De hedendaagse filosofie is de filosofie die globaal begint in de twintigste eeuw. Stromingen binnen de hedendaagse filosofie zijn levensfilosofie, fenomenologie, existentialisme, structuralisme, postmodernisme, metamodernisme, ordinary language philosophy en analytische filosofie. De belangrijkste kenmerken van de hedendaagse filosofie zijn enerzijds de professionalisering van de filosofie, filosofen worden beroepsfilosofen. Anderzijds is er ook het kenmerk dat de grote metafysische pretenties grotendeels worden opgegeven: filosofen beogen niet meer een volledig metafysisch systeem te bedenken. Een andere belangrijke gebeurtenis is het ontstaan van de kloof tussen de continentale filosofie, met filosofen als Martin Heidegger en Jacques Derrida, en de analytische filosofie met filosofen als Bertrand Russell en Saul Kripke.
Het begin van de hedendaagse filosofie De benaming hedendaagse filosofie heeft het probleem waar het begin van de hedendaagse filosofie geplaatst moet worden. Het is zo bijvoorbeeld niet eenduidig te zeggen of stromingen zoals het Brits idealisme, de levensfilosofie of het pragmatisme volledig tot de hedendaagse wijsbegeerte moeten gerekend worden. Door de filosofen zelf worden er verschillende beginpunten aangeduid: zo laten sommigen het samenvallen met het ontstaan van de kloof tussen de continentale en analytische filosofie. Er is hier echter moeilijk een precieze datum voor te vinden, maar al bij al situeert zich het ergens aan het begin van de 20e eeuw bij denkers als Henri Bergson, Edmund Husserl en Bertrand Russell.
Anderen gaan verder terug in de tijd, tot wat zij zien als de oorsprong van deze kloof. Zo wordt het hele Brits idealisme en Duits idealisme, en hun critici zoals Søren Kierkegaard, Karl Marx en Friedrich Nietzsche in de hedendaagse wijsbegeerte opgenomen. Ook het werk van Immanuel Kant wordt soms al aangewezen als continentaal, Continental Philosophy - a Very Short Introduction, Oxford, Oxford University Press, 2001, p. 13 en de kloof tussen het empirisme en rationalisme wordt dan geïnterpreteerd in functie van deze latere tegenstelling: rationalisten waren de voorgangers van de continentale filosofie (ze leefde ook op het continent) en empiristen (die voornamelijk uit Groot-Brittannië kwamen) waren de voorgangers van de analytische filosofie.
J.M. Bocheński hanteert dan weer in zijn Geschiedenis van de Europese Hedendaagse Wijsbegeerte het criterium dat een filosoof behoort tot de hedendaagse filosofie wanneer deze na de Eerste Wereldoorlog de belangrijkste publicaties maakte. Henri Bergson en Max Scheler vallen hier dan bijvoorbeeld wel onder, maar iemand als F.H. Bradley dan weer niet. Bochenski maakte wel weer enkele uitzonderingen: het werk van Wilhelm Dilthey en William James nam hij toch op in zijn bespreking, ook al situeren hun publicaties zich eerder., Geschiedenis der Hedendaagse Europese Wijsbegeerte, MCMLII, Desclée de Brouwer, p. 15
Kenmerken en stromingen Net als in de middeleeuwse filosofie of de moderne filosofie kenmerkt de hedendaagse filosofie zich door enerzijds een onderverdeling in verschillende stromingen en anderzijds een reeks gemeenschappelijke kenmerken die deze stromingen delen. De voornaamste stromingen binnen de hedendaagse filosofie zijn:
De voornaamste kenmerken die in de hedendaagse filosofie te toon zetten, en het onderscheiden van de vroegere moderne filosofie, zijn:Gedeeltelijk gebaseerd op , Geschiedenis der Hedendaagse Europese Wijsbegeerte, p. 52-56 Antimechanisme: hierin wordt geageerd tegen een te mechanistische opvatting. Het wetenschappelijke wereldbeeld komt onder vuur te staan, voornamelijk binnen de continentale filosofie. Stromingen als de fenomenologie of het postmodernisme, maar ook de ordinary language philosophy, leggen de nadruk op de natuurlijke wijze waarop we de wereld zien. Dit is de oorspronkelijke wereld en de onpersoonlijke en onttoverde wereld van de wetenschap is hoogstens een theoretische abstractie. Antipositivisme: met uitzondering van het logisch positivisme delen de meeste hedendaagse filosofische stromingen de premisse dat de wetenschap niet de ultieme bron kan zijn voor alle kennis. Er zijn met andere woorden andere kennisbronnen en -fundamenten naast de wetenschap. De waarde die aan de wetenschap zelf toegekend wordt, kan variëren van het toeschrijven van een (zeker) ondergeschikt belang tot het ontzeggen van alle waarde in een specifiek deelgebied. De continentale filosofie staat veel vijandiger tegenover de pretenties van de wetenschap dan de analytische filosofie, die zich grotendeels spiegelt aan de wetenschap, maar er desondanks 'naast' bestaat, en vertrekt vanuit een naturalisme. Analyse en methode: vele hedendaagse stromingen hanteren een veel duidelijkere en meer afgelijnde methode van analyse en onderzoek. Bekend is bijvoorbeeld de analytische filosofie die de conceptuele analyse als haar uithangbord neemt, een idee dat ook verder werkt in de ordinary language philosophy die zich richt op een analyse van de alledaagse taal. & & , Wetenschapsfilosofie, Assen, Van Gorcum, 2007, p. 9 Andere voorbeelden zijn de transcendentale reductie van de fenomenologie, de structuralistische semantiek van het structuralisme en de deconstructie van Derrida. Realisme: vele hedendaagse filosofen maken komaf met de dominantie van het idealisme in de filosofie en kiezen voor een realistische inslag. Dit is vooral prominent in de analytische filosofie, die ontstaan is als kritiek op het Brits idealisme. Vaak bestaat dit realisme ook uit een direct realisme: het onderscheid tussen de fenomenale wereld en het Ding an sich van Immanuel Kant wordt verworpen. Pluralisme: hedendaagse filosofen staan sceptisch tegenover elke vorm van monisme, de stelling dat de hele wereld uit één oorzaak of stof voortkomt, een dominant idee in de 19e eeuw. Vele hedendaagse stromingen kiezen voor een radicaal pluralisme. Een goed voorbeeld hiervan is het moreel pluralisme van Isaiah Berlin en Thomas Nagel. Het beperkt zich echter niet tot een moreel of politiek pluralisme, maar kan ook gehanteerd worden in de kennistheorie, taalfilosofie of metafysica. Dit vindt men bijvoorbeeld terug in het pragmatisme (op vlak van kennis) en de ordinary language philosophy (op vlak van taal). Actualisme: een andere verschuiving is die van het zijn naar het worden. De wereld wordt niet meer als een statisch geheel gezien en er wordt niet meer zozeer gezocht naar hetgeen dat onveranderlijk blijft door de tijd heen, maar meer geconcentreerd op de veranderingen. Heel duidelijk is dit bijvoorbeeld terug te vinden in de procesfilosofie van Whitehead of in het werk van de postmoderne filosoof Gilles Deleuze. Personalisme: in tegenstelling tot de vroegere filosofie verschuift de nadruk in de filosofie naar de mens, terwijl het vroeger op God, de wereld, de geschiedenis of de samenleving lag. Heel duidelijk is dit in het existentialisme dat de vrijheid, onbepaaldheid en de uniekheid van de mens propageert. Daarnaast is dit ook uitgesproken in het werk van personalisten zelf zoals Emmanuel Mounier of in de fenomenologie van Emmanuel Levinas. Antisubjectivisme: in de tweede helft van de 20e eeuw werden de ideeën losgelaten dat het menselijk subject altijd centraal moet staan (bijvoorbeeld in het structuralisme en de ordinary language philosophy). De mens is toch niet zo vrij als deze eerst denkt, maar wordt door de omgeving en de samenleving bepaalt. De linguïstische wending: ook is het opvallend hoe het merendeel van de hedendaagse filosofen in hun opvattingen over kennis niet zozeer de rede en het menselijk verstand meer centraal plaatsen, maar een grote rol toekennen aan de taal. Deze linguïstische wending vond vooral plaats na de Tweede Wereldoorlog, toen het personalisme problematisch werd, en stelt dat de taal kennis mogelijk maakt en als tussenpersoon dient tussen mens en de wereld. Exemplarisch is dit in de ordinary language philosophy, maar bijvoorbeeld ook in het structuralisme. In feite zijn er weinig stromingen die aan deze wending ontsnappen en vindt men het ook terug in het pragmatisme van Richard Rorty, de postmoderne filosofie van Jean-François Lyotard en de kritische theorie van Jürgen Habermas. De eeuw van de crisis: de hedendaagse filosofie wordt daarnaast ook gekenmerkt door een opvallend aantal aangekondigde crisissen en revoluties in de filosofie., Columbia Companion To Twentieth-Century Philosophies, Columbia University Press, 2007, p. 4 Voorbeelden zijn de vroege crisis van de fundamenten van de wetenschap en wiskunde (fenomenologie, analytische filosofie), de crisis rond de aard van de taal (ordinary language philosophy), het vergeten van de ontologische differentie (Martin Heidegger), de crisis van het foundationalisme, de dood van de mens (structuralisme), de metafysica van de aanwezigheid (Jacques Derrida) en het einde van de grote verhalen (Jean-François Lyotard). Naast deze reeks inhoudelijke kenmerken kan ook gewezen worden op de veranderingen in de formele kant van de filosofie: de filosofie heeft zich sterk geprofessionaliseerd. De opleidingen in de filosofie werden sterk uitgebouwd en losgekoppeld van andere disciplines zoals de theologie. Er werd ook meer verwacht van de filosoof. Zo is deze niet meer in de eerste plaats een verdediger van een bepaalde stelling of theorie die zich mag richten op het eigen werk en niets aantrekken van andere filosofen. Het wordt vandaag de dag verwacht van een academische filosoof dat deze op geregelde basis publiceert in erkende tijdschriften. Voor amateurfilosofen zoals Arthur Schopenhauer of Friedrich Nietzsche lijkt er geen plaats meer te zijn.Zie , 'The hero as outsider' in & (red.), The Cambridge Companion to Nietzsche, Cambridge University Press, 1996, p. 71-89 De debatten gevoerd in deze tijdschriften en tussen filosofen onderling kenmerken zich in de 20e eeuw ook door een hoog technisch en ingewikkeld karakter met een zeer gespecialiseerd jargon, grotendeels ten gevolge van de nadruk op analyse en methode. Vandaag de dag is het dan ook zinvol om een onderscheid te maken tussen academische filosofen en filosofen die schrijven voor het grote publiek, zoals Ayn Rand of Alain de Botton. Deze laatste groep wordt vaak niet serieus genomen door de academische filosofie.
Gelijklopend met deze professionalisering van de filosofie, ontstonden ook een hele reeks gespecialiseerde filosofische tijdschriften en filosofische genootschappen. Een voorbeeld hiervan is het tijdschrift Mind dat in 1876 werd opgericht en waarin onder anderen Bertrand Russells On Denoting (1905) en Alan Turings Computing Machinery and Intelligence (1950), met de eerste versie van de turingtest, verscheen. Andere voorbeelden zijn The Monist (opgericht in 1890), en Analysis (opgericht in 1933) waarin het Gettier-probleem voor het eerst werd geformuleerd. Een bekend filosofisch genootschap is de American Philosophical Association.
Een verandering in deze academische isolatie begon vanaf het begin van de 21e eeuw, waarin filosofen ook vaker gebruik maken van het internet en weblogs om filosofische teksten met andere mensen te delen. Een bekend filosoof die zich sterk heeft ingelaten met deze communicatiemedia is David Chalmers. Ook bekend is de Stanford Encyclopedia of Philosophy, een internetencyclopedie waarvoor professionele filosofen artikels schrijven over allerlei filosofische onderwerpen en men gratis kan raadplegen op het internet.
De kloof tussen de continentale en de analytische filosofie thumb|Het werk van Alexius Meinong wordt wel al binnen de hedendaagse filosofie gerekend, maar kan nog niet aan de hand van de kloof ingedeeld worden