Fútbol Club Barcelona werd opgericht in 1899 en groeide uit tot een van de meest succesvolle voetbalclubs ter wereld, met talloze nationale en internationale prijzen. Hieronder volgt een beschrijving van de geschiedenis van de club.

Oprichting en eerste successen (1899–1923)

Beginperiode en oprichting FC Barcelona werd op 29 november 1899 opgericht op initiatief van de Zwitser Hans Joan Gamper. Op 22 oktober 1899 had Gamper in het sportblad Los Deportes een advertentie laten plaatsen waarin hij belangstellenden opriep om samen een voetbalclub op te richten. Ruim een maand later kwamen Gamper en elf andere mannen bijeen in het Gimnasio Solé in Barcelona, waar zij Foot-ball Club Barcelona oprichtten.

De eveneens Zwitserse Walter Wild werd tijdens de oprichtingsvergadering unaniem aangewezen als de eerste president van de club. De eerste wedstrijd vond plaats op 8 december 1899 op het voormalige wielerterrein van Bonanova. FC Barcelona, dat met tien spelers aantrad, verloor met 0–1 van een elftal samengesteld uit leden van de Engelse gemeenschap in Barcelona.

De eerste jaren en de opkomst in Catalonië In de eerste jaren bestond de selectie uit spelers van verschillende nationaliteiten, waaronder Zwitsers, Engelsen, Catalanen en Duitsers. In het seizoen 1901/02 won FC Barcelona met de Copa Macaya de eerste prijs in de clubgeschiedenis. Het toernooi, dat in 1900 was opgezet door Alfons Macaya, wordt beschouwd als de voorloper van het latere Catalaans kampioenschap. Barcelona stelde de titel op 23 maart 1902 veilig met een 15–0-overwinning op Català FC.

Op 13 mei 1902 speelde Barcelona in Madrid voor het eerst tegen Madrid FC. De wedstrijd was de halve finale van de Copa de la Coronación, een toernooi dat werd georganiseerd ter gelegenheid van de kroning van koning Alfons XIII en waaraan clubs uit verschillende delen van Spanje deelnamen. Barcelona won met 3–1 dankzij twee doelpunten van Udo Steinberg en een treffer van Henry Morris. Het duel geldt als de eerste ontmoeting tussen de clubs die later samen El Clásico zouden vormen.

In 1908 verkeerde FC Barcelona in een ernstige bestuurlijke, financiële en sociale crisis. Het ledenaantal was teruggelopen tot ongeveer 38 en binnen de club werd zelfs gesproken over opheffing. Gamper weigerde de club te laten verdwijnen en werd op 2 december 1908 voor het eerst president. Onder zijn leiding nam het aantal leden opnieuw toe en werd een eigen speelterrein gerealiseerd.

Op 14 maart 1909 werd het Camp del Carrer Indústria geopend, het eerste eigen speelterrein van de club. Het stadion had aanvankelijk plaats voor ongeveer 1.500 toeschouwers en werd later uitgebreid tot een capaciteit van circa 6.000. Vanwege de geringe afmetingen van het speelveld raakte het terrein bekend onder de bijnaam La Escopidora. De supporters die boven op de buitenmuur plaatsnamen vormden bovendien de oorsprong van de bijnaam culers voor de aanhang van Barcelona.

De eerste bloeiperiode en Les Corts Vanaf het einde van de jaren 1910 begon FC Barcelona aan zijn eerste grote sportieve bloeiperiode. Spelers als Josep Samitier, Paulino Alcántara, Ricardo Zamora, Sagi-Barbá en Vicenç Piera groeiden uit tot belangrijke gezichten van het elftal. In de seizoenen 1918/19 tot en met 1921/22 won Barcelona vier Catalaanse kampioenschappen op rij. Daarnaast veroverde de club in 1920 en 1922 het Spaanse kampioenschap, de voorloper van de huidige Copa del Rey.

De snelle groei van de club maakte het terrein aan de Carrer Indústria uiteindelijk te klein. Op 20 mei 1922 werd daarom het nieuwe Camp de Les Corts geopend. Het stadion had aanvankelijk een capaciteit van 22.000 toeschouwers. In de openingswedstrijd versloeg Barcelona het Schotse St. Mirren met 2–1. De opening vond zes dagen plaats nadat Barcelona door een 5–1-overwinning op Real Unión opnieuw het Spaanse kampioenschap had gewonnen.

Aan het einde van het seizoen 1922/23 telde FC Barcelona inmiddels meer dan 10.000 leden. Daarmee was de club in iets meer dan twee decennia uitgegroeid van een kleine vereniging van twaalf oprichters tot een van de belangrijkste voetbalclubs van Catalonië.

Politieke onderdrukking, oorlog en sportief herstel (1923–1973)

Het einde van de eerste gouden periode Ondanks de politieke onrust beleefde FC Barcelona in de jaren twintig sportief een van de succesvolste periodes uit de vroege clubgeschiedenis. Met spelers als Josep Samitier, Paulino Alcántara, Sagi-Barbá, Vicenç Piera en Franz Platko won de club in 1925, 1926 en 1928 het Spaanse bekertoernooi. Vooral de bekerwinst van 1928 kreeg grote betekenis: Barcelona versloeg Real Sociedad in Santander na drie finalewedstrijden met uiteindelijk 3–1.

In het seizoen 1928/29 werd voor het eerst een landelijke competitie volgens een volledige competitieopzet georganiseerd. Barcelona begon moeizaam, maar stelde op 30 juni 1929 met een 0–2-overwinning op Arenas Club de Getxo de titel veilig. Met 25 punten eindigde de club twee punten boven Real Madrid en werd FC Barcelona de eerste landskampioen in de geschiedenis van de Primera División.

Primo de Rivera en de Burgeroorlog Na de militaire staatsgreep van Miguel Primo de Rivera in 1923 kwam ook FC Barcelona steeds nadrukkelijker in aanraking met de Spaanse autoriteiten. Op 14 juni 1925 werd voorafgaand aan een vriendschappelijke wedstrijd tegen CE Júpiter in Les Corts het Spaanse volkslied, de Marcha Real, door een groot deel van het publiek uitgefloten. De wedstrijd was georganiseerd als eerbetoon aan het Catalaanse koor Orfeó Català. Als reactie legde de dictatuur FC Barcelona een sluiting van zes maanden op.

Joan Gamper, die op dat moment voor de vijfde keer president was, werd verantwoordelijk gehouden voor het politieke karakter dat de autoriteiten aan de club toeschreven. Op 10 juli 1925 werd hij gedwongen af te treden en moest hij Spanje tijdelijk verlaten. Hij zou daarna niet meer terugkeren als clubpresident. Gamper overleed op 30 juli 1930 door zelfdoding.

De politieke instabiliteit nam in de jaren dertig verder toe. Na het uitbreken van de Spaanse Burgeroorlog in juli 1936 dreigde de club te worden geconfisqueerd door anarchistische organisaties. Werknemers van FC Barcelona richtten daarop een eigen werknemerscomité op, dat formeel de controle over de club overnam om te voorkomen dat deze buiten de bestaande organisatie terechtkwam. Het comité bestond aanvankelijk uit vijf clubmedewerkers en werd later aangevuld met voormalige bestuursleden. In november 1937 werd het comité opgeheven en werd opnieuw een regulier bestuur gevormd.

Een ingrijpende gebeurtenis vond plaats op 6 augustus 1936. Clubpresident Josep Sunyol, die tevens afgevaardigde voor Esquerra Republicana de Catalunya in het Spaanse parlement was, werd tijdens een reis in de Sierra de Guadarrama door franquistische militairen gevangengenomen en zonder proces geëxecuteerd. Zijn dood maakte hem later binnen de clubgeschiedenis bekend als de president màrtir (Nederlands: martelaar-president).

De tour door Mexico en de Verenigde Staten Om inkomsten te genereren en aan de omstandigheden van de Burgeroorlog te ontsnappen, vertrok FC Barcelona in mei 1937 voor een maandenlange tournee door Mexico en de Verenigde Staten. De ploeg speelde tien wedstrijden in Mexico en vervolgens vier in New York.

In de Verenigde Staten won Barcelona alle vier de wedstrijden. Brooklyn Hispano werd met 2–4 verslagen, waarna ook werd gewonnen van een selectie uit New York (3–4), een selectie van de American Soccer League (0–2) en een elftal van de Joodse gemeenschap (0–3). De tournee leverde de club 461.799,10 peseta op. Het geld werd ondergebracht bij een bank in Parijs en vormde na de oorlog een belangrijke financiële reserve voor de wederopbouw van de club.

De politieke situatie leidde ertoe dat ongeveer de helft van de expeditie niet naar Barcelona terugkeerde. Onder anderen Martí Ventolrà, Urquiaga, Fernando García, Gual, Iborra, Esteve Pedrol en Tache vestigden zich in Mexico, terwijl Domènec Balmanya, Josep Escolà en Ramón Zabalo in Frankrijk achterbleven. Zes spelers – Argemí, Babot, Bardina, Rafa, Pagès en Munlloch – keerden samen met leden van de technische en bestuurlijke staf terug naar Barcelona.

Repressie en herstel tijdens de Franco-jaren Na de overwinning van Francisco Franco in 1939 kwam FC Barcelona onder verregaande controle van de nieuwe dictatuur te staan. De autoriteiten bemoeiden zich rechtstreeks met het bestuur en vanaf 1939 werden de presidenten niet langer door de leden gekozen, maar door de sportautoriteiten aangewezen. Ook verschillende spelers die aan de tour van 1937 hadden deelgenomen werden na hun terugkeer geschorst.

In 1941 werd de Catalaanse naam Futbol Club Barcelona onder druk van het regime vervangen door de Spaanse vorm Club de Fútbol Barcelona. Ook het clubembleem werd aangepast: het aantal Catalaanse rode banen in het bovenste deel van het wapen werd verminderd. Pas in de jaren daarna kreeg de club geleidelijk een deel van haar oorspronkelijke symboliek terug.

Een van de meest omstreden wedstrijden uit deze periode vond plaats in juni 1943. Barcelona won de heenwedstrijd van de halve finale van de Copa del Generalísimo tegen Real Madrid met 3–0. In de aanloop naar de return ontstond in Madrid een sterk vijandige sfeer. Historische getuigenissen maken melding van intimidatie van de Barcelona-spelers door supporters en autoriteiten, al verschillen de bronnen over de precieze gebeurtenissen voorafgaand aan de wedstrijd. Op 13 juni won Real Madrid de return in het Estadio Chamartín met 11–1, nog altijd de grootste uitslag in de geschiedenis van El Clásico.

Sportief begon de club zich in de jaren veertig geleidelijk te herstellen. Onder trainer Josep Samitier werd Barcelona in 1944/45 voor het eerst sinds 1929 opnieuw landskampioen. Onder de Uruguayaanse trainer Enrique Fernández volgden nieuwe landstitels in 1947/48 en 1948/49. In 1949 won Barcelona daarnaast de Copa Latina, de eerste internationale Europese prijs in de clubgeschiedenis.

Op 24 september 1950 boekte Barcelona in Les Corts een 7–2-overwinning op Real Madrid. Mateo Nicolau en Marcos Aurellio scoorden ieder tweemaal; de overige doelpunten kwamen van César, Gonzalvo III en Basora.

De gouden jaren vijftig en de opening van Camp Nou De komst van Ladislao Kubala luidde een nieuwe glorieperiode in. De in Boedapest geboren aanvaller, die Hongarije had verlaten en als vluchteling in West-Europa terecht was gekomen, tekende op 15 juni 1950 bij Barcelona. Door problemen rond zijn speelgerechtigdheid moest hij bijna een jaar wachten op zijn officiële debuut. Op 29 april 1951 speelde hij tegen Sevilla zijn eerste officiële wedstrijd voor de club.

Met Kubala als gezicht van de ploeg won Barcelona in het seizoen 1951/52 vijf prijzen: de Primera División, de Copa del Generalísimo, de Copa Latina, de Copa Eva Duarte en de Copa Martini Rossi. Het elftal van trainer Ferdinand Daučík kreeg daardoor de bijnaam Barça de les Cinc Copes (Nederlands: Barça van de Vijf Bekers). Een seizoen later prolongeerde Barcelona de landstitel en de Spaanse beker.

De groei van het ledenaantal en de toenemende belangstelling voor het elftal maakten Les Corts uiteindelijk te klein. Op 24 september 1957 werd het nieuwe Camp Nou officieel geopend. Barcelona won de openingswedstrijd tegen een selectie uit Warschau met 4–2; Eulogio Martínez maakte het eerste doelpunt in het nieuwe stadion.

In de zomer van 1957 won Barcelona daarnaast de Pequeña Copa del Mundo, een internationaal invitatietoernooi in Caracas met Botafogo FR, Sevilla FC en Nacional. Barcelona bleef in zes wedstrijden ongeslagen en eindigde als winnaar van het toernooi.

De strijd om Di Stéfano en de Europese doorbraak