Oppidum Batavorum, ("stad/vesting van/voor de Bataven") was, naar algemeen wordt aangenomen, een nederzetting even ten zuiden van de Waal aan de buitengrens (limes) van het Romeinse Rijk, in de noordwestelijke provincie Germania Inferior. De veronderstelde locatie komt overeen met wat tegenwoordig een deel van het centrum van Nijmegen is.

De nederzetting lijkt iets voor het begin van de christelijke jaartelling te zijn gesticht. Vermoedelijk gebeurde dit niet door de Bataven zelf, ondanks dat de plaats hun naam draagt, maar door de Romeinen. Na de Bataafse Opstand van 69 n.Chr werd Oppidum Batavorum door een groep opstandelingen onder leiding van Julius Civilis in brand gestoken en vernietigd. Ongeveer dertig jaar later moet er, iets westelijker, weer een nieuwe nederzetting zijn verrezen, die uiterlijk rond het jaar 105 van keizer Marcus Ulpius Traianus marktrechten en/of rechten van een Romeinse stad kreeg. Tegenwoordig gaat men er (op grond van indirecte aanwijzingen) van uit dat de volledige naam van deze nieuwe plaats [Municipium] Ulpia Noviomagus Batavorum was.

Zowel Oppidum Batavorum als Ulpia Noviomagus worden doorgaans gezien als de vroegste voorlopers van het huidige Nijmegen. Op grond van het feit dat Oppidum Batavorum verder al vóór het begin van de christelijke jaartelling lijkt te zijn ontstaan, is Nijmegen een van de plaatsen die aanspraak maakt op het predicaat van oudste stad van Nederland. Dit is echter ook ietwat omstreden.

Er moeten zich eveneens Bataafse nederzettingen hebben bevonden ten noorden van de Waal, bij Lent en Oosterhout; ook hier zijn vele vondsten uit de Romeinse tijd gedaan.

Documentatie De naam Oppidum Batavorum is voornamelijk bekend uit de overgeleverde Historiae van de Romeinse geschiedschrijver Tacitus. Deze tekst meldt eveneens de verwoesting in het jaar 69. Vermoedelijk dezelfde nederzetting wordt elders genoemd als Batavodurum ("versterkte stad van de Bataven"). Alleen de Griekse schrijver Claudius Ptolemaeus benoemt Batavodurum daarentegen duidelijk als stad (πόλις). Tacitus gebruikt van zijn kant de namen Batavodurum en Oppidum Batavorum kort na elkaar wanneer hij het heeft over het einde van de Bataafse Opstand. Hij duidt hier dus kennelijk alleen op de eerdere nederzetting. In De origine et situ Germanorum meldt Tacitus verder dat de Bataven de insula Batavorum (het eiland van de Bataven) bewonen. Deze term gebruikt hij ook in zijn werk Annales. Aangenomen wordt dat onder dit "eiland" de huidige Betuwe moet worden verstaan, waar de Bataven dan woonden in een netwerk van kleinere, agrarische nederzettingen.

Oppidum Batavorum vs. Batavodurum Over de vraag of Oppidum Batavorum en Batavodurum inderdaad dezelfde nederzetting aanduiden, bestaan verschillende opvattingen. Justus Lipsius, die veel bezig was met het ontcijferen van Tacitus' teksten, stelde aanvankelijk het door Ptolemaeus genoemde Batavodurum eveneens gelijk aan de "stad der Bataven". De naam Oppidum Batavorum was volgens hem een onjuiste Latijnse tekstweergave. Later kwam Limpius hier weer op terug, toen bleek dat er nog een ander overgeleverd handschrift van de Historiae bestond waarin dezelfde passage het heeft over "oppida Batavorum", dus meerdere Bataafse steden. Johannes Smetius, een 17e-eeuwse historicus uit Nijmegen, vond dit laatste daarentegen geen overtuigend argument. Ook Philipp Clüver ging mee in de aanname dat er in de tijd waarover Tacitus schreef maar één "stad der Bataven" was geweest. Clüver meende daarentegen dat dit niet Romeins Nijmegen geweest kon zijn, maar Batenburg. Smetius deed deze opvatting van Clüver af als onzin, wijzend op het gebrek aan archeologische Romeinse vondsten bij Batenburg.

Lokalisering Tot op heden is niet met zekerheid te zeggen waar Oppidum Batavorum precies heeft gelegen. Wel is het onder de historici in het algemeen de consensus dat dit ergens op het grondgebied van Nijmegen moet zijn.

Kops Plateau? De archeoloog en historicus Jan Hendrik Holwerda (die later nog meer bekendheid kreeg vanwege zijn zoektocht naar Dorestad) verrichtte omstreeks 1920 als eerste uitgebreid archeologisch onderzoek naar Oppidum Batavorum. Hij situeerde de nederzetting op en/of nabij het Kops Plateau, net iets ten oosten van Nijmegen zelf. Omstreeks 1972 werd er bij een opgraving aan de noordelijke helling van het plateau een geul van ca. 15 meter breed aangetroffen. Deze was gevuld met zand en afval, en had in de Romeinse tijd vermoedelijk als stortplaats gediend. De opgravingen op deze plek werden gedateerd tot ca. het jaar 70. Er zat vrijwel niets tussen wat aan inheemse bewoning uit deze tijd kon worden toegeschreven, waarmee Holwerda's ideeën dus onhoudbaar werden.

Het Kops Plateau moest aldus worden geschrapt als mogelijke locatie voor Oppidum Batavorum. De locatie is niettemin van grote archeologische betekenis gebleken bij het onderzoek naar de Romeinse geschiedenis van deze plek. Er zijn aardewerkscherven en metalen resten gevonden die met veel zekerheid op de Romeinse militaire bezetting waren terug te voeren; onder meer de Latijnse inkervingen (een soort graffiti) op de voorwerpen – die aangaven wie bijvoorbeeld de eigenaar van een stuk serviesgoed of een pannetje was – maken dit goed duidelijk.

Valkhof? Later ging de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek het Valkhofterrein zien als een waarschijnlijkere locatie voor Oppidum Batavorum. De locatie kwam volgens Mathé Daniëls grosso modo overeen met het plateaugebied van het Valkhof, dat toen nog geologisch één geheel was met het latere Kelfkensbos, tot aan de plek van het huidige keizer Traianusplein, of net ten oosten daarvan. In de Romeinse tijd moet daar een gracht zijn geweest, tot Mariënburg en in het westen tot aan de Korte Nieuwstraat. Deze locatie zou door de Romeinen doelbewust zijn uitgekozen omdat het strategisch lag ingeklemd tussen de plek in het westen waar enige tijd later Ulpia Noviomagus zou verrijzen (tegenwoordig ligt hier de wijk Waterkwartier), terwijl in het oosten de Romeinse castra (legerkampen) op de Hunnerberg en het Kops Plateau lagen.Geschiedenis van het Valkhof, valkhof.nl Gemeentelijk onderzoek bij de Mariënburgkapel en Raadhuisstraat heeft uitgewezen dat de randzone van Oppidum Batavorum niet bebouwd was, maar wellicht werd gebruikt om groente en fruit te telen; er zijn hier restanten gevonden van afvalkuilen en greppels die vermoedelijk bij percelen van Oppidum Batavorum hoorden.

Geschiedenis thumb|Schematische weergave van Oppidum Batavorum/Batavodurum met de Romeinse castra op de Hunnerberg en het Kops Plateau (eerste eeuw) Stichting (16 v. Chr. - 10 n. Chr.) De oudste teruggevonden resten van Romeinse aanwezigheid in dit gebied hoorden bij een groot legerkamp (castrum) op de Hunnerberg, dat moet dateren uit het jaar 16 of 15 v.Chr.. Hier waren toen twee Romeinse legioenen gehuisvest, die in totaal uit zo'n 12.000 man bestonden. Dit castrum werd na een paar jaar vervangen door een commandocentrale op het Kops Plateau.

Oppidum Batavorum lijkt rond of iets vóór 10 v.Chr. te zijn gesticht door de Romeinen, die aldus het wooncentrum van de Bataven vanuit Kessel naar hier verplaatsten. De echte bouw van de nederzetting begon op z'n laatst twintig jaar later. Tot deze dateringen is men hoofdzakelijk gekomen op grond van teruggevonden aardewerk (terra sigillata dat oorspronkelijk uit Italia kwam) en Romeinse munten uit deze periode. Om de nederzetting lag een zogeheten Punische gracht (fossa Punica). Dergelijke grachten werden vooral om militaire kampementen heen aangelegd in combinatie met een wal, maar van dat laatste zijn op deze plek geen sporen gevonden.

Het legerkamp op de Hunnerberg, eerste periode Ergens tussen 20 v.Chr.- 10 v.Chr. moet er zich een groot Romeins invasieleger hebben gevestigd op de Hunnerberg, dat vermoedelijk uit z'n 10.000 man bestond; dit waren mensen met Romeins burgerrecht. Omstreeks 15 v.Chr. lijkt hier een groot kamp (castrum) te zijn gebouwd, het eerste Romeinse kamp op deze plek. Dit kamp was 42 hectare groot, en had een veelhoekige vorm. De zuidrand ervan lijkt overeen te komen met de plek waar nu de Tooropstraat is (wijk Altrade). Het kamp werd verdedigd door een dubbele sloot en een muur van aarde en hout met poorten, hoektorens en intervaltorens om de 24 m. De verdedigingswerken bestonden zelf uit twee droge V-vormige grachten en een wal. Er waren op regelmatige afstand torens van elkaar geplaatst, ook moeten er minstens vier toegangspoorten zijn geweest. Het is de vroegste militaire basis in het Rijnland en kan worden beschouwd als de bakermat van de Nedergermaanse grens. Het kamp had ruimte voor twee legioenen of één legioen met een ala milliaria, een cavalerie-eenheid van de hulptroepen (auxilia) van het Romeinse leger, ongeveer 1000 man sterk.

In 12 v.Chr. voerde de Romeinse veldheer Drusus een grootscheepse, succesvolle campagne om Germania (inclusief de fines frisiorum, de Friese grenzen) verder te veroveren. In de Nijmeegse bodem zijn ook archeologische sporen bewaard gebleven die misschien aan deze campagne zijn toe te schrijven. Het kamp op de Hunerberg zou dan kunnen hebben gediend als een van de uitvalsbases voor Drusus tijdens diens campagne. Rechtstreekse aanwijzingen dat Drusus daadwerkelijk op deze plek heeft verbleven, zijn er echter niet.

Het legerkamp op het Kops Plateau In circa 10 v.Chr. werd, in plaats van het eerdere grote kamp, een relatief klein legerkamp gebouwd waar plaats was voor ongeveer 800 manschappen. Het had een oppervlak van 3,5 hectare. Eromheen lagen twee grachten en een omwalling van hout en aarde. Het was tevens voorzien van een groot en luxueus praetorium, een commandantswoning, in keizerlijk aristocratische stijl. De enige vergelijkbare vondsten zijn gedaan langs de rivier de Lippe. Behalve dat dit praetorium een grote omvang had, stonden er ook relatief veel officierswoningen. De architectuur is verwant aan die van de kampen in Lippe, Oberaden, Anreppen en Haltern (langs de Lippe), hoewel het laatste van iets jongere datum is. Dit eerste Romeinse legerkamp en het nabijgelegen Oppidum Batavorum zijn mogelijk tegelijkertijd verrezen.

Omstreeks het jaar 9 na Christus vond er een grote reorganisatie plaats van de troepen in Germania Inferior, na de nederlaag van Varus tegen Arminius tijdens de slag bij het Teutoburgerwoud. Ook de legerplaats op het Kops Plateau lijkt daarbij grondig te zijn heropgebouwd en uitgebreid. Het kreeg nu een oppervlak van 4,5 hectare en had een omvangrijke bezetting van officieren, waarvan vele uit de cavalerie. Hiervan getuigen de vele gevonden metalen onderdelen van paardentuig, bitten en ruitersporen. Het wordt voor mogelijk gehouden dat na Drusus ook Varus en Germanicus nog in het praetorium hebben verbleven.

Ook direct buiten het castrum maken sporen en vondsten duidelijk dat hier diverse detachementen ruiterij gestationeerd zijn geweest, vooral langs de wegen door de toegangspoorten. Een deel van de ruiterij verbleef in een groot stallencomplex ten zuidwesten van het legerkamp, waar ook enkele zeisen zijn gevonden, die gebruikt konden worden om gras te maaien voor hooi. De teruggevonden archeologische sporen wijzen op een tijdelijke aanwezigheid van Bataafse en andere Germaanse, alsook Gallische en Spaanse hulptroepen. Buiten de oostelijke poort stond misschien nog een tweede complex, waarvan de meeste funderingssporen echter zijn verdwenen.

Het praetorium lijkt in ieder geval tot kort vóór het uitbreken van de Bataafse Opstand in gebruik te zijn gebleven. Er is een bronzen schijf gevonden, die dienstdeed om eigendommen van een naam te voorzien. Op de zilverfolie waarmee deze schijf is bedekt, is de naam te lezen: thumb|De bronzen schijf van Gaius Aquilius Proculus in het Valkhof Museum