thumb|Vasili Tatisjtsjev

Vasili Nikititsj Tatisjtsjev (Russisch: Василий Никитич Татищев) (nabij Pskov, – landgoed Boldino (nabij Moskou), ) was een Russisch historicus, geograaf, politicus en mijnbouwingenieur. Hij was onder andere mede verantwoordelijk voor de stichting van de steden Jekaterinenburg en Perm.

Biografie Militaire en politieke carrière onder Peter de Grote Hij werd geboren op een landgoed in de buurt van Pskov als zoon van Nikita Aleksjevitsj Tatisjtsjev en als lijnrechte afstammeling van de 9e-eeuwse Varjaagse prins Rurik. Hij werd op zevenjarige leeftijd naar het hof van Praskovia Fjodorovna Saltikova, de vrouw van de geestelijk gehandicapte tsaar Ivan V, gestuurd. Na de dood van Ivan ging hij daar weer weg. Hij ging daarna naar de Artillerie- en ingenieursschool van Moskou, waar hij in 1704 afstudeerde en waarna hij zijn carrière begon in het leger. Hij ging bij het Azov dragonder regiment (cavalerie) onder leiding van James Daniel Bruce (Russische benaming Jacob Vilimovitsj Brjoes) en nam tijdens de Grote Noordse Oorlog deel aan de oorlog tegen het koninkrijk Zweden in de Slag bij Narva (1704), Slag bij Poltava (1709, waarbij hij gewond raakte) en de mislukte Proetski Campagne (1711).

Hierna werd het regiment ontbonden en ging Vasili de politiek in. Van 1713 tot 1714 ging hij als militair vertegenwoordiger van het Russische ministerie van Buitenlandse Zaken voor tsaar Peter I (de Grote) naar Berlijn, Bratislava, Dresden en in 1717 in Gdańsk, waar hij in opdracht van Peter I moest onderzoeken of een icoon aldaar was geschilderd door Methodius van Saloniki. De stadsautoriteiten weigerden echter mee te werken en hij keerde daarop terug naar Rusland. Hij nam bij zijn reizen veel wiskundige, militaire, geschiedenis- en geografieboeken mee terug naar Rusland. In 1718 was hij deelnemer aan de vredesbesprekingen met Zweden tijdens het congres van Åland. In 1719 begon hij te werken in het bedrijf van Bruce, de Berg-amt (staatsmijnbouwraad). Bruce had een grote waardering voor hem. In hetzelfde jaar startte hij met het maken van landkaarten, waarmee zijn belangstelling voor geschiedenis een start kreeg. Hij was van plan om de hele Russische geografie in kaart te brengen en wist tsaar Peter I te overtuigen van het belang van een gedetailleerde beschrijving van de geografie en van Rusland, waarna Peter hem hiervoor de opdracht gaf. Hij wilde ook een grote nationale landmeting verrichten in Rusland.

Hij kon de enorme taak van zijn geografiebeschrijving (hetgeen later echter zijn belangrijkste boek over de Russische geschiedenis werd) echter niet meteen vervullen: In 1720 kreeg hij van Peter I opdracht om het management op zich te nemen van de staatsfabrieken in de Oeral. In 1724 herinnerde Peter hem er echter aan en begon hij met zijn werk, waarbij hij echter werd geconfronteerd met de noodzakelijkheid van historische gegevens, die uiteindelijk leidde tot de verandering van het werk van geografisch naar historisch.

Ingenieursperiode in de Oeral Hij werd op 9 maart 1720 per edict (van de Berg-amt) naar de Oeral gestuurd om "in Koengoer en andere Siberische plaatsen zilver- en kopersmelterijen te ontwikkelen". De Oeral was in die tijd een relatief slecht georganiseerde kolonie, met vele losstaande nederzettingen en zonder een goed georganiseerde regionale overheid.

Hij begon met het vinden van geschikte locaties voor deze smelterijen, waarmee hij de fundamenten legde voor de steden Perm en Jekaterinenburg. Ook verkreeg hij toestemming om handelaren door te laten naar de markt van Irbit en door Verchotoerje en het opzetten van een postverbinding tussen Koengoer en vjatka. Ook liet hij wegen bouwen, introduceerde hij wetten met betrekking tot bosbouw en opende hij de eerste twee mijnbouwscholen in de Oeral en introduceerde hij speciale rechtspraak voor fabrieken. Hij kreeg in zijn werk echter te maken met tegenwerking van de Demidovs, die in zijn maatregelen en de vestiging van staatsbedrijven een aantasting zagen van hun imperium.

Hij vestigde zijn mijnbouwhoofdkantoor uiteindelijk bij de Uktusfabriek aan de Uktusrivier, een zijrivier van de Iset. Deze kopersmelterij lag regelmatig stil vanwege een tekort aan water in deze rivier. Tatisjtsjev besloot de fabriek te verplaatsen naar een betere locatie aan de Isetrivier zelf. Hij stuurde hiervoor een verzoek naar de Berg-amt en begon daarop met de aanleg van een dam in de Iset en met het gereedmaken van de grond voor de fabriek. Hij kreeg het echter aan de stok met industrieel Nikita Demidov en zijn zoon Akinfi Demidov, die liever geen staatsfabrieken zagen verschijnen in de Oeral. Zij beschuldigden hem onterecht van omkoping, waarna de Berg-amt de verplaatsing van de Uktusfabriek verbood en hij in 1721 werd teruggehaald uit de Oeral voor ondervraging. Een Nederlander in Russische dienst, majoor-generaal Georg Wilhelm de Gennin die toezag op de mijnbouw in de Oeral, werd als vervanger aangesteld en onderzocht de zaak. Hij zag dat Tatisjtsjev zijn werk goed had gedaan en pleitte hem daarop vrij, waarop hij terugkeerde naar de Oeral. In november 1723 keerde hij terug naar Sint-Petersburg om verslag te doen over zijn werkzaamheden. Tatisjtsjev werd daarop door de Berg-amt benoemd in hun raad van adviseurs en aangesteld in de Siberische ober-Berg-amt.

Periode in Zweden Hij werd daarop in december 1724 naar Zweden gestuurd voor mijn- en diplomatieke zaken. Hij moest informatie vergaren over Zweedse mijnen en fabrieken, gekwalificeerde werkmeesters zoeken voor werk in Rusland, onderzoek doen naar de handelingen binnen de Zweedse academie der wetenschappen en binnen de bibliotheek daarvan en onderzoeken of Russische studenten goed konden worden onderwezen in de mijnbouwtechniek in Zweden. Hij kreeg ook een geheime taak mee; onderzoek doen en rapporteren over de politieke situatie in het land, de waarschijnlijke handelingen die door de regering gepland waren en de verborgen intenties van de staat. Peter I wilde eigenlijk dat Tatisjtsjev het politieke systeem van Zweden zou bestuderen om te zien of het eventueel ook in Rusland kon worden toegepast. Tatisjtsjev verzamelde informatie over de handelsstromen van de haven van Stockholm en het Zweedse monetaire systeem en vond een bekwame edelsteenslijper, die later in Jekaterinenburg het slijpen van edelstenen introduceerde als techniek. Ook bezocht hij een aantal mijnen en fabrieken en verkreeg hij diagrammen van mijnbouwmachines uit de grote mijn van Falun. De Oeral als oostgrens van Europa 300px|thumb|Kaart van Rusland uit 1725, gemaakt door von Strahlenberg; een Duitser in Zweedse dienst, die na de slag om Poltava 13 jaar gevangen zat in de Siberische stad Tobolsk. Hij schreef hierna een boek over Siberië met vele gedetailleerde kaarten en legde hierin de officiële grens tussen Azië en Europa vast als lopend langs de Oeral en ten noorden van de Koema-Manytsjlaagte. Tatisjtsjev hielp hem naar eigen zeggen met het verbeteren van het boek. Daarvoor had de oostelijke grens van Europa een betwiste status en werd afwisselend bij de Don, Wolga, Kama of Ob gelegd. Ideologische grensDe Oeral als zogenaamde natuurlijke grens werd door Tatisjtsjev uiteraard bejubeld omdat deze ideologisch gezien perfect paste binnen het verwesteringsprogramma van Rusland en in de denkwereld van Russische wetenschappers. Op deze manier kon Europees-Rusland ideologisch als Europese kern worden gezien, terwijl het "vreemde" Aziatische Siberië ongestraft kon worden gekoloniseerd door Rusland om het te 'cultiveren'. Siberië werd in die tijd door Russische wetenschappers ook wel met het Aziatischer klinkende "Groot-Tatarië" aangeduid. Eerst was niet de hele wetenschappelijke wereld het met deze grens eens, maar toen de bekende Franse geograaf Victor Adolphe Malte-Brun deze grens accepteerde in de 19e eeuw, werd de grens van de Oeral ook buiten Rusland universeel erkend. De Oeral is echter cultureel geografisch gezien een arbitraire grens, omdat daardoor ook bijvoorbeeld de van oorsprong boeddhistische Kalmuks (Mongoolse taal) sprekende Kalmukken (Oyirad) bij Europa werden geplaatst, waar dit bij een scheidingslijn als de Donrivier niet het geval was. Hij sprak er ook met vele lokale wetenschappers, zoals von Strahlenberg. Hij schreef onder leiding van de Zweedse professor Erik Benzelius uit Uppsala een studie over mammoetbeenderen die hij in Siberië had gevonden, dat eerst in Zweden werd uitgegeven en in 1743 ook in het Engels werd vertaald. In april 1726 keerde hij terug naar Rusland met meer boeken over geografie en geschiedenis dan boeken over mijnbouw. Hij hield zich daar eerst een poos bezig met het schrijven van zijn rapport. Hij werd niet teruggezonden naar Siberië door de Berg-amt en werd in 1727 aangesteld als hoofdrechter bij het Russische monetair bureau, waaronder de muntslagerijen vielen.

Constitutionele revolutie In Rusland was Peter I inmiddels gestorven en brak een periode aan van frequente troonswisselingen: Catharina I en Peter II stierven kort na elkaar en vervolgens moest er een troonopvolger gekozen worden uit de vrouwelijke lijn van de Romanovs, daar met Peter II, die kinderloos was, de afstamming in de mannelijke lijn eindigde en hij geen opvolger had aangewezen (hij werd slechts 15 jaar). Sinds januari 1726, na de dood van Peter I, kende Rusland de Opperste Geheime Raad (верховного тайного совета), bestaande uit 6 leden die feitelijk leiding gaven aan het land en ook decreten konden uitvaardigen. Daarbij ontnamen ze binnen een maand de Senaat, die door Peter I was ingesteld, alle leidinggevende taken. Drie van deze leden, Aleksandr Mensjikov, Heinrich Johann Friedrich Ostermann en prins Dmitri Golitsyn, verkregen steeds meer macht gedurende de daaropvolgende jaren, alhoewel Mensjikov in 1727 door de adellijke families Glitsyn en Dolgoroekov verbannen werd omdat hij te veel macht wilde. De Opperste Geheime Raad hield na de dood van Peter II een beraad over de vraag wie hem zou moeten opvolgen. Een dochter van Peter de Grote, Elisabeth, wezen ze al dadelijk af, omdat de Dolgoroekovfamilie geen afstammeling van Peter de Grote op de troon wilde hebben; dit zou hun privileges hebben aangetast.

Ze wezen ook de oudste dochter van Peter I's halfbroer ex-tsaar Ivan V, Catharina van Mecklenburg, af, omdat die met een Duitser was getrouwd en kozen in plaats daarvan Ivans tweede dochter Anna Ivanovna, die toen regeerde over Koerland. Ook stelden ze een lijst met 8 eisen op die zij moest ondertekenen en die hun macht waarborgde en moest ze beloven haar geliefde Ernst Johann von Biron niet mee te nemen naar Rusland. Al deze regels werden naar haar gezonden in Koerland, maar de voormalige leider van de Senaat, Jagoezjinski, en een aantal andere adellijken waren hen voor en zeiden Anna dat ze de documenten maar moest ondertekenen en dat ze wel zouden zorgen dat alles goed kwam. Anna accepteerde en kwam vervolgens naar Sint-Petersburg in januari 1730. Tatisjtsjev stond samen met 300 andere adellijken (dvorjanstvo) achter de keuze om Anna, dochter van Ivan IV, te kiezen. Hij wilde echter ook herstel van de autocratie met een adviesraad in de vorm van een senaat bestaande uit 25 leden en een assemblee bestaande uit 100 leden, waarvan de invloedsrijkste posities moesten worden verkozen door stemming en waarvan per familie slechts een persoon mocht worden gekozen om ongewenste machtsposities te voorkomen. Hierbij stelde hij verschillende maatregelen voor om de posities van de verschillende klassen in de samenleving te verbeteren, zoals de eis dat de geestelijkheid verantwoordelijk zou moeten worden voor onderwijs in rurale gebieden.