Een dt-fout is een spelfout die optreedt op het einde van vervoegde Nederlandse werkwoorden. De fout wordt veroorzaakt doordat aan het woordeinde d, t en dt allemaal klinken als [t].

Men weet door controle van talloze dictees en quizzen dat de vaakst voorkomende werkwoordsvorm wordt opgeschreven. Weinig mensen lezen hun eigen tekst na op mogelijke schrijffouten. Daarenboven is het handschrift verdrongen door elektronisch schrijven met het toetsenbord, waarbij de ingebouwde spellingcorrector juist getypte woorden onopgemerkt verkeerd kan wijzigen op basis van de frequentie. Voorbeelden: “Ik wordt leraar wiskunde” (voor het juiste: “ik word leraar wiskunde”); “hij antwoord me nooit” (voor het juiste: “hij antwoordt me nooit).

Algemeen In het Nederlands bestaat eindklankverscherping: vijf stemhebbende medeklinkers klinken stemloos op het einde van een woord (b, d, v, z, g klinken als p, t, f, s, ch).Deze stemloze klanken staan met hun stemhebbende tegenhangers in deze klankinventaris fonetisch geschikt: · de stemloze eindletter -k heeft een stemhebbende tegenhanger [g] die voor een dt-fout buiten beschouwing valt (de g van “leeg” wordt fonetisch als [ɣ] of G voorgesteld); · de [ʒ] (gespeld: zj) staat er ook bij, maar komt als Nederlands woordeinde niet voor. de stemhebbende b, d en v, z, g klinken respectievelijk als hun stemloze tegenhangers p, t en f, s, ch (voorbeelden: krab, land en leeg klinken als krap, lant en leech); Woorden eindigend op -v of -z (zoals Tsjechov, fez) zijn woorden van vreemde oorsprong, geografische namen, eigennamen of letterwoorden. Voorbeelden: azimov, suv, Tsjechov; fez, quiz. Nederlandse woordeinden met de fricatieven worden dus nooit stemhebbend (-v, -z) geschreven. de voorbeelden hierboven tonen dat de schrijfwijze van de drie overige stemhebbende medeklinkers (-b, -d, -g) niet verandert. Kortom: behalve de -v en de -z kunnen alle letters als eindletter van een Nederlands woord voorkomen.Woorden op als eindletter zijn wel zeldzaam, van vreemde oorsprong, (eigen)namen of letterwoorden.

dt-fout De dt-fout is een verbijzondering van het bovenstaande – deze spelfout of schrijffout is beperkt tot de laatste letter van de vervoegde vorm van zwakke werkwoorden (en einden van bijvoeglijke naamwoorden afgeleid van zwakke voltooide deelwoorden); de -d die als een -t klinkt: een eindklank "-t" kan worden geschreven als -t, -d of -dt; de botsing van de eindletter (niet de eindklank) van de werkwoordstam (zie hieronder) met de uitgang van de persoonsvorm of het voltooid deelwoord of het ervan afgeleide adjectief, namelijk -t of -d. Assimilatie ofwel wederzijdse aanpassing van de klanken bepaalt de spelling.

De dt-fout komt voor bij de enkelvoudige persoonsvormen van alle werkwoorden in de onvoltooid tegenwoordige tijd zowel enkelvoudige als meervoudige persoonsvormen van de zwakke werkwoorden in de onvoltooid verleden tijd het voltooid deelwoord (en het ervan afgeleide bijvoeglijk naamwoord)

Stam

Een taalgebruiker zal met de kleinste kans op fouten juist kiezen tussen -t, -d of -dt, als hij het werkwoord analyseert vanuit de stam en nog niet denkt aan de spelling.

De stam wordt gevonden door de uitgang -en af te halen van de infinitief, het hele werkwoord zoals het in een woordenboek voorkomt.

De stam wordt genoteerdMet andere woorden zoals de gewoonte is bij een notatie. In de uiteindelijke spelling verdwijnen de liggende streepjes en de verlengingstekens (bijvoorbeeld ā wordt aa). Vergelijk in een woordenboek de notatie van een voorvoegsel, bijvoorbeeld ver- met afsluitend een liggend streepje, gespeld zonder liggend streepje. De woordeinden t, d, dt worden in dit artikel voortaan genoteerd met een beginnend liggend streepje: -t, -d, -dt. De stemhebbende stameinden -b, -d, -g worden genoteerd én gespeld, maar de -v en de -z worden niet gespeld. Een gespelde werkwoordstam op -f heeft dus een notatie -v óf -(f)f; een gespelde werkwoordstam op -s een notatie -z óf -(s)s. Twee gelijke eindmedeklinkers worden eenmaal zowel genoteerd als gespeld: hop-, zet-, pak-, tob-, red-, blaf-, sis- en leg- in plaats van hopp-, zett-, pakk-, tobb-, redd-, blaff-, siss- en legg-. Lang uitgesproken klinkers worden genoteerd met een streepje bovenaan (ā, ē, ō, ū) zoals de fonetiek in dictiehandboeken (lēv- is de stam van leven).

Tegenwoordige tijd Stam of stam + t Hieronder staat een tabel met negen werkwoorden: wandelen, zingen, typen, pakken, praten, vinden, worden, leven en verhuizen in de tegenwoordige tijd. Wandelen Zingen Typen Pakken Praten Vinden Worden Leven Verhuizen stam wandel- zing- typ- pak- prāt- vind- word- lēv- verhuiz- ik stam ik wandel ik zing ik typ ik pak ik praat ik vind ik word ik leef ik verhuis je/jij stam+t ;stam je/jij? je/jij wandelt;wandel je/jij? je/jij zingt;zing je/jij? je/jij typt;typ je/jij? je/jij pakt;pak je/jij? je/jij praat;praat je/jij? je/jij vindt;vind je/jij? je/jij wordt;word je/jij? je/jij leeft;leef je/jij? je/jij verhuist;verhuis je/jij? ge/gij stam+t ;stam+t ge/gij? ge/gij wandelt;wandelt ge/gij? ge/gij zingt;zingt ge/gij? ge/gij typt;typt ge/gij? ge/gij pakt;pakt ge/gij? ge/gij praat;praat ge/gij? ge/gij vindt;vindt ge/gij? ge/gij wordt;wordt ge/gij? ge/gij leeft;leeft ge/gij? ge/gij verhuist;verhuist ge/gij? hij of u stam+t hij/u wandelt hij/u zingt hij/u typt hij/u pakt hij/u praat hij/u vindt hij/u wordt hij/u leeft hij/u verhuist

Opmerkingen bij de bovenstaande tabel Ik (de 1ste persoon enkelvoud) heeft alleen de stam (in gespelde vorm). Je/jij (de 2de persoon enkelvoud) heeft stam+t, maar niet als je/jij ná de persoonsvorm staat, bijvoorbeeld in een vraagzin. Ge/gij (de 2de persoon enkelvoud) heeft altijd stam+t, dus ook in vraagzinnen. Ge/gij is een veel oudere vorm van het persoonlijk voornaamwoord die nog algemeen gebezigd wordt in het Zuid-Nederlands.In de standaardtaal wordt Gij, U wel nog gebruikt in gebeden om God aan te spreken. In de recentste Bijbelvertalingen hebben de vertalers altijd gekozen voor U en (bezittelijk) uw, klein geschreven; maar tallozen gebruiken nog vertalingen met Gij of U en (bezittelijk) Uw voor het Opperwezen. Voor werkwoordstammen eindigend op -t, zoals praten in de tabel, geldt door assimilatie of ook de basisspellingregel van de gelijkvormigheid, een enkele t: ge/gij praat. Je en Ge, de toonloze vormen komen zowel in spreek- als schrijftaal veel vaker voor dan de beklemtoonde vormen Jij / jou en Gij / u.De toonloze vormen zijn ook te verkiezen om een praktische reden, zeker voor wie Nederlands leert: je is “altijd correct”, zowel persoonlijk als bezittelijk, zowel als onderwerp als als lijdend voorwerp. Jij, gij, jouw en uw hoeft men alleen te gebruiken in zinnen met een tegenstelling of beperking (gewoonlijk nevengeschikte zin met maar...), omdat men dan een klemtoon nodig heeft: (a) Dit is mijn huis en dat (daar) is jouw huis. (b) Hij heeft me dat vraagstuk uitgelegd, maar jij/gij hebt het me beter uitgelegd. [...], maar jouw/uw uitleg kan ik beter onthouden. (c) Haar vind ik aardig, maar jou heb ik lief. Hij (de 3de persoon enkelvoud) heeft altijd stam+t. De stammen die eindigen op -d (zoals vinden en worden in de tabel) wijken niet af van de +t-regel voor de derde persoon! U is de beleefdheidsvorm in brieven en aansprekingen.“U” wordt behalve bij het begin van een zin altijd klein geschreven. “U” . wijkt nergens af van de vormen bij hij, omdat u afgeleid is van de historische taalvorm “Uedele” (men sprak toen edellieden aan in de 3de persoon, zoals nu nog soms koningen); · geldt als het persoonlijk voornaamwoord voor de 2de persoon, wanneer men bijzonder beleefd wil of moet zijn: de spreker/schrijver ziet tegen de aangesprokene op; . neemt voor de hulpwerkwoorden hebben en zijn ofwel de 2de persoonsvorm ofwel de 3de persoonsvorm, beide zijn goed: u hebt of u heeft; u bent of u is (vergelijk 2.2 Zijn er uitzonderingen op deze regel “stam of stam + t” ?).

Voorbeeldzinnen bij opmerking 1. Ik zing graag een liedje onder de douche. (stam) bij opmerking 2. Jij zoekt straks misschien het eerste kievitsei. (stam +t) (vraagzin) Kijk je ook weleens naar Samson en Gert? (tegenover:) Kijkt ge ook weleens naar Samson en Gert? (vraagzin) Vindt je vader het eigenlijk wel goed als we komen? (tegenover:) Vind je daar wat je zoekt? een klassieke valstrik bij een schooldictee: in de eerste zin is je de toonloze vorm van jouw (vader), een bezittelijk voornaamwoord en dus niet het onderwerp. Het onderwerp is de woordgroep je vader, een hij. (vraagzin) Vergeet je/ge mijn verjaardag niet? Praat jij/gij nog met me en zet je/ge me opnieuw tussen je/uw contactpersonen? vergelijk met de spellingregel hierboven voor de vormen met gij: vergeet+t, praat+t en zet+t worden vergeet, praat en zet ge/gij. Voor de vormen met jij/je wordt de t niet toegevoegd, maar krijg je hetzelfde resultaat omdat de stammen van deze werkwoorden op -t eindigen. bij opmerking 3. Harm werkt op de boerderij. (stam +t) Het gebeurt voor je er erg in hebt. (het is de onpersoonlijke/neutrale 3de persoon enkelvoud, dezelfde persoonsvorm als bij hij: stam +t) bij opmerking 4. Annelies beantwoordt de liefdesbrief. (stam +t) Een vliegtuig dat zich boven Nederland bevindt, landt in de regel op Schiphol. (stam +t)

Uitzonderingen op de regel "stam of stam + t" Er zijn 6 onregelmatige werkwoorden.

Verleden tijd De spelfouten met d en t komen vooral voor bij het schrijven van de verleden tijden, zowel onvoltooide als voltooide.

De werkwoordvorm van de verleden tijd wordt op een van de drie volgende manieren gevormd: stam + de stam + te klinkerwijziging van de stam met behoud van dezelfde medeklinkers (soms toevoeging van medeklinkers)

Dezelfde werkwoorden als in de vorige tabel worden eerst behandeld; daarna wordt toegelicht hoe de basisvorm van de verleden tijd ontstaat.

Wandelen Zingen Typen Pakken Praten Vinden Worden Leven Verhuizen stam wandel- zing- typ- pak- prāt- vind- word- lēv- verhuiz- basisvorm wandelde (1) zong (3) typte (2) pakte (2) praatte (2) vond (3) werd (3) leefde (1) verhuisde (1) ik basisvorm ik wandelde ik zong ik typte ik pakte praatte ik vond ik werd ik leefde ik verhuisde jij basisvorm;basisvorm jij? jij wandelde;wandelde jij? jij zong;zong jij? jij typte;typte jij? jij pakte;pakte jij? jij praatte;praatte jij? jij vond,vond jij? jij werd;werd jij? jij leefde,leefde jij? jij verhuisde,verhuisde jij? gij basisvorm+t;basisvorm+t gij? gij wandelde(t);wandelde(t) gij? gij zongt;zongt gij? gij typte(t);typte(t) gij? gij pakte(t);pakte(t) gij? gij praatte(t);praatte(t) gij? gij vondt,vondt gij? gij werdt;werdt gij? gij leefde(t),leefde(t) gij? gij verhuisde(t);verhuisde(t) gij? hij basisvorm hij wandelde hij zong hij typte hij pakte hij praatte hij vond hij werd hij leefde hij verhuisde

Opmerkingen bij de bovenstaande tabel Bij "gij" werd er steeds een -t aan de basisvorm toegevoegd. Die -t is gebleven bij de sterke werkwoorden (zie (3) hieronder). Tegenwoordig wordt de -t bij de zwakke werkwoorden niet meer uitgesproken noch geschreven (gij pakte in plaats van gij paktet). Deze vervoeging met -t is historisch wel de oorspronkelijke vorm, maar – door de ontwikkeling van de Nederlandse taal sedert de tweede helft van de twintigste eeuw en het overleg erover binnen de Nederlandse Taalunie – vind je enkel nog sporadisch in oude romans, geschreven in Vlaanderen en het oosten en zuiden van Nederland (“onder de Moerdijk”).

(1) en (2): de stamklinker van de werkwoorden verandert niet en de verleden tijd wordt gevormd door toevoeging van -de(n) of de “stemloze tegenhanger” -te(n) aan de basisvorm: die werkwoorden worden zwakke werkwoorden genoemd.