuchten en boerderijen in houten langhuizen zonder verdiepingen. De geologische en topografische omstandigheden waren gelijk aan die van nu, maar het klimaat was milder.

Rijke individuele graven getuigen van een toegenomen sociale stratificatie in de Vroege Bronstijd. Een verband tussen de hoeveelheid brons in graven en de gezondheidstoestand van de botten van de overledene toont aan dat de maatschappelijke positie werd overgeërfd. Wapens met sporen van strijd tonen aan dat dit een oorlogszuchtige periode was. De elite bekwam zijn positie meest waarschijnlijk door controle op de handel. Overvloedige rotstekeningen (zoals bij Aspeberget nabij Tanum) tonen soms een hele vloot lange roeiboten. Deze beelden lijken te zinspelen zowel op handel als op mythologische concepten. Gebieden met rijke bronzen vondsten en gebieden met een rijke rotskunst komen afzonderlijk voor, wat wijst dat rotskunst een betaalbaar alternatief kon opleveren voor bronzen voorwerpen.

thumb|Rotstekening uit het Bronzen Tijdperk (circa 1100 v.Chr.) met mythologische elementen en de voorstelling van een boot Religie in het Bronzen Tijdperk, zoals afgebeeld in rotskunst, richtte zich in hoofdzaak op de zon, op vruchtbaarheid en het openbaar ritueel. Offergaves in moerasgebieden schijnen een belangrijke rol te hebben gespeeld. In de periode na ongeveer 1100 v.Chr. traden er vele veranderingen op. Zo werd crematie vervangen door begraving en werden in plaats van waardevolle voorwerpen meer wapens bij het lichaam gevoegd.

IJzertijd (500 v.Chr. - 1100 n.Chr.) thumb|De "Ale-stenen", een megalithisch monument (circa 1400 v.Chr.) dat een stenen schip voorstelt Zweden kende geen Romeinse bezetting. Hierdoor wordt de IJzertijd in Zweden gerekend tot aan de invoering van kloosterorden en stenen architectuur rond 1100 AD. Een groot deel van de periode is proto-historisch. Dat wil zeggen: er bestaan geschreven bronnen, maar de meesten gebruiken hun bronnen met weinig kritiek. De stukjes nog bestaande teksten stammen ofwel uit een veel latere periode, of werden geschreven in verafgelegen gebieden. Er bestaan echter ook enkele zeer korte en even oude lokale teksten.

Archeologisch onderzoek naar de periode van de vijfde tot de derde eeuw v.Chr. toont aan dat er veel landelijke nederzettingen bestonden. Ook overblijfselen van de landbouw zijn talrijk, maar ze bevatten zeer weinig artefacten. Dit is voornamelijk te wijten aan een uiterst sober begrafenisritueel. Weinig mensen kregen een formele begrafenis en zij die er wel een kregen, ontvingen weinig of geen grafgiften. Enige maatschappelijke gelaagdheid is niet terug te vinden. De invoer van brons was bijna volledig gestopt en lokale ijzerproductie begon volop.

Het klimaat verslechterde, waardoor de boeren hun vee gedurende de winter binnenshuis moesten houden. Hierdoor konden ze mest vergaren die nu voor het eerst systematisch kon worden gebruikt voor bodembemesting. Akkers waren echter nog grotendeels niet duurzaam. Dit leidde tot de geleidelijke samensmelting van grote systemen van gezonken velden of velden afgebakend met steenhopen (cairns) waar slechts een klein gedeelte op een bepaald moment werd bebouwd.

Vanaf de tweede eeuw v.Chr. vindt men overblijfselen van crematies in urnen of ook graven met wapens aangeduid, met bovengrondse stenen. Dit luidde het begin in van monumentale begraafplaatsen, een gebruik dat ongebroken bleef bestaan tot het einde van de IJzertijd. Dergelijke begraafplaatsen zijn veruit de meest voorkomende vorm van oude monumenten in Scandinavië. De terugkeer van graven met wapens, na een onderbreking van duizend jaar, suggereert een proces van een grotere maatschappelijke gelaagdheid, vergelijkbaar met die aan het begin van de Bronstijd.

thumb|Bewoonde gebieden in Scandinavië 1e-6e eeuw. Voor Zweden begint de proto-geschiedenis met de vermelding in het boek De origine et situ Germanorum van Publius Cornelius Tacitus in 98 AD. Of de beknopte informatie die hij rapporteert over dit verre barbaarse gebied wel gegrond is, is onzeker, maar hij vermeldt toch tribale namen die lijken te corresponderen met de Zweden (Suiones) en Sami.

Aan het einde van de 1e eeuw en het begin van de 2e eeuw vond er een belangrijke verschuiving in de materiële cultuur van Scandinavië plaats. Dit was een gevolg van intensief contact met de Romeinen. Ingevoerde goederen, nu grotendeels bronzen bekers, verschijnen in begraafplaatsen. In het begin van de 3e eeuw ziet men een korte bloeiperiode met zeer rijk uitgeruste graven, zoals op een plaatje uit Seeland.

Vanaf het begin van de 2e eeuw werd een groot deel van de landbouwgrond in het zuiden van Zweden verkaveld en afgebakend met lage stenen muren. Ze verdeelden het land in permanent gebruikte stukken bouwland en weiden voor wintervoer aan de ene kant, en bebost landgoed waar het vee werd geweid aan de andere kant van de muur. Dit principe van landschapsbeheer overleefde tot in de 19e eeuw. De Romeinse periode zag ook de eerste grootschalige uitbreiding van agrarische nederzettingen langs de Baltische kust naar het noorden.

Walburchten, eenvoudige structuren op de perifere bergtoppen ontworpen als toevluchtsoord in tijden van aanval, kwamen algemeen voor tegen het einde van de Romeinse periode. Vondsten van oorlogsbuit uit het westen van Denemarken tonen aan dat strijders van de kustgebieden van het huidige Zweden grootschalige overzeese invallen ondernamen in dat gebied maar ook soms flink werden verslagen.

Het runenschrift werd in de tweede eeuw bedacht door de Scandinavische elite uit het zuiden. Uit deze Romeinse periode is echter maar weinig overgebleven: enkele korte inscripties op artefacten, voornamelijk mannelijke namen, waaruit blijkt dat de mensen van Zuid-Scandinavië toen Oernoords spraken, een taal die het moderne Zweedse en andere Scandinavische talen voorafgaat. Deze taal werd gesproken tussen 200 en 600 of 700 AD.

Gedurende de periode der Grote Volksverhuizing in Europa (400 - 540 AD) nam de materiële welvaart in Zweden toe. Zowel de keizer van het West-Romeinse Rijk als de keizer van het Oost-Romeinse Rijk kochten aanvallen van de barbaren af met goud als losgeld. Uit deze periode dateren dan ook veel fijnbewerkte gouden sieraden en voorwerpen, getuigen van de vakkennis van Zweedse goudsmeden. Men vindt deze terug in rijke grafheuvels en graven van krijgsheren en herenboeren in Centraal-Zweden. Men vindt nog echo's terug aan deze Gouden Eeuw in alle belangrijke vroeg-Germaanse poëzie, met inbegrip van Beowulf en het Nibelungenlied.