Buitreraptor is een geslacht van uitgestorven theropode dinosauriërs, behorend tot de groep van de Eumaniraptora en meer in het bijzonder wellicht tot de Dromaeosauridae, dat negentig miljoen jaar geleden tijdens het Laat-Krijt leefde in het gebied van het huidige Argentinië.
Verschillende fossielen van Buitreraptor zijn in 2004 in Patagonië gevonden en het dier kreeg in 2005 zijn naam die zoiets als 'rovende gier' betekent.
Buitreraptor heeft een eigenaardig uiterlijk met een zeer lange kop voorzien van vele kromme kleine tandjes waarmee hij misschien vissen ving. Zijn armen zagen eruit als een soort vleugels. Het is niet helemaal duidelijk bij welke diergroep Buitreraptor precies hoorde. Hij kan erg nauw verwant zijn geweest aan de vogels en wellicht zijn zijn voorouders naar Zuid-Amerika gevlogen.
Naamgeving en vondst De typesoort Buitreraptor gonzalezorum werd in 2005 benoemd en kort beschreven door Peter Macovicky, Sebastián Apesteguía en Federico Agnolín. De geslachtsnaam verwijst naar het gebied waar de fossielen zijn aangetroffen: La Buitrera, de 'gierenhorst'; buitre betekent 'gier'. Raptor is Latijn voor 'rover'. De soortaanduiding eert de opgravers, de gebroeders Fábian en Jorge González.
Het holotype MPCA 245 is in 2004 in de Argentijnse provincie Rïo Negro gevonden in lagen van de Candelerosformatie die dateren uit het Cenomanien-Turonien. Het bestaat uit een gedeeltelijk skelet met schedel van een volwassen of jongvolwassen individu. De schedel is fragmentarisch bewaard; het uiteinde van de staart ontbreekt. De preservering van fossielen in La Buitrera is over het algemeen uitstekend. Kleinere dieren werden kennelijk tijdens plotse overstromingen met een dikke laag modder bedolven. Die modder heeft tegenwoordig het karakter van een laag harde rode zandsteen.
Het paratype is MPCA 238, een sacrum met een rechterbekkenhelft en een rechterachterpoot, vermoedelijk ook weer van een (jong)volwassen exemplaar. Twee andere skeletten zijn gemeld maar blijven nog onbeschreven. Buitreraptor is desalniettemin een van de best bekende dinosauriërs van Zuid-Amerika. In 2015 werden van twee exemplaren inventarisnummers gegeven: MPCA 471-C en MPCA 471-D. Het gaat vermoedelijk om de eerder gemelde specimina. Het eerste bestaat uit een tweede middenhandsbeen en twee vingerkootjes en het tweede eveneens uit elementen van de ledematen.
In 2017 werden schedel en onderkaken meer in detail beschreven. Een volgende publicatie uit 2017 meldde een derde exemplaar, MPCN-PV-598, in november 2009 door Matías Sánchez gevonden bij de Montoya-ranch. Het betreft een in verband gelegen skelet zonder schedel van een individu even groot als het holotype, dat de eerdere twee fossielen op vele punten aanvult. In 2017 was Buiteraptor het best bekende lid van de Paraves uit Gondwana. In 2024 werden bekken en achterpoten beschreven.
Beschrijving Algemene bouw, grootte en onderscheidende kenmerken Buitreraptor is een vrij klein roofdier. Gregory S. Paul schatte in 2010 de lengte op anderhalve meter, het gewicht op drie kilogram. Het dier had een slungelachtig voorkomen: de handen en voeten zijn vrij klein; de onderarmen en onderbenen echter erg lang. Het hele lichaam is laag en langgerekt met een zeer ondiepe borstkas. left|thumb|De grootte van Buitreraptor vergeleken met een mens De beschrijvers wisten enkele onderscheidende eigenschappen vast te stellen. De schedel is lang, een kwart langer dan het dijbeen. De tanden zijn klein zonder kartelingen of een versmalde tandbasis. Het quadratum heeft een grote zijrichel en een foramen pneumaticum aan de achterkant van de schacht. De achterste halswervels hebben aan de onderste zijkant richels die naar achteren uitlopen in kleine bultjes. Het vorkbeen is gepneumatiseerd. Op het darmbeen is de richel voor de aanhechting van de Musculus caudofemoralis brevis verbreed en lobvormig en steekt opvallend zijwaarts uit vanaf het achterblad van het darmbeen.
In 2012 voegde Alan Turner hier nog een aantal kenmerken aan toe waarin Buitreraptor zich van andere dromaeosauriden onderscheidt. De fenestra maxillaris is groot. De bovenrand van de oogkas, gevormd door het voorhoofdsbeen, gaat geleidelijk over in de achterste tak richting postorbitale. Het dentarium van de onderkaak heeft een diepe horizontale groeve onder de rij tandkassen. Uit het onderste gewrichtsvlak van het opperarmbeen steekt een uitsteeksel naar onderen, een epicondyle.
In 2017 werden de onderscheidende kenmerken van de schedel en onderkaken nader bepaald. Twee kenmerken zijn uniek binnen de Dromaeosauridae. Het dentarium van de onderkaak is langwerpig en min of meer driehoekig in zijaanzicht. De tanden in het midden van de rij van het bovenkaaksbeen staan wijd uiteen. Dit laatste kenmerk wordt binnen de Paraves alleen gedeeld door Archaeopteryx en Anchiornis, twee kleine vliegende vormen. Daarnaast zijn er twee kenmerken die uniek zijn binnen de hele Coelurosauria. Het quadratum heeft een verbrede buitenste zijplaat en een pneumatische opening in de achterkant. De tanden tonen een unieke combinatie van eigenschappen in het feit dat ze klein zijn, talrijk, overdwars sterk afgeplat en voorzien van lengterichels; en een voorste snijrand, kartelingen en een insnoering aan de basis van de kroon missen. Alleen met Microraptor wordt het kenmerk gedeeld van een diepe buitenste horizontale zijgroeve met aderkanalen op het dentarium. Met alleen Austroraptor wordt het kenmerk gedeeld van een laag gelegen ovaal fenestra maxillaris. Alleen met Austroraptor en afgeleide vogels wordt het kenmerk gedeeld van een schedel die een kwart langer is dan het dijbeen. Met Austroraptor, Velociraptor en Tsaagan wordt het kenmerk gedeeld van een naar achteren uitgebreide beenstijl achter de fenestra maxillaris. Met Austroraptor, Dromaeosaurus, Mahakala en Tsaagan wordt het kenmerk gedeeld van een rechte voorrand van het bovenste slaapvenster.
De tweede studie uit 2017 gaf verschillende aanvullende autapomorfieën, nieuw geëvolueerde afgeleide eigenschappen. De ruggenwervels missen pleurocoelen, pneumatische openingen in de zijkant. Bij de middelste en achterste staartwervels worden de zijkanten gekenmerkt door een complex systeem van richels: de zijuitsteeksels zijn gevormd door een richel tussen de voorste en achterste gewrichtsuitsteeksels, er lopen richels van zowel de voorkant als de achterkant van het wervellichaam naar het zijuitsteeksel en uithollingen begrensd door richeltjes bevinden zich in de voorrand en achterrand van het zijuitsteeksel. Het schouderblad is in het midden horizontaal verbreed. De handbotten zijn extreem slank. De hand heeft 117% van de lengte van het dijbeen. Bij de vingers en tenen hebben de voorlaatste kootjes gepaarde kapselputjes die sterk bovenaan, of vooraan als het element verticaal gezien wordt, gelegen zijn en ook naar de middenlijn geschoven zijn zodat ze elkaar haast raken.
Schedel thumb|upright=1.7|Een reconstructie van Buiteraptor; duidelijk is te zien dat de armen erg lang zijn De schedel is extreem verlengd met een geschatte lengte van negentien centimeter. Binnen de Paraves heeft alleen Austroraptor ook een schedel die langer is dan het dijbeen. Het gedeelte vóór het midden van de bovenrand van de oogkas is bij Buiteraptor driemaal langer dan het gedeelte erachter. De snuit kan zo lang worden doordat er niet alleen een langwerpig fenestra antorbitalis is maar daarvoor ook een zeer groot maxillair fenestra, ervan gescheiden door een beenspant waarvan de buitenwand in zijaanzicht nauw is maar die zich als een brede fossa dieper naar achteren voortzet. De neusbeenderen zijn eveneens lang en nauw. Hun precieze omvang is onbekend wat de schedellengte wat onzeker maakt. De hele snuitpunt ontbreekt bij het holotype, inclusief neusgaten en de volledige praemaxillae. De snuit is niet alleen lang maar van boven bezien ook spits met een driehoekige doorsnede. Daar de achterkant van de schedel veel breder is en de rechthoekige oogkassen achteraan wat naar buiten draaien, had Buitreraptor kennelijk een mate van stereoscopisch of binoculair zicht. Dit is echter onzeker omdat de voorrand van de oogkas niet bewaard is. De achterrand van de oogkas wordt, anders dan bij de vogels, gesloten door het driestralige postorbitale dat ook geraakt wordt door de voorste tak van het lage jukbeen. Het quadratum heeft een enkelvoudige kop en een groot foramen met het quadratojugale. In 2017 werd, op papier, een vernieuwde reconstructie van de schedel gegeven, met wat grote neusgaten en een licht hol bovenprofiel. left|thumb|Buitreraptor had een zekere mate van stereoscopisch zicht