Pieter Pietersen Heyn, meestal Piet Hein genoemd (Delfshaven, 25 november 1577 – 17 juni 1629, Nabij Oostende op de Noordzee) was een Nederlandse luitenant-admiraal en commandant van de West-Indische Compagnie. Hein is vooral bekend van de verovering van de Spaanse zilvervloot in 1628, maar vond zelf dat hij voor zijn eerdere wapenfeiten te weinig erkenning kreeg. (2006). De Westafrikaanse reis van Piet Heyn 1624-1625.
Jeugd, gevangenschap en VOC-tijd Piet Hein werd geboren in 1577 in het bij Delft behorende Delfshaven als zoon van de schipper Pieter Corneliszoon Hein (-1623) en Neeltgen Claeszdochter. Van Piet Heins jeugd is weinig bekend, behalve dat hij kennelijk leerde lezen en schrijven en dat hij drie jongere broers had, Jacob, Simon en Cornelis, die allen koopman werden. In 1598 raakte hij – samen met zijn vader – in Spaanse gevangenschap. Hein werd ingezet als een galeislaaf (roeier) in de vloot van Ambrosio Spinola, gelegen bij Sluis. (2006). De Westafrikaanse reis van Piet Heyn 1624-1625, p. XXXV. Hij kwam pas vrij in 1602 bij een uitwisseling van gevangenen.
In Heins latere leven heeft hij op verschillende momenten aangegeven dat hij medelijden voelde voor Afrikaanse en inheemse tot slaafgemaakten. Hij was kritisch over de manier waarop zij door Europeanen werden behandeld. Waarschijnlijk zijn zijn ervaringen als galeislaaf van invloed geweest op zijn visie op slavernij.
In 1603 raakte Hein als schipper van de Kleine Neptunus opnieuw gevangen en werd hij opgesloten in het fort van Havana. Omdat in het vaderland zijn lot onbekend was, liet koopman Jan Gerritszoon Meerman zijn schipper op de Wassende Maen, in 1605 op handelsreis naar Cuba, speciaal informatie inwinnen. In 1607 was Hein terug, maar het is niet overgeleverd hoe en wanneer.
Expeditie naar de Molukken (1607–1612) thumb|Moderne kaart van de Banda-eilanden
Aan het einde van 1607 trad Hein in dienst bij de Vereenigde Oostindische Compagnie en vertrok als stuurman op de Hollandia. Het schip maakte deel uit van de vloot onder Pieter Willemsz. Verhoeff naar de Banda-eilanden om greep te krijgen op de specerijenhandel. Aan boord van de schepen bevonden zich naast Jan Pieterszoon Coen als onderkoopman, ook Jacques Specx, die op weg was naar Hirado, en ongeveer 750 soldaten. Het doel was Portugese schepen te weren voor Mozambique, de haven van Goa te blokkeren en opnieuw een poging te doen Malakka te veroveren, hetgeen Cornelis Matelieff de Jonge eerder niet was gelukt.
In april 1609 kwam Verhoeff op Banda Neira aan en wilde de vestiging van een fort afdwingen. De Bandanezen gaven de voorkeur aan vrije verkoop, waarbij zij de kopers van verschillende nationaliteit tegen elkaar konden uitspelen.Dillen, J.G. van (1970) Van rijkdom en regenten, p. 128-129. De VOC streefde naar een monopolie op de specerijenhandel, zodat de Bandanezen hun producten alleen aan de Nederlanders mochten verkopen (monopsonie). De onderhandelingen verliepen stroef en op een zeker moment lokten de dorpshoofden Verhoeff en twee andere commandanten, die hun schepen hadden verlaten om op het strand te onderhandelen, in het bos in de val en vermoordden hen daar (eind mei 1609). Als vergelding werden verschillende Bandanese dorpen geplunderd en schepen verwoest; op 15 juni 1609 de kampong Lebetakke op Banda door de Nederlanders geheel uitgemoord.Maritieme kalender - Scheepvaartmuseum Hein was waarschijnlijk niet bij deze actie betrokken, omdat hij destijds nog geen militaire functie had. In augustus werd er vrede gesloten in het voordeel van de VOC: de Bandanezen erkenden het Nederlandse gezag en monopolie op de specerijenhandel. De vloot verloor bij de acties in Oost-Indië een relatief groot aantal bemanningsleden en soldaten. Als gevolg daarvan werd een aantal zeelieden bevorderd en zo werd Hein in 1610 schipper van de Hollandia. Van maart tot november 1610 onderhandelde Hein met de Ambonezen en wist daar uiteindelijk met succes voor 70 realen een grote partij kruidnagels te kopen.
Begin 1611 was Hein wel betrokken bij militaire acties; hij leidde toen twee strafexpedities tegen de eilanden Banda Besar (Lontar) en Run, waarna hij opdracht kreeg om op Banda Neira het Fort Belgica te bouwen; dat werd het derde VOC-fort op de Banda-eilanden. In mei 1611 keerde hij terug naar Holland met een kostbare lading kruidnagels (ter waarde van 100.000 guldens, omgerekend anno 2019 meer dan een miljoen euro), die echter ging broeien en bij de Azoren overboord moest worden gezet om brand te voorkomen. In juni 1612 kwam hij terug in Nederland op de Rede van Texel, 4,5 jaar nadat hij was vertrokken. Heins contract bij de VOC is om onbekende redenen niet verlengd; misschien was het motief het overboord gooien van de kruidnagels, weliswaar bedoeld als veiligheidsmaatregel, maar voor de Compagnie wellicht een onacceptabel groot financieel verlies.
Verblijf in Nederland en de Venetiaanse expeditie (1612–1623) Na thuiskomst vestigde Hein zich in Rotterdam en trouwde in 1612 met Anneke Claesdochter de Reus, de twaalf jaar oudere weduwe van zijn in 1611 in de Molukken omgekomen collega Jan de With. Piet Hein was spaarzaam en in 1613 had hij kennelijk een eigen schip, de Sphaera Mundi. Het echtpaar was welvarend genoeg om in 1614 voor 2900 guldens een groot huis te kopen aan de Leuvehaven. In 1617 was Hein schipper op de Neptunus. Toen hij in 1618 met de Neptunus Venetië aandeed, werd hij met schip en bemanning geronseld door de Venetiaanse regering, 'Rotterdammers in dienst van Venetië', in Rotterdams Jaarboekje, Rotterdam: Genootschap Roterodamum 1914. om te vechten in het conflict met het Koninkrijk Napels en Sicilië. Ook Johan Ernst van Nassau-Siegen, Melchior van den Kerckhove en Dirck Hartog waren in die tijd met een aantal schepen en 3000 man landtroepen, met instemming van de Staten-Generaal, in Venetiaanse dienst, gecontracteerd door de gezant Christofforo Suriano. Deze republiek had ernstig te lijden onder Habsburgse, Spaanse en Uskokse aanvallen.Geyl, P. (1913), Christofforo Suriano, resident van de Serenissime Republiek van Venetië in Den Haag, 1616-1623, p. 242. Deze gedwongen dienst op de Adriatische Zee beviel kennelijk niet erg. In 1621 verliet Hein zijn schip (het zou pas in 1623 in Delfshaven terugkeren) en reisde over land naar huis.
De neef van Heins vrouw, Abraham Janszoon de Reus, burgemeester van Rotterdam, bezorgde hem een functie als schepen in de vroedschap, hoewel Hein geen poorter was en een dergelijke positie meestal werd bezet door iemand die rechten had gestudeerd. Mogelijk een geval van "kuiperij" of nepotisme, maar blijkens de notulen behandelde Hein zijn taak niet als een sinecure en kwam hij zijn verplichtingen nauwgezet en gewetensvol na.
In dienst van de WIC In november 1623 trad hij in dienst bij de pas opgerichte West-Indische Compagnie. Hij kreeg opdracht de stad Salvador da Bahia in Koloniaal Brazilië aan te vallen en kreeg kaperbrieven mee om schepen van vijandelijke mogendheden in beslag te nemen, ook wanneer het geen oorlogsschepen waren. Dat betekende dat hij van de Staten-Generaal der Nederlanden toestemming had om Spaanse en Portugese koopvaarders aan te vallen.Dit was overigens een methode die door alle zeevarende landen werd gehanteerd; de Nederlanders hadden er zelf nog de meeste moeite mee, omdat ze de leer aanhingen van het mare liberum, de vrije zee.
Hein voerde het bevel van in totaal drie expedities voor de WIC. Na het Twaalfjarig Bestand liep de oorlog erg slecht voor de Republiek, en Brazilië bloeide als nooit tevoren. De Dertigjarige Oorlog sneed de Republiek af van het Duitse achterland en Breda ging in 1625 verloren. De Habsburgers lieten een kapervloot opereren vanuit Lübeck en de teruglopende economie, zo vreesde men, stond op instorten. In reactie hierop werden plannen bedacht om de vijand aan te tasten bij de bron, in Angola en Cacheu, om de aanvoer van slaven af te snijden.Ratelband, K. (2006) De Westafrikaanse reis van Piet Heyn 1624-1625, p. LVIII-LX. Een nieuw plan op 30 oktober behelsde eerst de aanval op het sterke Bahia, een beslissing waarbij de bewindhebbers Adriaen van der Goes uit Delft, Johannes de Laet uit Leiden, Albert C. Burgh, Kiliaen van Rensselaer en Samuel Blommaert een rol speelden.Ratelband, K. (2006) De Westafrikaanse reis van Piet Heyn 1624-1625, p. LX.
Eerste tocht thumb|Gevelsteen in de Rozenstraat in de Jordaan
Voor de eerste tocht (1624-1625) werd Hein op 2 november 1623 benoemd tot viceadmiraal, onder admiraal Jacob Willekens. Een vloot van 26 schepen bereikte op 8 mei 1624 de hoofdstad São Salvador da Bahia de Todos os Santos (tegenwoordig bekend als Bahia) van de jonge Portugese kolonie Brazilië. De volgende dag al leidde Hein persoonlijk de succesvolle bestorming door matrozen van het zeefort van de stad. De verdediging stortte ineen en de stad viel zonder slag of stoot in een dag in handen van een landingsmacht van soldaten.
Op 5 augustus 1624 vertrok Piet Hein met zeven schepen uit São Salvador da Bahia – waar Willekens met de meeste andere schepen op 28 juli zeil naar Nederland had gezet – om vandaar uit São Paulo de Loanda (Luanda) in de Portugese kolonie Angola, destijds een belangrijke uitvoerhaven van slaven, te veroveren. Door het blokkeren van de slavenhandel hoopten de Nederlanders het hele plantagesysteem in Amerika lam te leggen. Zelf deed de WIC tot 1635 wel aan transport maar niet aan slavenhandel, die men eerst, na een onderzoek door een commissie, onethisch achtte.Ratelband, K. (2006) De Westafrikaanse reis van Piet Heyn 1624-1625, p. CI. Omdat Hein een andere vloot van drie schepen onder leiding van Filips van Zuylen miste, die ten noorden van de plaats was gelegen en die ervoor al een vergeefse aanval op de stad had gedaan, besloot hij om op 30 oktober zelf de stad maar aan te vallen. Deze aanval mislukte echter, want vanwege de eerdere activiteiten van Van Zuylen was Luanda enorm versterkt.
Op 21 november gaf Hein de blokkade op en probeerde vergeefs contact te leggen met het koninkrijk Kongo, dat tevoren aangegeven had een bondgenootschap tegen Portugal te willen sluiten, maar zich nu weer met de Portugezen verzoend bleek te hebben. Hein zette op 2 februari 1625 weer zeil naar São Salvador, waar hij op 18 april werd verrast door de aanwezigheid van de vloot van Don Fadrique de Toledo, die de stad aan het belegeren was. Hein was veel te zwak om de stad te hulp te schieten en wist de hulpvloot van admiraal Boudewijn Hendricksz niet te vinden. (Die zou pas vijf weken later op 26 mei arriveren vanuit Nederland; niet op de hoogte van de herovering.) Op 5 mei vernam Hein dat de stad gevallen was en voer terug naar Nederland. Hierdoor was ook de hulpvloot niet sterk genoeg om Salvador opnieuw te veroveren.
thumb|260px|De herovering van Bahia (Salvador) door de Spanjaarden. Juan Bautista Maíno, Prado
Salvador werd op 30 april 1625 na een beleg overgegeven aan de te hulp geschoten Spaanse vloot. (De Spaanse bevelhebbers kregen het nieuws over de verovering een maand eerder dan de Nederlanders, waardoor die te laat kwamen met een hulpvloot om San Salvador te beschermen tegen de herovering). In juli kwam Hein weer thuis en op 9 augustus bracht hij verslag uit aan de Staten-Generaal, waarop hem uit handen van Frederik Hendrik een gouden ereketting met gouden medaille werd verleend. Datzelfde jaar liet hij zijn portret schilderen door Jan Daemen Cool; daarvan bestaan nog enkele kopieën. Een echte heldenontvangst viel hem echter niet ten deel, wat hem blijkens een latere reactie toch gestoken moet hebben.
Tweede tocht thumb|Standbeeld van Piet Hein in Delfshaven thumb|Commissiebrief van Piet Hein als admiraal en kapitein-generaalCommissiebrief voor admiraal kapitein-generaal Piet Hein, Archiefinventaris 1.13.01 inventarisnummer 55