Sigfrid Karg-Elert, officieel gespeld Siegfried Karg-Ehlert (Oberndorf am Neckar, 21 november 1877 – Leipzig, 9 april 1933) was een Duits componist, muziekpedagoog, muziektheoreticus, organist en pianist.

Levensloop Siegfried Theodor Karg was de jongste van twaalf kinderen van Johann Jacob Joseph Karg (1823-1889) en Marie Auguste Friederike Ehlert (1840-1908). Zijn eerste levensjaren werden gekenmerkt door veel verhuizingen door geheel Duitsland. De omstandigheden waren slecht: vier van de twaalf kinderen overleden in het eerste levensjaar en van de resterende acht waren er vier buitenechtelijk. De geboorteplaatsen van de kinderen lagen met Berlijn, Leipzig, Zürich (Zwitserland), Augsburg en Oberndorf am Neckar ver uiteen. Hieruit kan worden afgeleid dat van een familieleven voor de jonge Siegfried nauwelijks sprake was. Zijn vader, een boekhandelaar, was vaak maandenlang op reis. De familie vertrok in 1882 naar Leipzig.

Men kon al vroeg Sigfrids muzikale talenten herkennen. Zijn eerste muzieklessen kreeg hij in Leipzig in het nieuw opgerichte koor van de Johanniskirche. De cantor, professor Bruno Röthig, gaf Siegfried de eerste pianoles en schonk een oude piano aan de familie. Siegfried schreef zijn eerste werken zonder theoretische vakkennis. Hij schreef sacrale werken voor koor, motetten, en een kerstcantate. Röthig zette verschillende van zijn werken op het programma van het kerkkoor. Karg-Elert studeerde muziektheorie en compositie aan het conservatorium van Leipzig. Terwijl hij daar studeerde ging hij op advies van Röthig ook naar Grimma, Muldentalkreis, Saksen en deed studies bij een leraar aan de school. Ook toen hij zich op 14-jarige leeftijd muzikaal doelgericht ontwikkelde – hij leerde autodidactisch muziektheorie en compositie en vooral het praktische spelen op de fluit, hobo en klarinet – kwam hij in het algemene onderwijs niet erg veel verder. In 1893 werd hij niet voor een pianostudie tot het Leipziger conservatorium toegelaten.

Op 16-jarige leeftijd vertrok hij naar Markranstädt waar hij drie jaar verbleef. In die tijd las hij veel over wijsbegeerte, natuurkunde en muziektheorie. Ontevreden met zijn woonomgeving wandelde hij te voet naar Maagdenburg en kreeg spoedig werk als muzikant (hobo, klarinet en hoorn). In Maagdenburg werd hij echter gearresteerd en hij moest terug naar Markranstädt, waar hij zijn naam veranderde in 'Siegfried von Markranstädt'. Al spoedig ging hij naar Leipzig terug en kreeg werk als orkestmuzikant en barpianist. Tijdens de "Leipziger Tonkünstler Versammlung" in 1896 maakte hij kennis met de componist Emil Nikolaus von Reznicek (1860-1945) en legde hem zijn composities voor. Reznicek herkende zijn talent en maakte het Karg mogelijk om gedurende drie jaar zonder kosten aan het Leipziger conservatorium te studeren. Zijn leraren waren onder anderen Salomon Jadassohn en Carl Reinecke muziektheorie, Paul Homeyer orgel, Karl Wendling piano en later Alfred Reisenauer en Robert Teichmüller compositie.

In 1900 ging Sigfrids pianoconcert in première aan het conservatorium in Leipzig. In de volgende anderhalf jaar was hij student in de compositieklas van Teichmüller. In 1902 werd hij op aanbeveling van het conservatorium in Leipzig docent van de pianomasterclass aan het "Sannemann’sche conservatorium" en aan het "Nieuw conservatorium voor muziek" in Maagdenburg. In deze tijd valt ook de verandering van zijn naam onder bijvoeging van de geboortenaam van zijn moeder. Zonder de "h" noemde hij zich "Karg-Elert" en zijn voornaam schreef hij naar Noords gebruik als "Sigfrid".

In 1902 kreeg hij een relatie met de pianiste Maria Oelze. Haar vader drong er bij zijn dochter op aan de relatie te verbreken. Uit deze verhouding werd in 1904 een zoon geboren. In dat jaar maakte hij ook kennis met de Berlijnse muziekuitgever en harmoniumspecialist Carl Simon, die hem ook voor dit instrument interesseerde. Tot het midden van de jaren twintig schreef hij talrijke composities voor harmonium. "Papa Simon", zoals Karg-Elert zijn uitgever noemde, was voor hem meer dan een handelspartner: hij was een ware vriend en sponsor voor de chronisch financieel erg beperkte Karg-Elert. Als harmoniumvirtuoos maakte hij vele concertreizen. Gedurende deze periode stopte hij met het werk in Maagdenburg en ging terug naar Leipzig.

thumb|Begraafplaats van Sigfrid Karg-Elert op de "Südfriedhof" te Leipzig Door zijn leraar Paul Homeyer was hij erg geïnteresseerd geraakt in orgelmuziek. Zijn bekendste orgelwerken zijn de Choralimprovisationen opus 65. Alhoewel Karg-Elert als organist geen virtuoos was, kreeg hij toch regelmatig uitnodigingen om in Engeland en de Verenigde Staten te concerteren. Zijn muziek was vooral in Engeland zeer geliefd en werd daar ook uitgegeven. Ook in Australië was hij als componist bekend.

Op 25 juli 1910 huwde hij Minna Louise Kretzschmar (1890-1971). Op 21 april 1914 werd hun dochter Ingeborg Annelies Käthchen (roepnaam: Katharina) geboren.

In 1919 werd Sigfrid Karg-Elert tot docent aan het Leipziger Landeskonservatorium benoemd. Onder zijn leerlingen waren componisten als Johannes Weyrauch en Wilhelm Weismann.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog was hij lid van een militaire kapel, muziekkapel van het 107e Infanterie Regiment, waar hij hobo, hoorn en saxofoon speelde. Gedurende deze periode heeft hij ook een aantal werken voor blazers gecomponeerd.

Zijn positie aan het befaamde "Leipziger Landeskonservatorium" en in Leipzig algemeen was die van een buitenstaander. De successieve nationalisatie van het muziekleven in Duitsland leidde in de jaren twintig stap voor stap tot het negeren van de componist Karg-Elert. Zijn compositiestijl stond tegenover die van tijdgenoten, die muziek uitsluitend als 'Duits' wilden beschouwen. Ook kreeg hij tegenwerking van collega's omdat hij bijvoorbeeld ook Franse titels aan zijn werken gaf en daarom niet Duits genoeg zou zijn.

Een bijzonder ongelukkige rol speelde daarbij Karl Straube (1873-1950), cantor aan de Thomaskerk van Leipzig en hoofd van het Kerkmuzikaal Instituut aan het conservatorium. Alhoewel hij hem aanvankelijk bij zijn concerten met uitvoeringen van Karg-Elerts orgelcomposities begunstigde, ontwikkelde Straube zich tot een verbitterde vijand. Hermann Grabner (1886-1969), eveneens professor aan het conservatorium, speelde een soortgelijke rol.

In mei 1930 was Karg-Elert eregast op een festival van 10 dagen te zijner ere van de London Organ Music Society. In de lente 1932 maakte hij een grote fout door een uitnodiging tot een orgelconcertreis in de Verenigde Staten te accepteren. In deze tijd leed hij al aan diabetes en voelde bovendien de gevolgen van de tegenwerking in Duitsland. Mede hierdoor zag hij deze reis als vluchtmogelijkheid, weg van de Leipziger intriges. Hij verwachtte het succes wat in Duitsland uitgebleven was. Maar de weinig geschikte organist Karg-Elert kon de hoge verwachtingen van het Amerikaans publiek, dat gewend was aan succesrijke uitvoeringen van onder anderen Marcel Dupré, Louis Vierne of Marco Enrico Bossi, niet waarmaken. Hierdoor liep de reis uit op een fiasco.

Erg ziek kwam hij naar Duitsland terug en overleed op 9 april 1933 te Leipzig. Hij is begraven op de Südfriedhof te Leipzig.

Composities Vocale muziek 1907: Mooie ogen (Schöne Augen), een cyclus voor solozang, oblig. viool (of cello) en piano, op. 24 Ich möchte hingehen muziek voor viool, cello, fluit, klarinet, piano en alt, op. 188 – tekst: naar een gedicht van Herwegh Stuk, voor sopraan, viool en orgel, op. 66 no. 1 en 2

Kamermuziek 1899: Pianotrio E-groot, voor viool, cello en piano, op. 3 1902: Trio in d-klein, voor hobo, klarinet en althobo, op. 49 no. 1 1904: Blazerskwintet in c-klein, voor hobo, twee klarinetten, hoorn en fagot, op. 30 1906: Silhouetten, voor harmonium en piano, op. 29 Cantilene Aubade Dance ancienne – in G-groot Berceuse mignonne – in F-groot Quasi Minuetto – in D-groot Tempo di Ballo Scherzino 1906: Concertstukken, voor kunstharmonium (en piano), op. 26 Humoreske Adoration Capriccietto Rêverie

1907: Poesien, voor harmonium en piano, op. 35 In memoriam Dialog Epigramm Parabel – in bes-klein Ideale 1909: Sonate A-groot, voor cello en piano, op. 71 1915: Symfonische canzone, voor fluit en piano, op. 114 1915: Sonate in Bes-groot, voor fluit en piano, op. 121 1915: Exotische impressies, voor fluit en piano, op. 134 1915: Suite pointillistique, voor fluit en piano, op. 135 1917: Sonate "Appassionata" in fis klein, voor fluit solo, op. 140 1918-1919: Caprices "Gradus ad Parnassum", voor fluit, op. 107 1919: Jeugd (Jugend), kwartet voor fluit, klarinet, hoorn en piano, op. 139A Aus meiner Schwabenheimat, voor harmonium en piano, op. 38 Lichte duetten (Leichte Duos), voor harmonium en piano, op. 2 Lied ohne Worte Bagatelle Gondoliera Twee stukken, voor viool en orgel, op. 48B Sanctus Pastorale Sonate, voor klarinet solo, op. 110 Sonate, voor klarinet en piano, op. 139B Twee stukken, voor viool en orgel, op. 48B

Werken voor orgel

Werken voor piano 1895-1911: Reisebilder, op. 7 1899: 3 Wals-caprices, voor twee piano's, op. 16 1900: Arabeske in Ges-groot "Filigran", op. 5 1902: Bagatelles, voor piano, op. 17 Humoreske Scherzino Cantilene Impromptu Burleske 1902: Walsscenes "Carneval", op. 45 1903: Uit het noorden (Aus dem Norden), op. 18 1903: 4 stukken, op. 23 1920: Hexameron, op. 97 Erotikon Ritornell Sonett Legende Ghasel Ballade 1923: Partita in g-klein, voor piano, op. 113 1924: Patina "10 miniaturen", op. 64 Schwere Düfte

Werken voor harmonium 1905: Sonate voor harmonium no. 1 in b-klein, op. 36 1905: Partita in 8 bewegingen D-groot, op. 37 (ook voor orgel) 1906: Sonatinen voor harmonium, op. 14, no. 1-3 1906: Aquarelle, op. 27 1908: Renaissance, op. 57 1909: Sicilienne, voor harmonium 1909-1912: Sonate voor harmonium no. 2 in bes-klein, op. 46 1913-1923: 33 Portraits "Stilstudien von Palestrina bis Schoenberg", op. 101 2 Miniatures, (onder het pseudoniem: Wolfgang Ey gepubliceerd) 2 Expressionismen, voor harmonium 2 Sensibilismen, voor harmonium – (onder het pseudoniem: Roderich Bergk gepubliceerd) 5 Miniaturen, op. 9 12 stukken, op. 102 Abendgefühl Einsames Vögelein – Eine Triller Cadenz, voor harmonium – (onder het pseudoniem: Teo von Oberdorff gepubliceerd) Fantasie en fuga, op. 39 Graduale, voor harmonium – (onder het pseudoniem: Baptiste Karg gepubliceerd) Twee Tongedichten, op. 70

Publicaties (Selectie) Sigfrid Karg-Elert: Die Kunst des Registrierens: Ein Hand- und Nachschlagebuch für Spieler aller Harmoniumsysteme, Op. 91. Berlijn. ca. 1911. Paul Schenk: Sigfrid Karg-Elert, Eine monographische Skizze mit vollständigem Werkverzeichnis, Leipzig, 1927. Sigfrid Karg-Elert: Verzeichnis sämtlicher Werke, Zusammengestellt von Dr. Sonja Gerlach, Frankfurt/Main, 1984. Günter Hartmann: Die Orgelwerke von Sigfrid Karg-Elert (1877-1933), 2 Bde., Univ. Diss., Bonn, 1985. Mitteilungen der Karg-Elert-Gesellschaft, Jahrgänge 1986-1998. Thomas Schinköth (Uitgever): Sigfrid Karg-Elert und seine Leipziger Schüler, Die Referate des Kolloquiums der Karg-Elert-Gesellschaft in Leipzig vom 1. bis 3. November 1996, Hamburg, 1999. Johannes Michel, (Uitgever): Karg-Elert-Bibliographie, München, 2001. Hermann F. Bergmann: Harmonie und Funktion in den Klavierwerken von Sigfrid Karg-Elert (1877-1933), Münster, 1991. Elke Völker: Sigfrid Karg-Elert – Music for Organ – Der Jugendstilkomponist im Spannungsfeld seiner Zeit. Verlag Peter Ewers, Paderborn. 1. Auflage, 550 p.,

Externe links Internetpagina van de Karg-Elert-Gesellschaft e.V.

Categorie:Duits componist Categorie:Duits organist Categorie:Duits pianist Categorie:Duits muziekpedagoog Categorie:Muziektheoreticus