Anneke Brassinga (Schaarsbergen, 20 augustus 1948) is een Nederlandse dichteres, prozaïst, essayist en literair vertaler. De belangrijkste prijzen die haar ten deel vielen zijn de Martinus Nijhoff Vertaalprijs die ze niet wilde accepteren (1978), de Constantijn Huygens-prijs (2008) en de P.C. Hooft-prijs (2015), voor haar poëtisch oeuvre van vijfhonderd bladzijden.Oeuvre-omvang vermeld in Peters (2014).
De kern van Brassinga's werk bestaat volgens criticus Piet Gerbrandy uit '[v]echtlust, geestige dwarsheid en grondeloze melancholie'.Gerbrandy (2014). Geraadpleegd op 16 januari 2015. Gearchiveerd op 23 januari 2015. Zij raakt in haar poëzie, aldus de typering van criticus Paul Demets, 'allerlei onheil aan dat met de vergankelijkheid gemoeid is, maar bij haar krijgt dat een soort dragelijke lichtheid.'Paul Demets in poëzietijdschrift Awater, winter 2011, p. 30. Brassinga wordt meestal gezien als postmodernist, maar koestert zelf bezwaren tegen de vrijblijvendheid die deze rubricering volgens haar aankleeft en rekent zich eerder tot de surrealisten.
In 1975 verscheen Brassinga's eerste vertaling (van George Orwell), in 1987 haar eerste poëziebundel en in 1993 haar eerste prozawerk. Naar eigen zeggen is zij in haar poëzie vooral beïnvloed door J.H. Leopold.
Levensloop Brassinga volgde van 1967 tot 1972 de opleiding Literair vertalen aan de Universiteit van Amsterdam. In 1975 verscheen haar eerste vertaling, De jaren in Birma van George Orwell.Bart FM Droog, 'Anneke Brassinga.' De Nederlandse Poëzie Encyclopedie. Geraadpleegd op 3 januari 2015. Gearchiveerd op 17 februari 2015. Ze maakte daarna naam met vertalingen van onder anderen Oscar Wilde, Vladimir Nabokov, Samuel Beckett, Patricia Highsmith, W.H. Auden, Hermann Broch, Jean Jacques Rousseau, Marcel Proust, en Jules Verne.Van Bork (2002), 'Anneke Brassinga.' Geraadpleegd op 3 januari 2015. Gearchiveerd op 3 januari 2015.Peters (2014) In 1978 werd haar voor de vertaling van Vladimir Nabokovs The Gift de Martinus Nijhoff-prijs toegekend. Ze weigerde die in ontvangst te nemen.'P.C.Hooft-prijs 2015 voor Anneke Brassinga' NRC Handelsblad, 16 december 2014. Geraadpleegd op 3 januari 2015. Gearchiveerd op 8 januari 2015. Ze vond dat, door de boycot van een groot aantal vertalers, de jury slechts kon kiezen uit een kleine groep kandidaten.
Al in 1974 publiceerde ze proza en poëzie in het literaire tijdschrift De Revisor onder het pseudoniem A. Tuinman. In 1987 verscheen eindelijk Brassinga's eerste reguliere, niet-bibliofiele poëziebundel, Aurora. De bundel Ariel van Sylvia Plath, die ze in 1980 vertaalde, trof haar sterk door het authentieke en heftige karakter: 'Toen ben ik zelf ook gedichten gaan schrijven.'Geciteerd in Peters (2014). In 1993 verscheen haar eerste prozabunel, Hartsvanger. In november 2008 ontving zij de Constantijn Huygensprijs voor haar hele oeuvre, volgens de jury 'een uniek universum van taal, waarin ze voortdurend zoekt naar een balans tussen de wereld van woorden en de echte, die van gras, vlees, botten, liefde. Razend knap, geestig, ontroerend, soms ergerniswekkend, nooit gemakkelijk.'
Op de vraag van welke dichters invloed op haar is uitgegaan, antwoordde de auteur: 'Ik heb altijd het gevoel dat ik door Leopold beïnvloed ben. Daar heb ik zo ontzettend veel in gelezen, daar moet ik echt helemaal doordrenkt van zijn.'Ham en Nieuwenhuis (2007), p. 31.
In 1988 trouwde Brassinga met de grafisch kunstenaar en bibliofiel drukker Peter Yvon de Vries. Van haar werk verschijnen dan ook 'prachtige bibliofiele uitgaven.' Over haar levenswijze als kluizenaar heeft de auteur in een interview gezegd: 'Afzondering is goed voor mijn concentratie en ik houd er een soort onschuldigheid bij. Ik kom beter tot mijn eigen dingen.'Rijghard (2002). Geraadpleegd 3 januari 2015.
Anneke Brassinga woont afwisselend in Amsterdam, Parijs en Berlijn.Peters (2014).
Vertaler Brassinga vertaalde onder meer Oscar Wilde, Jules Verne, Hermann Broch, Vladimir Nabokov, E.M. Forster en Sylvia Plath.Debezigebij.nl Anneke Brassinga 10-2-2019. Gearchiveerd op 20 september 2020. Ze ontving veel lof voor haar vertalingen, die volgens criticus Chris Keulemans 'het origineel ... evenaren in complexiteit en taalgevoeligheid'.Keulemans (1987). Geraadpleegd op 6 februari 2015. Nabokov-kenner Hugo Brandt Corstius vergeleek (als Battus) haar vertaling van Nabokovs De verdediging, een oorspronkelijk in het Russisch geschreven roman, met Nabokovs eigen Engelse vertaling uit 1964 en de eerdere Nederlandse vertaling van M. en L. Coutinho uit 1967. Brassinga's werkstuk noemt hij 'een nieuwe, betere, vertaling', want 'eigenlijk is er maar één punt dat ik Coutinho tegen Brassinga zie scoren.'Battus (1993), p. 54.
Volgens Barber van de Pol in De Gids was het vertalen van Herman Melvilles laatste roman The Confidence-Man (1857), volgens haar gekenmerkt door 'verneukeratief' taalgebruik, Brassinga op het lijf geschreven: 'Dit boek hoort, denk je, bij deze vertaalster, die er immers als dichteres blijk van geeft het woordspel, het bijzondere idioom en een soort euforische barok te koesteren.'Van de Pol (1997), p. 943. Geraadpleegd op 23 januari 2015.
Brassinga ervaart dat vertalingen naarmate de jaren verstrijken niet vlotter maar juist langzamer tot stand komen: 'Je wordt gewetensvoller, nauwkeuriger.' Ook wanneer een vertaling eenmaal is verschenen houdt de verantwoordelijkheid van de vertaler niet op: 'Als de boeken die ik vertaald heb, herdrukt worden, ga ik er liefst opnieuw helemaal doorheen.'Cerutti (2009). Geraadpleegd op 9 januari 2015.
Poëzie Het vertaalwerk bracht Brassinga het besef bij dat de mogelijkheden om een anderstalig werk zo precies mogelijk te benaderen, een grote verantwoordelijkheid voor het taalgebruik impliceert. In haar poëzie, die zich ook kenmerkt door een belangstelling voor de natuur, is de taal zelf een thema.
Naast humor en pastiche benut Brassinga zowel associatieve verbanden als nuances in betekenis. De poëzie, concludeert de letterkundige G.J. van Bork, krijgt aldus de gedaante van 'een proeftuin', dat wil zeggen 'een woordspel dat nu eens associatief, dan weer bespiegelend en soms zelfs melancholiek of kolderiek is.' Criticus Arjan Peters spreekt van 'nu eens exuberante, dan weer ingetogen, maar altijd eigenzinnige poëzie.' Thematisch ontwaart ook hij veel 'natuurbeelden' en 'woordliefde', maar ook 'veel vergeefse liefdes' en 'in memoriams voor dierbaren'. Literatuurhistoricus Hugo Brems ziet de intertekstuele verwijzingen als onderdeel van 'een wilde keten van associaties' waaraan ook de vorm, klank, en betekenis van een woord, verbanden met andere talen en persoonlijke herinneringen bijdragen. De lezer kan hierin een 'vrijblijvend taalspel' zien, maar ook een demonstratie van hoe betekenissen 'uitwaaieren, wanneer verbeelding, spel en de materialiteit van de taal het creatieve proces gaan leiden.'Brems (2006), p. 535.
Het juryrapport van de P.C. Hooft-prijs prijst met name het rijke taalgebruik en noemt het oeuvre 'een geestverruimend heelal van taal' waarin per gedicht 'onvermoede vergezichten van zeggingskracht' voor de lezer opdoemen. Daarnaast prijst de jury het plezier waarmee de dichter zich ontfermt over 'bijna vergeten of in onbruik geraakte woorden'. Ook is er waardering voor de variatie aan bronnen waaruit Brassinga put, afkomstig uit 'talloze literaturen, tradities en milieus, van academie tot markt, straat en kroeg.'Jury P.C. Hooftprijs: Laureaat 2015 Geraadpleegd op 3 januari 2015 De hoge status van de poëzie boezemt de auteur enig wantrouwen in, omdat die lang niet altijd wordt waargemaakt. Zij keert zich tegen 'de traditie van eerbied en verhevenheid rond het genre. Tegelijkertijd bestaat er veel plichtmatige productie.'Van Veelen (2011), p. 8.
Al vanaf haar eerste publicaties zijn volgens Gerbrandy ogenblikken van geluk en helderheid aan te wijzen, doorgaans verbonden met intense ervaringen uit de natuur of de muziek. Hij ziet in haar werk 'een dwarse geest die haar aanwezigheid in dit tranendal als een komische vergissing lijkt te zien.' Ook speelt Brassinga het klaar om muziek te herscheppen tot een geslaagd gedicht, een exercitie die bij mindere dichters slechts tot 'pretentieus geneuzel' leidt. Aanzienlijk minder waardering heeft Gerbrandy voor de neiging tot woordspel, niet alleen omdat de auteur soms met 'tamelijk flauwe teksten' volstaat, maar haar exuberantie ook geregeld 'niet in de hand lijkt te hebben' en dan de taal geweld aandoet.
Aurora (1987) Verwijzingen naar andere bronnen, van poëzie tot kinderliedjes, zijn al aanwijsbaar vanaf haar debuut Aurora, morgenrood, dat intertekstuele connecties met onder meer Herman Gorter, J.J. Slauerhoff, Hans Lodeizen vertoont. Ook zijn sporen van Leopold, Marsman, Jacques Perk en Van Geel aanwijsbaar.Heynders (2009), p. 10. Natuurbeelden in het debuut betreffen de zee en de maan, de Hautes Fagnes en de Veluwe, winter en zomer, en dieren als de pinguïn en pauw.Heynders (2009), p. 12.
Criticus Chris Keulemans was in De Waarheid teleurgesteld in het naar zijn idee te vrijblijvende debuut: ‘voor Brassinga is poëzie vakantie.’ In het gedicht Struweel treft hij aan: “Teveel binnenrijm, teveel dubbele deelwoorden. Teveel ontroering om wat er te zien is.” Bovendien meent hij dat de dichter is gevallen in “de valkuil voor bijna ieder liefdesgedicht: je reinste chanson.”
Even zuinig oordeelt Michaël Zeeman in de Leeuwarder Courant, zij het om tegengestelde redenen, want hem stoort juist het “haast cryptogrammatische” van veel gedichten. In zijn ogen gaat het om “tamelijk gekunstelde materie” en dat in twee opzichten: “in beelden, die soms heel gecompliceerd en daarmee gezocht aandoen, en ook in de geforceerd speelse taal.”Zeeman (1987). Geraadpleegd op 6 februari 2015. Zeeman meent dat de dichter “gebukt gaat onder een teveel aan waarneming en zich daar niet meer van kan losmaken.” Daarnaast spreekt hij van “dikdoenerige klankrijmen en alliteraties” en van “onzinnige na-aperij van een enkel geslaagd gedicht uit de jaren vijftig of zestig, waar wij in de jaren zeventig zelfs in onze schoolkrantjes niet meer mee durfden aankomen.” De intertekstuele verwijzingen naar onder meer Lodeizen zijn naar zijn indruk “niet altijd even opzettelijk tot stand gekomen”. Al met al is Brassinga voor hem “een heel bescheiden talent.” Ook poëziecriticus Guus Middag sprak al meteen bij dit debuut het vermoeden uit dat de vele intertekstuele verwijzingen geen poëticale implicaties hebben, maar zich voordoen als een toevalligheid.Heynders (2009), p. 11.
Landgoed (1989) en Thule (1991) In de twee volgende bundels, Landgoed (1989)Volledige online tekst van Landgoed. Gearchiveerd op 5 mei 2021. en Thule (1991), krijgt volgens literatuurwetenschapper Odile Heynders de taal een grotere rol als motief. Het gaat minder om wat er gezegd wordt en meer om de manier waarop. Landgoed telt drie afdelingen, Landgoed, Woorden en Nabestaan, waarvan de tweede afdeling zes gedichten telt die aanvankelijk als prozacolumns in NRC Handelsblad verschenen onder de titel Words, woords, woorden.Heyners (2009), p. 13. De bundel Thule, die haar naam ontleent aan het openingsgedicht De koning in Thule over een Viking, telt twee afdelingen, IJszee en Gras. Volgens criticus Remco Ekkers is het gras 'verbonden met leven, met aarde, met geluk, met mooie dingen die je kunt zien als je je ogen de kost geeft', terwijl de eerste afdeling 'reacties, reflecties op een reis naar IJsland' behelst.Ekkers (1992). Geraadpleegd op 6 februari 2015. Ekkers, volgens wie het gedicht Web “natuurlijk heel goed poëticaal te lezen” is, meent dat de kracht van Brassinga's poëzie “schuilt in de verrassende beelden en in hoe het ene beeld zich ontwikkelt uit het andere.” Op basis van het gedicht Wereldbeeld trekt Ekkers de slotsom dat het de dichter thematisch gaat om “haar protest tegen het verlangen naar de dood.”
Zeemeeuw in boomvork (1994)