thumb|Grafheuvel in Rogaland Het huidige koninkrijk Noorwegen vierde in 2005 zijn honderdjarig bestaan. De geschiedenis van Noorwegen als aparte natie gaat echter veel verder terug. Dit artikel beschrijft de geschiedenis van Noorwegen.
Etymologie Volgens de traditionele IJslandse saga's is het Noor in Noorwegen afkomstig van koning Nor Thorrasson - zie Orkneyinga Saga. Moderne etymologen geloven dat de naam van het land "de noordelijke weg" betekent. Deze noordelijke weg is de naam van een straat tussen het eiland Karmøy en het vasteland. De eerste koning van Noorwegen, Harald Schoonhaar, woonde op het eiland toen hij zijn rijk verenigde. Deze straat had enig belang, omdat het de enige praktische scheepsroute naar het noorden was. De straat was de "weg naar het noorden", en zo kreeg het koninkrijk zijn naam - in het Oudnoors Norvegr of *Norðvegr, in het Angelsaksisch Norþweg, in het middeleeuws Latijn Northvegia. De huidige naam van Noorwegen in het Nynorsk is Noreg, wat maar een paar letters afwijkt van het originele "noordelijke weg": Nor(d)-(v)eg.
Volgens het middeleeuwse Flateyjarbók werd het koninkrijk, Noregr (Noorwegen), vernoemd naar de legendarische koning Nor, de zoon van Thorri, een afstammeling van de reus Fornjot.
Prehistorie De eerste bewoning van Noorwegen wordt gedateerd rond het jaar 10.500 voor Christus. De mensen van de Brommecultuur jaagden op rendieren en andere prooidieren tijdens hun lange trek naar het noorden. Deze eerste bewoners kwamen vanuit Denemarken en Noordwest-Europa. Het land dat ze bevolkten was eeuwenlang bedolven geweest onder zware ijskappen. Rond deze tijd was het westen van Noorwegen reeds ijsvrij, en dus geschikt voor bewoning. Stenen werktuigen, die bij een opgraving in de omgeving van Rennesøy zijn gevonden werden rond 10.000 gedateerd. De oudste gebruiksvoorwerpen stammen uit 10.500 voor Christus en werden gevonden in de omgeving van Øygarden.
Dat de eerste Noren jagers zijn die in kleine groepen leven blijkt uit de rotstekeningen die ze ons nalaten. Meestal beelden ze rendieren, elanden, herten, beren en vissen uit. Soms zijn ook mensen en hun boten afgebeeld.
Neolithicum Vijf- tot zesduizend jaar geleden schakelt men over op de landbouw, ook dat is aangetoond door archeologische vondsten. Deze evolutie doet zich vooral voor in het zuiden, in het noorden blijft men jagen.
Bronstijd Als opvolger van de plaatselijke laat-neolithische bootbijlcultuur ging de Noordse bronstijd zonder grote breuken over in de er op volgende culturen, en kan men haar etnische en linguïstische karakter als Noord-Germaans beschouwen.
IJzertijd De Noordse bronstijd werd gevolgd door de Noordse ijzertijd, beginnend met de pre-Romeinse ijzertijd en later de Romeinse ijzertijd. Grafvondsten tonen aan dat er banden geweest zijn met culturen in het zuiden van Europa. In deze periode wordt ook het schrift, in de vorm van runentekens, bekend in Scandinavië. De volksverhuizingen (400 tot 550) betekenen een onrustige periode in de Europese en Noorse geschiedenis. De aanwezigheid van boerderijen in de randgebieden wijst erop dat het land het verzadigingspunt had bereikt. De Romeinse ijzertijd ging over in de Germaanse ijzertijd.
Vikingtijd (800-1050 na Chr.) left|thumb|180px|Het Osebergschip in het Vikingskipshuset te Oslo.
De Vikingtijd markeert het einde van de prehistorie in Noorwegen. De kennis over deze periode halen we eveneens uit archeologische vondsten en sagen. De plundering op 8 juni 793 van het klooster van Lindisfarne, voor de noordoostkust van Engeland, wordt beschouwd als het begin van de Vikingtijd. Het beeld van de woeste, wrede en plunderende Vikingen klopt slechts deels. De Vikingen maken ook vreedzame tochten met het oog op handel en kolonisatie. Noorse Vikingen vestigen zich o.a. op de Shetlandeilanden en het Isle of Man en stichten Dublin. Ook in IJsland en Groenland vindt men onbewoond land. De huidige IJslanders stammen af van de kolonisators. Op Groenland sterven de Noorse gemeenschappen na een paar eeuwen om een nog onbekende reden uit. De Vikingen zijn ervaren zeevaarders met snelle en wendbare schepen. Zo is bekend dat ze meerdere malen Amerika hebben bereikt. De Vikingtijd bereikt zijn hoogtepunt in 1066. Dan wordt de Noorse koning Harald Hardråda verslagen bij de Slag bij Stamford Bridge in Engeland.
De oudste geschreven geschiedschrijving van Noorwegen gaat terug tot rond de 8e eeuw n.Chr.; in die tijd bestaat wat nu Noorwegen is uit zo'n 29 minikoninkrijkjes. In de negende eeuw vormen de gebieden nog geen eenheid. Er zijn twee gemeenschapsvormen: de kleine vorstendommen en de volksvergaderingen of tings. De eenmaking van Noorwegen heeft verscheidene redenen. Allereerst willen de boeren vrede en stabiliteit, vooral in de rijke kustgebieden dan. Ook worden sommige koningen, door huwelijken, steeds machtiger. De kleine vorsten in Viken, het gebied rond de Oslofjord, spelen een belangrijke rol in dit proces. District na district brengen ze onder hun heerschappij. Met de Slag van Hafrsfjord (ca. 872) kan koning Harald Schoonhaar zich meester maken van grote delen van het Noorwegen. Het eenwordingsproces gaat echter nog enkele decennia door. Dat is het gevolg van de strijd tussen de vijandige Noorse stamhoofden onderling en tussen Noren en andere volkeren. In 1060 lijkt de eenmaking voltooid te zijn.
Eerste Noorse Koninkrijk thumb|180px|Het koninkrijk in 1020. Nadat Harald Schoonhaar het rijk heeft verenigd zullen zijn nazaten – met enkele korte onderbrekingen – regeren tot 1319. Het jaar 1130 is een keerpunt in de Noorse geschiedenis. Allereerst is het de overgang van een periode van vrede naar een periode van conflicten en burgeroorlog die duurt tot 1227. Maar 1130 wordt ook beschouwd als het begin van de hoge middeleeuwen; het begin van een bevolkingsgroei, consolidatie binnen de kerk en de opkomst van de steden. De macht van de monarchie neemt in de twaalfde en dertiende eeuw toe: een overwinning op de kerk en de leenheren. Boeren worden pachter in plaats van eigenaar en aan de slavernij komt een einde.
Rond 1200 heerst de Noorse koning over land van het eiland Man in de Ierse Zee tot het Kola schiereiland in het oosten. Groenland en IJsland worden in 1262 afhankelijke gebieden, terwijl Noorwegen in 1266 de heerschappij over Man en de Hebriden verliest bij het Verdrag van Perth, waarmee de Schots-Noorse Oorlog tot een einde komt.
De komst van het christendom neemt een lange periode in beslag, mogelijk zelfs twee eeuwen. Het is het gevolg van handelscontacten in het christelijke Europa en de Vikingtochten. Zendelingen van de Engelse, Duitse en Deense kerken slagen erin het traditionele geloof in de goden te verzwakken. Uit de wetgeving blijkt dat rond 1100 het christendom al stevig verankerd is in Noorwegen. Een centrale rol hierbij speelt koning Olav Haraldsson (‘de Heilige’) die sterft in de Slag bij Stiklestad op 29 juli 1030. Hij wordt Noorwegens beschermheilige, Sint Olav, en zijn graf in de Nidaros kathedraal in Trondheim groeit uit tot de belangrijkste bedevaartplaats van Noord-Europa. Het aartsbisdom van Nidaros komt er in 1153. De Noorse aartsbisschop gaat ook een belangrijke politieke rol spelen. In 1537 wordt door middel van een koninklijk besluit de reformatie afgedwongen. Vanaf de vroege zeventiende eeuw is het Lutherse geloof de enige geloofsovertuiging in het land.
Naar de Unie van Kalmar (ca. 1350-1536) Het politieke zwaartepunt verschuift intussen van het zuidwesten naar de gebieden rond de Oslofjord. Koning Haakon V maakt Oslo, dan nog een onbelangrijk groepje huizen, tot zijn hoofdstad. Andere steden als Bergen en Trondheim zijn in die tijd veel groter. In 1350, als de pest Noorwegen bereikt, wonen er tweeduizend mensen in de hoofdstad. De pest houdt verschrikkelijk huis en brengt de bevolking terug tot de helft of zelfs een derde. De koning en de adel zijn hierdoor genoodzaakt inkomsten te halen uit grondbezit, ongeacht de landsgrenzen. Zo leveren ze een bijdrage tot het ontstaan van politieke unies in de Scandinavische landen. Van 1319 tot 1343 hebben Noorwegen en Zweden een gezamenlijke monarchie. Haakon VI is de zoon van de Zweedse koning Magnus Eriksson. Erikssons moeder Ingebjørg is de dochter van Haakon V van Noorwegen en wettige troonopvolgster van Noorwegen. Zo komt Ingeborgs zoon, Haakon VI op de Noorse troon. Haakon VI huwt Margrete, de dochter van de Deense koning Valdemar Atterdag. Haakons en Margaretha’s zoon, Olaf, wordt na de dood van Valdemar (1375) de Deense vorst en vijf jaar later bestijgt hij ook de Noorse troon. Op die manier worden drie Scandinavische landen verenigd in de Unie van Kalmar (1397-1523). Die zal 180 jaar standhouden, tot Zweden zich in 1536 losrukt uit de unie. De late middeleeuwen zijn een periode van economisch verval. De pest heeft de bevolking uitgedund, de inkomens dalen, het Hanzeverbond is nadelig voor de Noorse economie of de verarming van de grond. Het zouden allemaal redenen zijn voor de achteruitgang. Zo wordt Denemarken het belangrijkste land in de regio. De Noorse adel kwijnt langzaam weg, het nationale zelfbewustzijn van de Noren kalft af. De Unie met Denemarken wordt in 1450 bezegeld met een verdrag. Dit verdrag belooft de Noren de gelijkwaardigheid van de twee landen, maar dat blijft slechts theorie.
Banden met de Nederlanden In de eerste decennia van de zestiende eeuw bestaan er sterke economische banden met de Nederlanden. De Amsterdamse bankier Pompeius Occo is zowel bankier van de aartsbisschop van Nidaros, Erik Valkendorf, als van koning Christiaan II van Denemarken. Deze laatste is gehuwd met de Habsburgse prinses Isabella van Oostenrijk, een zus van de latere keizer Karel V.
Een hardnekkige legende verhaalt dat Isabella op weg naar haar bruiloft in Kopenhagen op de Noordzee in een verschrikkelijk noodweer zou zijn beland. Ze beloofde God dat, wanneer ze veilig aan land zou komen, ze haar nieuwe vaderland vijf altaarstukken te schenken.
Er bevinden zich langs de Noorse west- en noordkust daadwerkelijk vijf laatmiddeleeuwse retabels die aan een Noord-Nederlandse werkplaats worden toegeschreven, om precies te zijn aan de werkplaats van de anonieme Meester van de Utrechtse Stenen Vrouwenkop. De retabels bevinden zich in de dorpskerken van Ørsta, Grip, Leka, Hadsel en Røst. Ze worden gedateerd rond 1520. Waarschijnlijk zijn ze via de stokvishandel vanuit de Nederlanden in de respectieve Noorse dorpen beland. De ligging van de dorpen in de belangrijkste productieregio's van stok- en klipvis én het feit dat er zeer intensief handelscontact tussen Noorwegen en de Nederlanden is in deze periode lijkt deze hypothese te bevestigen. De vijf altaarstukken staan in de literatuur bekend als de Leka-groep.
De unie met Denemarken (1536-1814)
In 1536 houdt Noorwegen als onafhankelijk koninkrijk op te bestaan. Deense edellieden gaan nu het land besturen. Noorwegen en zijn bezittingen zinken snel weg tot provinciestatus in de periode van het koningschap van Koninkrijk van Denemarken en Noorwegen. De Deense periode kan in vier subperiodes verdeeld worden:
De hervorming in Noorwegen (1536–1596). De macht van Noorwegen wordt verder verzwakt door de ontbinding van de onafhankelijke Noorse kerk in 1537. De Noordse Oorlogen (1596–1720). De band met Denemarken sleurt Noorwegen ook mee in de oorlogen tegen Zweden en de Baltische staten. Deze periode is er een van vrijwel voortdurende oorlog en voorbereiding tot oorlog, inclusief de Kalmaroorlog (1611–1613), de Dertigjarige Oorlog (1618–1648), de Noordse Oorlog (1655-1660), de Schoonse Oorlog (1675–1679) en uitlopend op de Grote Noordse Oorlog (1700–1721). De periode van vrede en voorspoed (1721–1770). Gedurende de 18e eeuw geniet Noorwegen een periode van voorspoed en werd een steeds belangrijker deel van de verenigde koninkrijken.