thumb|Zicht op Kampen, met de Bovenkerk thumb|Luchtfoto van Kampen, vanaf het noordwesten gezien thumb|Luchtfoto van Kampen (1920-1940). Op de achtergrond is de Zuiderzee of het juist afgesloten IJsselmeer te zien.

Kampen () is een stad in de Nederlandse provincie Overijssel en de hoofdplaats van de gelijknamige gemeente. De oude Hanzestad is gelegen aan de benedenloop van de IJssel, nabij de uitmonding in het IJsselmeer en het Keteldiep. De stad is grotendeels gelegen op een riviereneiland en is alleen via kunstwerken bereikbaar. Tot 1932 lag de stad ook aan de Zuiderzee.

Kampen ligt in Noordwest-Overijssel en is in dit gebied de grootste plaats. In telde de stad inwoners en is qua grootte de zesde stad van de provincie Overijssel. De oppervlakte van de stad bedraagt zo'n 11,39 km². In 2023 telt de gelijknamige gemeente ongeveer 56.000 inwoners.

In Kampen wordt een variant op het Sallands dialect gesproken, ook wel Kampers genoemd.

Geschiedenis Overlevering Er zijn twee stadskronieken van Kampen overgeleverd. De annalibus quaedam. Het bestaat uit 29 folio's en is overgeleverd in het Liber Diversorum C, inventarisnummer 11 van het Oud Archief der stad Kampen. Periode van de Bijbelse schepping (incipit: "Adam onse irste older en vaeder leefde IX C en de XXX jaren...") tot het jaar 1481: geschreven door Kamper stadssecretaris Jacob Bijndop tussen 1467 en 1482. Periode 1489–1493: geschreven door Kamper stadssecretaris Henric Claessen. Periode 1483–1496: geschreven door Kamper stadssecretaris Anthonius Vrije. Periode tot circa 1550: geschreven door Kamper stadssecretaris Reinier Bogherman van Dokkum, met een enkel verhaal uit 1517 geschreven door Kamper stadssecretaris Johan van Breda.

Annalia ende andere copien. Het bestaat uit 167 folio's en omvat het gehele Liber Diversorum D, inventarisnummer 12 van het Oud Archief der stad Kampen. Periode 1505–1540: geschreven door Kamper stadssecretaris Johan van Breda (met hulp van stadssecretaris Heyman Brant), die ook verwijst naar oorkonden die teruggaan tot het jaar 1045. Periode 1540–1560: geschreven door de Kamper stadssecretarissen Cornelis Meeus en Geert Hermans.

Middeleeuwen Rond 1150 was er al houten bebouwing op de plaats waar het huidige Kampen ligt, maar de naam Kampen wordt in de geschiedenis pas genoemd in 1227. Echter, in het gemeentearchief van Kampen is nu nog een charter aanwezig waarin Abel, de koning van Denen en Slaven en hertog van Jutland, een privilege verleent aan de Ommelandvaarders, gedateerd 24 september 1251.Charter van Abel, GAK (gearchiveerd) Kampen was in die tijd reeds een belangrijke en machtige stad ("het Rotterdam van de Middeleeuwen") en had een flinke vloot aan koggeschepen. Met deze koggeschepen werd de Ommelandvaart gemaakt: de zeereis rond Denemarken naar de Oostzee. In de steden rond de Oostzee werd zout verhandeld, dat Kamper koggen uit Portugal hadden gehaald. De stad kreeg stadsrechten omstreeks 1236, al is het best mogelijk dat Kampen, evenals Deventer, Steenwijk, Zwolle en Hasselt, stad is geworden door gewoonterecht.Zwolle werd stad via gewoonterecht, de Stentor, 15 september 2007 De gunstige ligging aan de drukbevaren handelsroute tussen de Zuiderzee en de Rijn maakte dat Kampen zich al snel ontwikkelde van eenvoudige nederzetting tot welvarende handelsstad die zou uitgroeien tot een van de machtigste en toonaangevende steden van Noordwest-Europa. In de 14e eeuw ruilde Kampen met de bisschop van Utrecht, Jan van Arkel, de polder Mastenbroek tegen het recht op aanwas in de IJsseldelta.

Het verzanden van de IJssel maakte vanaf 1430 zeer geleidelijk een einde aan de voorspoed van Kampen. Gedurende lange tijd wilde Kampen zich niet tot een verbond laten verplichten en economische en politieke concessies te leveren aan andere steden, zoals in de Hanze gebruikelijk was. Toen het Graafschap Holland oorlog voerde tegen de Hanze kwam aan deze situatie een einde: de stad werd gedwongen te kiezen voor een van beide zijden. Kampen was van oorsprong meer georiënteerd op de Oostzeehandel en handel met het achterland van de Rijn, en trad daarom in 1441 formeel toe tot de Hanze. De stad had veel invloed binnen de Hanze: ondanks luidkeels protest van bovenloopse steden aan de IJssel en andere Hanzesteden werd in 1448 besloten tot de bouw van een brug over de IJssel."Kampen in fragmenten", drs. René van Mierlo, 1990, Kok Dit karwei werd in een recordtijd van 5 maanden voltooid. Met deze brug hoopte Kampen meer binding te hebben met het achterland.

Rond 1480 raakte de IJsselmonding verder dichtgeslibd en moeilijker bevaarbaar voor schepen. De Kampenaren besloten in 1480 het Noorderdiep en Zuiderdiep af te dammen om zo het water te dwingen alleen door het Danckers Diep of Rechte Diep te stromen, zodat grote schepen langs de stad konden blijven varen en aanleggen. Zwolle probeerde in 1480 ook een kanaal te graven naar de IJssel, maar uit vrees voor handelsconcurrentie protesteerden Deventer en Kampen hier samen met succes tegen bij de bisschop van Utrecht, die de Zwollenaren verbood het kanaal te graven. Tot eind 15e eeuw lijkt de IJsselmonding bij Kampen nog bevaarbaar genoeg zijn geweest. Toch probeerde Zwolle, als alternatief op het verboden kanaal, sinds eind 15e eeuw het handelsverkeer vanuit Duitsland (met name het prinsbisdom Münster en het hertogdom Westfalen) naar Holland steeds meer om te leiden langs de rivier de Vecht, die ten noorden van Zwolle uitmondde in het Zwarte Water (of Zwartewater), dat naar de Zuiderzee stroomde zonder langs Kampen te komen. Kampen liep hierdoor steeds meer inkomsten mis uit de IJsseltol en kwam zo steeds meer in conflict met Zwolle in de jaren 1518–1524. Daarna verzoenden de IJsselsteden zich weer en gingen mee in de beslissing van de Utrechtse bisschop-elect Hendrik van Beieren, die op 15 november 1527 met het Traktaat van Schoonhoven zijn rechten op Overijssel verkocht aan keizer Karel V. In januari 1528 verklaarden de Staten van Overijssel, waaronder Kampen, Karel V te erkennen als hun nieuwe landsheer. 20 jaar later werd Overijssel met de Transactie van Augsburg (1548) bij de Zeventien Provinciën gevoegd.

Na de Middeleeuwen Op 11 augustus 1572 werd Kampen op de Spanjaarden veroverd door Willem van den Bergh, een zwager van Willem van Oranje. Na het bloedbad van Zutphen op 15 november gaf de stad zich echter vrijwillig over aan de Spanjaarden. In 1578 kwam de stad weer in Staatse handen na het Beleg van Kampen, onder leiding van George van Lalaing.

De Hollandse Oorlog, tussen de Republiek der Verenigde Nederlanden en Engeland en Frankrijk, betekende een definitief einde aan de enorme macht van de stad. Door het recht op aanwas in de IJsseldelta was de stad wel eigenaar geworden van het steeds groter wordende Kampereiland. Vanaf 1500 werden de eilanden verpacht. De pachtinkomsten werden zo groot dat de stad geen belasting hoefde te heffen.

Kampen verkreeg pas weer naam in de 19e eeuw. Kampen was toen vanuit zee moeilijk bereikbaar, omdat de omliggende watergebieden verzand en dus ondiep waren. Gedurende de voorgaande eeuwen is de waterloop van de IJssel wel meerdere malen uitgebaggerd, maar de kosten hiervoor waren relatief hoog en binnen enkele jaren was de rivierstroom weer dichtgeslibd. De IJssel kende hier, als delta, toentertijd meerdere uitgangen. De hoofdvaarroute werd ook meerdere malen verlegd, als reactie op de natuurlijke loop. In de 19e eeuw begon men actief in te grijpen: rivierlopen werden afgedamd, om meer water met hogere snelheid door één of twee hoofdvaarroutes te laten gaan. Dit had als voordeel dat er minder zand en slib werd afgezet, waardoor zo'n rivierloop zichzelf "schoon spoelde". Sleutelfiguur in dit verhaal is Nicolaas Plomp, stadsarchitect van Kampen. Naast zijn werk voor het huidige IJsselfront van de stad Kampen, hield hij zich ook bezig met de waterbouwkunde. Voor 1839 liet hij al strekdammen van 2500 meter aanleggen in het Keteldiep, om het water een gerichte uitgang te bieden.

In 1839 kwam daar nog eens 900 meter bij. In deze strekdammen is materiaal van de stadsmuur van Kampen verwerkt. Vanwege de opkomende nijverheid in de 19e eeuw en het belang van landwegen en spoorwegen, werd ook vaart gemaakt met zogenaamde straatwegen, geplaveide wegen, in plaats van zand- en modderwegen. Zo werd in 1828 de straatweg van Kampen verbeterd, in 1837 werd de Zwolseweg als straatweg aangelegd, in 1840 werd de straatweg van Kampen naar Genemuiden aangelegd, en in 1851 de Kamperstraatweg naar Wezep, alwaar die aansloot op de Zuiderzeestraatweg. Ook werden stoombootdiensten geopend: in 1844 een dienst naar Hamburg en in 1847 naar Hull.

20e en 21e eeuw Tijdens de Duitse bezetting van 1940 tot 1945 had de bevolking te maken met de gebruikelijke beperkingen van de oorlogsjaren, zoals distributie, tewerkstelling en vervolging van Joodse inwoners. In de laatste oorlogsmaanden vonden in en rond de stad verschillende militaire activiteiten plaats. Op 17 april 1945 werd Kampen bevrijd door Canadese troepen.

De naoorlogse periode bracht nieuwe woningbouw, industrialisatie en bevolkingsgroei. In de jaren vijftig en zestig ontstonden nieuwe woonwijken buiten de historische binnenstad. In de tweede helft van de 20e eeuw ontwikkelde Kampen zich steeds meer tot een onderwijs- en dienstenstad. De Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken, diverse middelbare scholen en regionale voorzieningen versterkten de centrumfunctie van de stad. Tegelijkertijd groeide het besef van het belang van monumentenzorg. De historische binnenstad met haar stadspoorten, kerken en koopmanshuizen werd grotendeels behouden en gerestaureerd.

In de moderne geschiedenis van Kampen vonden twee fatale woningbranden plaats. Op 11 april 1952 kwam bij de brand in de Klokkensteeg vrijwel het gehele gezin van Breuker om het leven. De brand kostte acht mensen het leven en behoort tot de dodelijkste woningbranden uit de Nederlandse naoorlogse geschiedenis.

Een tweede ernstige brand vond plaats op 19 augustus 2009, toen in een woning aan de Hanzewijk vier kinderen uit één gezin om het leven kwamen. Door het hoge aantal slachtoffers kreeg ook deze ramp landelijke aandacht.

Nijverheid in de 19e en 20e eeuw Tabak Vanaf ongeveer 1815 bepaalde de tabaksindustrie het gezicht van Kampen. Deze tak van industrie werd aangetrokken door onder meer het gunstige belastingklimaat in de stad. Na de komst van twee kleinere tabaksfabrieken vestigde de grote uit Bremen afkomstige sigarenfabrikant Lehmkuhl zich in de stad. Rond 1880 was bijna de helft van de Kamper bevolking werkzaam in de tabaksindustrie en werden 1,5 miljoen sigaren per week geproduceerd. De sigarenindustrie kon geen plaats vinden om een grote fabriek te bouwen, vanwege de pachtgronden, die voor boeren waren bedoeld. Daarom vond veel van de sigarenmakerij bij de arbeiders thuis plaats. De sigarenindustrie verdween later vrijwel geheel uit Kampen door regulatie (er mocht niet meer thuis sigaren gemaakt worden); de economische crisis in de jaren dertig; de Tweede Wereldoorlog; en de opkomst van de sigaret. Alleen de inmiddels monumentale sigarenfabriek de Olifant is nog volop in bedrijf. Bijzonder aan de Olifant is dat het, naast het ambachtelijk produceren van sigaren, ook een voortrekkersrol heeft met het aan het werk helpen van mensen met een Wajonguitkering.

Pannen en ander keukengerei