miniatuur|Toverlantaarn miniatuur|Een toverlantaarn met 2 lenzen boven elkaar miniatuur|Een Bechuana-gemeente uit een serie van 40 toverlantaarnplaten die het Londens Zendingsgenootschap rond 1900 produceerde over de zendingsinspanningen en waarnemingen van Livingstone. Een toverlantaarn (van het Latijnse laterna magica) is een apparaat waarmee doorzichtige afbeeldingen geprojecteerd kunnen worden. Het is dus in feite de voorloper van de diaprojector.
Een toverlantaarn werkt door handgeschilderde glazen plaatjes achter een lens met een felle lichtbron, zoals een kaarsvlam of olielamp, te belichten. Dit zorgt voor de projectie van het geschilderde plaatje. De afbeeldingen op de glasplaatjes vormden meestal illustraties van een sprookje of zedenschets. Zo hadden ze ook iets weg van een stripverhaal.
Een doorontwikkeling op de toverlantaarn is de fantasmagorie.
Werking miniatuur|Een pagina uit Willem Jacob 's Gravesande's boek Physices Elementa Mathematica uit 1720, met een toverlantaarn van Jan van Musschenbroek] die een monster projecteert. De afgebeelde lantaarn is een van de oudst bekende bewaard gebleven exemplaren en bevindt zich in de collectie van Museum Boerhaave in Leiden. Een toverlantaarn bestaat uit verschillende onderdelen. Op de achterwand bevindt zich een holle spiegel, die als condensor fungeerde. Aan de voorkant zit een lens als objectief waarachter glasplaatjes kunnen worden geschoven. Tussen de holle spiegel en het glasplaatje bevindt zich een lichtbron. Een afbeelding die met transparante verf op het glasplaatje is aangebracht, wordt geprojecteerd op een zich voor de toverlantaarn bevindend scherm. De lichtbron was aanvankelijk een kaarsvlam of een olielampje, later een gasvlam, en nog later een gloeilamp.
Hoewel het mogelijk is om niet-doorzichtige afbeeldingen te gebruiken, werd en wordt in vrijwel alle gevallen een afbeelding gebruikt op een doorzichtig glasplaatje. Deze glasplaatjes moeten erg nauwgezet gefabriceerd worden. Kleine foutjes worden namelijk fors uitvergroot tijdens de projectie. Sommige plaatjes bevatten bewegende onderdelen, zodat bijvoorbeeld een schommelend schip kon worden geprojecteerd.
Geschiedenis Uitvinding Er is geen duidelijkheid wie de originele uitvinder is. Er bestaan verschillende theorieën, maar de algemeen aanvaarde theorie is dat de Nederlander Christiaan Huygens de originele toverlantaarn rond 1654 heeft uitgevonden. Waarom en hoe hij hem uitvond is niet bekend.Société Hollandaise des sciences, Oeuvres complètes de Christiaan Huygens pg. 522
Naast Huygens worden er meerdere namen genoemd. De allereerste referentie naar de toverlantaarn wordt gemaakt door Giovanni Fontana in zijn boek Bellicorum instrumentum liberEen boek over (soms niet bestaande) mechanische uitvindingen dat gepubliceerd werd circa 1420. Een illustratie in het boek beeldt een man uit die een lamp of lantaarn vasthoudt, terwijl er op de muur een projectie van de duivel afgebeeld wordt. Andere bronnen vermelden de Duitse priester Athanasius Kircher in wiens boek Ars Magna Lucis et Umbrae een gelijkaardig apparaat dat projecties vertoont beschreven wordt.
De Deense wiskundige Thomas Walgensten was de eerste die de term laterna magica gebruikte. Naast de technische en artistieke waarde van de toverlantaarn zag hij ook een grote economische potentie in de uitvinding. Samen met John Reeves, een opticien uit Londen, was hij een van de eersten die de lantaarns verkocht in Europa. Zo is in het dagboek van een van de klanten van Reeves te lezen:
Voorstellingen Aanvankelijk werd de toverlantaarn voornamelijk gebruikt in aristocratische kringen. Rondreizende "lantaarnisten" gaven voorstellingen aan huis, waarbij het succes afhing van hun vertelkunst en voordracht. In de 18e eeuw ontstonden meer mogelijkheden met deze lantaarns. Zo kon men gebruikmaken van effecten als substituties en, door onder het lantaarnstatief wieltjes te monteren, van plotselinge verschijningen en verdwijningen.
In het westen werd de lantaarn aanvankelijk gebruikt voor het geven van shows en demonstraties. Horrorshows genaamd phantasmagoriashows waren enorm populair bij het publiek. Hierbij werden er verschillende projecties van demonen en geesten geprojecteerd om het publiek te laten schrikken. De lantaarns zelf werden verstopt achter muren of doeken om de indruk van magie te wekken. In de 18e eeuw werden de lantaarns ook gebruikt voor religieuze doeleinden, zoals "doden laten herrijzen" door geesten op rook te projecteren. Dit ging soms zo ver dat entertainers zichzelf op het podium doodschoten nadat ze aan het publiek hadden beloofd zichzelf te laten herrijzen.
Evolutie en ondergang In de 19e eeuw werd de fotografie uitgevonden, en de toverlantaarn werd gebruikt om de eerste foto's te tonen aan een groter publiek. Het magische element raakte naar de achtergrond, en de naam "optische lantaarn" vond ingang.
De toverlantaarn evolueerde in het midden van de 18e eeuw. In het westen werd hij steeds meer gebruikt voor educatieve en wetenschappelijke doeleinden. Zo reisden wetenschappers door Europa en Noord-Amerika om in afgelegen dorpen het belang van hygiëne weer te geven, en werden er in universiteiten tijdens lezingen projecties getoond van microscopische beelden.
De populariteit verzwakte echter vanaf 28 december 1895, toen de gebroeders Lumière met de cinématographe hun eerste films vertoonde in Salon indien du Grand Café aan de Boulevard des CapucinesEen van de vier grote boulevards van Parijs in Parijs. Vanaf de geboorte van de film kreeg de toverlantaarn een tweede plaats in de maatschappij. Ze werd vervangen door verschillende nieuwe uitvindingen, zoals de kinetoscoop en de cinématographe. Ze werden enkel nog gebruikt voor educatie en de verspreiding van religie. In de 20e eeuw verdrong de diaprojector de toverlantaarn.
Gebruik in Japan De toverlantaarn werd in de 18e eeuw in Japan geïntroduceerd door Nederlanders die handel dreven op het eiland Dejima, dat als handelspost werd gebruikt van 1641 tot 1853. De Japanners noemden de lantaarn de gento (幻燈), wat vrij vertaald "spooklicht" betekent.幻 = phantom/vision, 灯 = light/lamp Net zoals in het westen werd de gento vooral gebruikt voor visueel vermaak. De eerste vormen hiervan waren schaduwspelen die met verschillende middelen werden gecreëerd, zoals door het gebruik van handen (tekagee) of met poppen (kageeshibai). Deze schaduwspelen zijn in Japan nooit een grote vorm van theater geworden, in tegenstelling tot het Wayang Kulit in Java. Dit is tevens ook het grootste verschil tussen het gebruik van de lantaarn in het westen en in Japan tijdens de introductie. De gento werd in Japan rond die tijd vooral als simpele vorm van vermaak gebruikt, zoals tijdens privédiners, in verschillende plezier districten en tijdens boottochten in de zomer. Op straat werden er zogenaamde karakuri uitgevoerd. Dit waren kleine "mechanische trucjes" die met behulp van de gento uitgevoerd werden om de aandacht van voorbijgangers te trekken. In het westen werd het de toverlantaarn meer voor voorstellingen in grote zalen gebruikt.
In Japan werd de gento steeds belangrijker in de entertainmentwereld. Zo ontstond er een nieuwe vorm van vermaak genaamd utsushi-e. Dit kan worden vergeleken met phantasmagoriashows, maar in plaats van horrorverhalen werden er vaak traditionele verhalen verteld. Deze verhalen kwamen vaak uit het kabuki- of het bunraku-theater. Utsushi-e werd ook als dynamischer dan phantasmagoria beschouwd. Zo waren snelheid en wendbaarheid belangrijke punten voor zij die die de gento bedienden. Om het apparaat lichter en praktischer te maken werden ze van lichter Paulowniahout gemaakt, een lichte, drukvaste houtsoort die in Japan als edel wordt beschouwd, en niet zoals die in het westen van metaal. Ook werden ze kleiner gemaakt, zodat utsushi-e-acteurs de lantaarns gemakkelijker konden bewegen. De taneita veranderden mee mee. Alhoewel de afbeeldingen nog steeds handgeschilderd werden en de frames nog steeds van hout waren, werden er verschillende trucjes toegevoegd zodat men de illusie van beweging kon creëren. Door bijvoorbeeld touwtjes kon men een taneita snel verwijderen, of door een stuk zwart textiel kon de afbeelding voor het publiek verdwijnen en verschijnen. Door de jaren heen hebben er verschillende praktische aanpassingen plaatsgevonden, zoals het vervangen van de kaarsvlam of olielamp door de gloeilamp. Later werden de gento zelfs voor commerciële doeleinden geproduceerd en kochten vele rijke gezinnen ze als vermaakt.
Tijdens de Meijiperiode werd de westerse variant, de toverlantaarn, in 1874 in Japan geïntroduceerd door Tejima Seiichi11 januari 1850 - 23 januari 1918, een academisch docent en medeoprichter van de Kyoritsu Women's University tijdens de Meiji periode, die in Amerika had gestudeerd. Om het onderscheid tussen de technisch geavanceerde toverlantaarn en de houten gento gemakkelijker te maken werd de westerse variant voortaan de gento genoemd en de houten lantaarns uit utsushi-e de furo. Deze werden zo genoemd omdat de houten variant op een Japans bad uit die tijd leek. Deze baden waren diep, klein, van hout gemaakt en water- en hittebestendig. De nieuwe gento werden, zoals in het westen, hoofdzakelijk voor educatieve en wetenschappelijke doeleinden gebruikt. Er bestond zelfs een plan van het toenmalige ministerie van onderwijs om elke school in Japan van een gento te voorzien. Dit plan werd later door geldgebrek afgekeurd. Vanaf 1890 begon Japan zelf met het produceren van de nieuwe gento en de bijbehorende wetenschappelijke taneita. Omdat de gento en de furo voor verschillende doeleinden werden gebruikt, bestond er geen concurrentie tussen de twee markten, maar complementeerden ze elkaar. De gento excelleerde op het gebied van geschiedenis, geografie en educatie en stond voor rationaliteit en onderwijs. De furo werd daarentegen geassocieerd met publiek vermaak, spektakel, religieuze verhalen en amusement.
thumb|250px|Een taneita die de werking van een stoompomp van het merk Tangye uitlegt Tijdens de Meiji-periode werd goed onderwijs steeds belangrijker in het moderne leven. In deze periode was een (her)introductie van de westerse toverlantaarn, die een belangrijke rol zou spelen in de verbetering van het onderwijs. Wetenschappers en rondtrekkende entertainers reisden naar afgelegen dorpen om uitleg te geven over hygiëne. Afbeeldingen van ziektes en andere gruwelen werden geprojecteerd, om zo het belang van hygiëne op een schokkende manier over te brengen. Niet alleen ziekten, maar ook het Ainuvolk en buitenlanders kwamen vaak aan bod. In universitaire colleges kon men door de projectie van de verschillende stadia gemakkelijk de evolutie van planten en dieren weergeven. Ook kon men met de nieuwe mechanische taneita de relatie tussen de beweging van de zon, aarde, sterren en de maan uitleggen. Ook tempels en monniken maakten gebruik van de gento. Zo schreven ze met inkt gezegden, regels of geboden op de taneita om deze te projecteren.
Tijdens de eerste Sino-Japanse Oorlog (1894-1895) en de Russisch-Japanse Oorlog (1904-1905) begon men de gento te gebruiken als nieuwsmedium voor propaganda. Dit werd mede ingegeven door het feit dat de benodigde taneita snel en gemakkelijk geproduceerd konden worden. Opnieuw verspreidde men deze in dorpen om de heroïsche verhalen van het "almachtige" Japanse leger te vertellen. Vaak werden er projecties getoond van Japanse soldaten die om hun levens vochten. Niet enkel heroïsche verhalen, maar ook serieuzere onderwerpen, zoals de onderhandelingen over de verdragen van Shimonoseki en Portsmouth, werden getoond. Ook hier werden de tegenstanders soms lager in stand afgebeeld dan de Japanners.