miniatuur|275x275px|Studenten J.G. van Minnen, H. Visser, W. Ruiter en E. du Marchie van Voorthuijsen. Daarachter Prof. J.J. van der Schuit thumb|Ontstaan van de verschillende stromingen in Nederland|275x275px

De Christelijke Gereformeerde Gemeenten (CGG) vormden een klein Nederlands kerkverband dat ontstond in 1947 door een afsplitsing van de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK). In dat jaar werd de predikant Hendrik Visser Mzn. geschorst ten gevolg van een leergeschil. Visser zou scheiding maken tussen een Goddelijk geloof der wet en een zaligmakend geloof des evangelies. Het 'Goddelijk geloof der wet' werd volgens Visser beschreven in de zondagen 2 t/m 6 van de Heidelbergse Catechismus. Het 'zaligmakend geloof des evangelies' begon volgens hem bij zondag 7. Ook klonk het verwijt "allegoriseren", een wijze van uitleg van de Bijbel, waarbij de letterlijke of historische betekenis van de tekst of onderdelen daarvan worden vergeestelijkt, los van de context. Omdat de predikant bereid bleek zijn opvattingen, ten aanzien van het 'tweeërlei geloof', te herroepen werd zijn schorsing ongedaan gemaakt. Kort daarop scheidde Visser zich alsnog af met een krappe meerderheid van zijn gemeente in Rotterdam-Zuid .

Anders lag het met de tweede ontstane kerkformatie, namelijk de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland (CGGiN). Het ontstaan van dit kerkverband lag samen met de persoon Jacob Gerardus van Minnen. Deze predikant had moeite met de vernieuwingsbeweging binnen de CGK begin jaren 50 en wilde de oude lijn voortzetten. Op zondag 27 juli 1952 deelde hij vanaf de kansel in zijn gemeente in Huizen mee, het kerkverband te zullen verlaten.

Christelijke Gereformeerde Gemeenten Hendrik Visser (Strijen, 23 januari 1911 - Breda, 13 januari 1970) diende de CGK-gemeenten Bunschoten (1937), Middelharnis (1940) en Rotterdam-Zuid (1946). In laatst genoemde gemeente rezen bezwaren tegen zijn prediking. "De genoemde scheiding, die gemaakt wordt tussen Wet en Evangelie, tussen het Goddelijk geloof der Wet gewerkt door den Geest Gods en het zaligmakend geloof des Evangelies gewerkt door de Geest van Christus, is in onze kerkelijke pers sterk bestreden. Ds. L.S. den Boer, ds. J.G. van Minnen, ds. W. Kremer e.a. signaleerden dit kwaad in hun kerkbodes. Prof. L.H. v. d. Meiden gaf keurige voorlichting in ons Jeugdblad. Deze scheiding van Wet en Evangelie, zoals zij in prediking en geschriften van den laatsten tijd opgeld trachtte te doen, is één doorlopende miskenning van des Heeren heilsopenbaring ons in de Schrift gegeven." (De Wekker, 30 mei 1947)

Na een schorsing op 28 mei 1947 onttrok Visser zich aan het kerkverband. In de opeenvolgende jaren daarna nam de predikant een ambivalente houding aan ten aanzien van zijn gevoelen en ondernam pogingen tot het kerkverband als predikant terug te keren. In 1960 werd de kwestie opnieuw ter sprake gebracht. "Het is niet naar de Schrift noch naar de belijdenis om het stuk der ellende van onze Heidelbergse Catechismus tot het niet-zaligmakend werk van de Heilige Geest te rekenen. Het is niet alleen maar een noodzakelijke voorbereiding, maar een wezenlijk deel van zijn bekering als de verloren zoon uit de gelijkenis tot zichzelf komt: de engelen in de hemel verheugen zich als een tollenaar van verre staande schuldverslagen leert bidden: wees mij zondaar genadig." (De Wekker, 18 november 1960). De Apeldoornse hoogleraar L.H. van der Meiden publiceerde in verband met de gebeurtenissen een tweetal brochures: Allegorische prediking (1946) en Wat is bevinding? (1951).

367x367px|thumb|(Christelijke [nu Oud] Gereformeerde Gemeente) te Urk|alt=Jachin BoazkerkBij het kerkverband rondom Visser sloten zich verschillende vrije gemeenten aan zoals in Schiedam (1950), Werkendam (1950) en Gouderak (1953). Hij leidde ook enkele personen op tot predikant waaronder M.J. Middelkoop (1911-1990) en H. van Kooten (1897-1974).

In 1960 trad de CGK-gemeente van Urk toe tot het kerkverband, onder voorwaarde dat er een vereniging zou komen met de gemeenten rondom ds. Van Minnen. Op Urk bestond de hoop dat er meer bezwaarde predikanten en gemeenten tot het kerkverband zouden overkomen. Nadat Visser opnieuw zijn opvattingen herroepen had en er afspraken gemaakt waren over de kerkorde, en de herbevestiging van G. Salomons als wettig was erkend, vond er op 13 mei 1961 een vereniging plaats tussen beide groeperingen.

Op 28 september 1961 maakte Van Minnen en diens gemeenten in Delft, Drachten en Hoofddorp met uitzondering van Vlaardingen, de vereniging met Visser ongedaan. De kerkenraad van Urk stak de teleurstelling over het vertrek van Van Minnen en de drie gemeenten niet onder stoelen of banken.

In 1967 viel het kerkverband rondom Visser uiteen. De laatste classisvergadering vond plaats in het najaar van 1967. Aanleiding was dat Visser zijn ambt als predikant neerlegde en terugkeerde als lidmaat tot de CGK. Zijn gemeenten volgden zijn voorbeeld niet, maar sloten zich aan bij de Oud Gereformeerde Gemeenten in Nederland (Urk, Gouderak, Werkendam, Vlaardingen) of de Gereformeerde Gemeenten (Rotterdam-Zuid). Dat laatste deed ook ds. Van Kooten.

Op Urk zette een deel van de gemeente zich voort als Vrije Gereformeerde Gemeente.

Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland miniatuur|367x367px|Christelijke Gereformeerde Gemeente in Nederland DelftJacob Gerardus Van Minnen (Vlaardingen, 8 mei 1900 - Delft, 6 januari 1971) groeide op binnen de Gereformeerde Gemeenten, maar koos in de discussie eind jaren twintig tussen de predikanten G. H. Kersten en J. Jongeleen de zienswijze van de christelijk-gereformeerden. De basis voor zijn opvattingen zou gelegd zijn door A. de Blois (1887-1971), destijds predikant van de Gereformeerde Gemeente van Vlaardingen. Kerkhistoricus Marinus Golverdingen (1941-2019) benoemde het feit dat diens docent W. den Hengst een boekje van R. van Mazijk tot driemaal toe in De Saambinder had aanbevolen, dat in 1922 verscheen als reactie op de leer van de veronderstelde wedergeboorte in de Gereformeerde Kerken. Dit boekje maakte onderscheid tussen een 1. Ultra-Gereformeerde beschouwing (redeneerde eenzijdig vanuit de uitverkiezing en zij verwarren het genadeverbond met het verlossingsverbond), 2. de Neocalvinistische beschouwing (vereenzelvigden beiden verbonden, en stellen het verbond met Abraham onder beheersing van de uitverkiezing). 3. De Schriftuurlijke beschouwing (volgens het boekje in onze geloofsbelijdenis terug te vinden en maakt duidelijk verschil tussen beide verbonden naar Dordtse Leerregels art. 1, Heidelbergse Catechismus zondag 25-27, Nederlandse Geloofsbelijdenis artikel 34, Formulier van de kinderdoop.) Degenen die stonden voor deze verbondsopvatting voegden er wel aan toe, "dat we niet mogen vergeten de nadruk te leggen op de verbondsbeleving in de weg van wedergeboorte en dagelijkse bekering door Woord en Geest."

Op 5 maart 1930 meldde Van Minnen zich bij de kerkenraad van de CGK-gemeente in Vlaardingen en gaf aan lid te willen worden van de gemeente. De reden dat hij wilde overkomen verwoordde hij: "dat hij niet om ontzaggelijke redenen die formatie verlaat, doch in hoofdzaak om de beschouwing van het genadeverbond die van bovenaf onder dwang wordt opgelegd." Ook werd naar zijn mening weinig naar de kerkorde geleefd. Met Kersten is hij hierover in conflict geraakt. Vrij snel daarna deed Van Minnen, in september 1930, zijn intrede aan de Theologische Hogeschool Apeldoorn, waar hij naar eigen zeggen, theologisch gevormd werd door de docenten P. J.M. de Bruin en G. Wisse. Ook met J.J. Van der Schuit waren de contacten goed.

Op dinsdag 19 oktober 1937 werd Van Minnen als predikant bevestigd in Huizen. In 1945 nam hij een beroep aan naar Delft, in 1948 keerde hij terug naar Huizen. De predikant nam een gewaardeerde positie in binnen het kerkverband, gezien de vele beroepen die hij kreeg. Hij werkte mee aan diverse scheurkalenders en tijdschriften waaronder De Kleine Gids, een tijdschrift dat werd opgericht in 1948 en begon met 2000 abonnees. In 1952 verscheen een bundel meditaties Onder 't Licht van Gods Lamp, eerder uitgesproken voor de NCRV.

In 1952 verliet hij in Huizen de CGK en noemde zijn kerkverband Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland. Die laatste toevoeging om zich te onderscheiden van ds. Visser, wiens opvattingen hij niet deelde. Aanleiding voor het vertrek was een gerezen conflict met de classis Amsterdam waarbij het ging over de interpretatie van 1 Korinthe 11:1-16, en met name over de praktische toepassing die predikant en kerkenraad in Huizen daaraan gaven. In een gepubliceerde verantwoording in het Gereformeerd Weekblad, besteedde Van Minnen aandacht aan de dieperliggende oorzaken van zijn uittreden. Zijn motieven werden volgens hem door een kring van geestverwanten blijkens onderlinge gesprekken onderschreven.

De Christelijke Gereformeerde Kerken hadden altijd een zekere verscheidenheid gekend. J.H. Velema zei daarover: "verschillende stromingen de Christelijke Gereformeerde kerk altijd al hebben gekenmerkt. Die werden ook in de jaren dertig al waargenomen. Toen ik nog in Apeldoorn studeerde, zaten twee jaar boven mij de studenten E. du Marchie van Voorthuysen, J.G. van Minnen en H. Visser Mzn. — die later allen uit onze kerken zijn gegaan. In hetzelfde jaar als ik zaten J.C. Maris, W. Ruiter en J.M. Visser. Wij voelden toen al wel aan dat zij niet op dezelfde lijn zaten." Deze verscheidenheid had tot dusver nooit tot ingrijpende problemen geleid. In 1947 koos de synode ervoor de luiken naar andere kerkverbanden open te doen. Samensprekingen vonden plaats met de vrijgemaakten en synodaal gereformeerden. De Chr. Geref. Kerk ging een nieuwe fase in.

Een kring van geestverwanten bestaande uit Maarten Baan (1905–1973) te Dordrecht, Nicolaas de Jong (1899–1980) te Middelharnis/Katwijk, Hendrik van Leeuwen (1906–1988) te Tholen/Delft, Jacob Gerardus van Minnen (1900-1971) te Delft/Huizen, Cornelis Smits (1898-1994) te Driebergen/Sliedrecht begonnen in deze periode met gesprekken die zich concentreerde rondom de volgende onderwerpen:

1. Prediking en verbondsobjectivering

2. De samensprekingen met de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt

3. Het zoeken naar nieuwe vormen voor het kerkelijk leven

"Onze jeugd en kerk wordt gedreven in neogereformeerde sfeer." "Christusprediking en vooral geen Christenprediking doet veel opgeld. En daar juist ligt 't gevaar; de verarming, de verobjectivering in de prediking. Als men, jawel, de Christus predikt en Zijn noodzakelijkheid, algenoegzaamheid en dierbaarheid — maar gemist wordt hoe Christus door het Woord en de Heilige Geest in het hart van een zondaar functioneert." "Op afbuiging van de leer volgt ombuiging in levensethiek." (Van Minnen)