De gaur (Bos gaurus) is 's werelds grootste rundersoort. De gaur komt voor in Zuid- en Zuidoost-Azië, tegenwoordig voor het grootste deel in India. Volwassen mannetjes hebben een kenmerkende rugkam en vaak een keelflap. Hoewel gaurs veel soorten blad eten, is het voornamelijk een grazer. Behalve oudere mannetjes worden alle andere gaurs bijna altijd in kuddes aangetroffen. Deze soort is geclassificeerd als een kwetsbare soort en in 2011-2012 vonden de eerste herintroducties van gaurs plaats in centraal India. De kleinere gayal (Bos frontalis) is een gedomesticeerde gaur, en wordt gehouden voor het vlees en als lastdier.
Beschrijving thumb|koe met jong Jonge kalveren (0-2 maanden) hebben een licht oranjebruine vacht en geen witte onderpoten. Deze witte "kousen" ontwikkelen zich bij beide geslachten vanaf de leeftijd van 3 maanden op alle 4 de poten en beginnend net boven de knie. Stieren groeien snel en kunnen uiteindelijk een gewicht bereiken van meer dan 900 kg. Langzaamaan wordt de vacht steeds zwarter. Volwassen mannetjes ouder dan ongeveer 5 jaar worden daarom wel zwarte stieren genoemd. Koeien zijn kleiner van formaat en wegen minder dan 600 kg. Koeien hebben een bruine vacht. Beide geslachten hebben een lichtbruine zone tussen hun hoorns. De hoorns, die van onderaf aangroeien, zijn bij beide geslachten in eerste instantie zwart maar al op een leeftijd van ongeveer 1 jaar is de nieuwe aangroei hoornkleurig. Hoe groter het percentage bleek op de hoorns, hoe ouder het individu is. Hoorns van stieren zijn dikker en strekken zich eerst naar buiten uit voordat ze naar binnen buigen, zodat de hoorns van stieren verder uit elkaar staan. Vrouwelijke hoorns daarentegen strekken zich veel minder naar buiten uit en staan dus dichter bij elkaar, en hebben een spiraalvormige kromming waardoor de hoorns al vanaf een leeftijd van 2 jaar naar elkaar wijzen. Hoorns bij beide geslachten lijken door te groeien gedurende het leven van een individu, en het is niet ongewoon om oude vrouwtjes te zien met hoorns die elkaar bijna raken. Een gespierde verhoogde rugkam en halsflappen die onder de nek en kin hangen, onderscheiden volwassen stieren gemakkelijk van koeien en kalveren. Het voorhoofdsbeen en beide wandbeenderen liggen in één vlak en dat is identiek aan de situatie bij andere koeiensoorten.
Stieren wegen tussen de 590 en 940 kg en koeien variëren van 440 kg tot 700 kg. Een schedel van een stier weegt ongeveer 21 kg. De maximale schofthoogte van stieren is ongeveer 175 cm en van koeien 150 cm. De lengte van neus tot staartbasis van het lichaam van een stier meet tussen de 250 cm en 285 cm, met de staart 85 tot 90 cm. De lengte van de hoorn van een stier is 61-96 cm en de spreiding (tussen de breedste buitenste punten) is 89-134 cm. Voor mannetjes is de omtrek van de hoorns aan de basis gemeten op 43-58 cm en de lengte van de oorschelp is ongeveer 23 cm. De achterpoot is ongeveer 55 cm lang. De verhouding van de lengte van de poten tot zijn lichaamsgewicht is waarschijnlijk een van de kleinste in het dierenrijk. De ogen van een gaur zijn normaal gesproken bruin. De ogen lijken echter soms blauw onder bepaalde lichtomstandigheden vanwege de aanwezigheid van het tapetum lucidum, een membraan achter het netvlies dat ervoor zorgt dat de ogen in het donker oplichten. De gaur heeft 29 paar homologe chromosomen (2n = 58).
Anatomie thumb|schedel De rugkam bij de stieren wordt ondersteund door een rij botten die ontspringen nabij de wervelkolom direct achter de verbinding van elk paar ribben. Het hoogste punt van de kam bevindt zich boven de 5e en 6e rib, waarna de beenderen in hoogte afnemen en abrupt eindigen bij de laatste rib. De tandformule van de volwassen gaur is , dat wil zeggen geen snijtanden, geen hoektand, drie valse kiezen en drie ware kiezen in elke helft van de bovenkaak, en diezelfde elementen in de onderkaak behalve de vier snijtanden. Dit is identiek aan de elementen van het gebit van alle andere runderen. Via de huid wordt bovidinezuur of 5-(1-hydroxynonyl)-2-tetrahydrofuranpentaanzuur afgescheiden, een olieachtige chemische stof die muggen afstoot. De hartslag in rust ligt tussen de 49 en 58 slagen/minuut, en de gebruikelijke gemiddelde lichaamstemperatuur is 38 tot 39°C. De gaur is de op één na grootste herkauwer in gewicht, alleen overtroffen door de giraffe. De soort is minder afhankelijk van het zicht (ondanks dat hij 's nachts goed kan zien) en meer van reuk en gehoor om gevaar te detecteren.
Verschillen met verwante soorten Net als bijna alle andere in Azië inheemse wilde koe- en buffelsoorten is de gaur kort behaard, heeft 13 rug- en 6 lendenwervels. De jak verschilt van al deze soorten omdat die langbehaard is, 14 rug- en 5 lendenwervels heeft. De halsflap die onder de keel hangt en de kamvormige rugkwab onderscheiden de volwassen stieren van koeiensoorten zoals de gaur, de banteng en de nu vermoedelijk uitgestorven kouprey van waterbuffelmannetjes. Beide geslachten in alle drie deze koeiensoorten hebben witte onderpoten, en de vrouwtjes hebben voornamelijk een bruine kleur terwijl mannetjes voornamelijk zwart zijn. De banteng heeft echter een witte vlek op zijn stuit die de gaur niet heeft, en de banteng is wat kleiner dan de gaur. Volwassen mannelijke gaurs zijn verder te onderscheiden van volwassen mannelijke bantengs door hun zeer gespierde uiterlijk. De bruine vacht van vrouwelijke bantengs is een tintje lichter dan de bruine vacht van vrouwelijke gaurs.
Taxonomie thumb|prent uit verzameling Universiteit Amsterdam tussen 1700 en 1880 De gaur kreeg voor het eerst een geldige wetenschappelijke naam in het boek The animal kingdom, or zoological system of Sir Charles Linnaeus: Class I Mammalia dat werd uitgegeven in 1792 door de Schotse arts, schrijver en vertaler Robert Kerr. Hij noemde deze Bos bubalus guavera en verwees daarbij naar een beschrijving door Robert Knox van een wilde buffel met witte benen die gauvera werd genoemd in Ceylon. Deze beschrijving staat in An historical relation of the Island Ceylon in the East-Indies een reisverslag uitgegeven door de Royal Society in 1681. De gaur is echter een afzonderlijke soort die sterk afwijkt van de waterbuffel die de wetenschappelijke naam Bos bubalis al in 1758 van Linaeus had gekregen. In 1804 beschreef Aylmer Bourke Lambert de gayal, de gedomesticeerde vorm van de gaur, en noemde die Bos frontalis. Henry Thomas Colebrooke beschreef de soort gebaseerd op exemplaren uit Myanmar, de divisies Chittagong en Sylhet in Bangladesh, en Uttar Pradesh in India, en noemde die Bos gavæus in 1808. Frédéric Cuvier, de jongere broer van de beroemde paleontoloog en natuurhistoricus Georges Cuvier noemde een gaur uit Sylhet in 1824 Bos sylhetanus. Charles Hamilton Smith was de eerste die de huidige wetenschappelijke naam Bos gaurus gebruikte in 1827. Als alternatieve namen gaf hij in 1827 ook nog Bos (Bison) gaurus en Bos (Bison) gavæus. Thomas Hardwicke maakte in 1828 een verschrijving van de naam van Hamilton Smith als Bos gour, maar ook een verschrijving van de naam van Colebrooke als Bos gayæus. In 1836 plaatste William Jardine de gaur in het geslacht Bison en maakte zo de combinaties Bison gaurus en Bison sylhetanus. De Britse natuuronderzoeker en medewerker van de Britse Oost-Indische Compagnie Brian Houghton Hodgson plaatste de gaur in het ondergeslacht Bibos en gaf in 1837 de namen Bos (Bibos) subhemachalus en Bos (Bibos) cavifrons. De Britse zoöloog John Edward Gray maakte in 1843 een fout in de naam en creëerde op die manier Bos gareus. In 1844 overkwam dit ook de Zweedse ornitholoog Carl Jakob Sundevall waarmee de naam Bos gaur was ontstaan. Gray maakte in 1846 een fout in de spelling van de wetenschappelijke naam van de gayal en plaatste deze in het geslacht Bibos zodat de combinatie Bibos frontatus werd geboren. In 1847 plaatste Hodgson zijn soortnaam in het geslacht Gaveus waarmee hij de nieuwe combinatie Gaveus sylhetanus maakte. Ook de gayal werd door hem in dat geslacht gezet, maar hij maakte een spelfout zodat Gaveus frontalis het daglicht zag. De Franse natuurhistoricus en illustrator François Désiré Roulin maakte een fout in de naam van Hodgson zodat de combinatie Bibos concavifrons ontstond in 1849. De Amerikaanse natuuronderzoeker Thomas Horsfield plaatste de gayal in het geslacht Gavaeus en maakte zo de combinatie Gavaeus frontalis in 1851. Bovendien onderscheidde hij datzelfde jaar exemplaren van de zuidoostelijke grens van Bengalen en Silhet die hij Bibos asseel noemde. In 1860 maakte Leopold Fitzinger de combinatie Bos frontalis domesticus, terwijl Edward Blyth de combinatie Gavæus gaurus voorstelde. Richard Lydekker maakte in 1898 de combinatie Bos (Bibos) frontalis. De Franse missionaris en zoöloog Pierre Marie Heude gaf gaurs uit het merengebied in Cambodja de wetenschappelijke naam Gauribos brachyrhinus, exemplaren uit de provincie Kracheh Gauribos mekongensis, dieren uit Laos Gauribos laosiensis, en een collectie uit de Moi bossen in Vietnam Gauribos sylvanus in 1901. Ook in 1901 noemde Heude gaurs uit de omgeving van Huế in Vietnam Uribos platyceros, andere uit diezelfde omgeving Bubalibos annamiticus, gaurs uit de omgeving van Vinh gaf hij de naam Bibos? fuscicornis en een populatie van de Cambodjaanse kust Bos? leptoceros. Tot slot gaf Heude dat jaar ook nog de namen Bibos discolor, Bibos sondaicus en Bibos longicornis zonder vermelding van het herkomstgebied. Lydekker beschreef in 1903 Bos gaurus readi uit Myanmar, en maakte in 1912 de nieuwe combinatie Bos gaurus frontalis.
Naamgeving Namen in talen van gebieden waar de gaur in het wild voorkomt zijn tadok in het Adi, dat wordt gesproken in Arunachal Pradesh (noordoostelijk India), peeoug in het Birmaans, kaati, kaadu kona en kaadu yemme in het Kannada, kulga en gameya, eveneens in het Kannada, maar gebruikt in het Uttara Kannada district, duddu in het Kannada gebruikt in het Udupi district, meuay in het Laotiaans, seladang in het Maleisisch, 大额牛 (Da-E-Ni) in het Mandarijn, raangawa in het Marathi, kattu pothu in het Malayalam, gauri gai in het Nepalees, kaatu maadu in het Tamil, Bò Tót in het Vietnamees, adavi dunna in het Telugu, กระทง (krating) in het Thai en moo in het Gonds, een van de Dravidische talen uit zuidoostelijk India.
Verwantschap De gaur wordt gerekend tot de orde evenhoevigen, in de suborder herkauwers, familie holhoornigen, onderfamilie der runderen, de stam Bovini en het geslacht Bos.
Ecologie Gaurs zijn voornamelijk grazers, wat overeenkomt met de grote pens, de maagstructuur en de voedingsgewoonten van andere rundersoorten. Bladeren en scheuten van bamboe, 's werelds grootste grassoort, worden door gaurs in zijn hele verspreidingsgebied gezocht. De 3 meest voorkomende bamboesoorten in Zuid-India, Bambusa arundinacea, Dendrocalamus strictus en Oxytenanthera monostigma, worden allemaal gegeten, en in Thailand is gebleken dat B. gaurus in het natte seizoen bij voorkeur bamboescheuten eet en in het droge seizoen bamboebladeren. Hij eet echter veel meer plantensoorten dan alleen grassen. In sommige gebieden kan het aandeel bladeren van struiken en bomen in zijn dieet per seizoen verschillen, van 15% in de winter tot 40% in de zomer. Hij eet voornamelijk bladeren. Gaurs krullen hun tongen om bladeren en twijgen, trekken deze in hun mond en snijden ze af met een ruk tegen de snijtanden in de onderkaak. Gaurs eten soms fruit, bamboescheuten, boomschors, waaronder die van Adina cordifolia, teak en kasjoeboom in India en Holarrhena antidysentrica en Wendlandia notoniana in Maleisië. Het eten van schors, dat vaak in de zomer is geregistreerd, wordt verondersteld een reactie te zijn op een tekort aan voer of minerale hulpbronnen, of beide.
Interacties met herbivoren en mensen