De Slag om de Grebbeberg (11 - 13 mei 1940) is een episode tijdens de Duitse inval in Nederland, die werd gekenmerkt door hevige gevechten. Een Duitse legermacht van ongeveer 23.000 man probeerde bij de Grebbeberg ten oosten van Rhenen door de Grebbelinie te breken. Deze werd drie dagen lang tegengehouden door eenheden van het IIe Legerkorps – met name het 8e en 19e regiment infanterie – terwijl het Nederlandse leger reserves liet aanrukken. Op 13 mei mislukte een belangrijke Nederlandse tegenaanval ten noorden van de berg; tegelijkertijd werd op de berg zelf de achterste hoofdstelling onder de voet gelopen en brak het moreel van de reserves, continu bestookt door artillerievuur en die dag ook door duikbommenwerpers, waardoor ze naar het westen wegvluchtten. Er werd besloten de hele Grebbelinie te ontruimen; op 14 mei werd het Nederlandse Veldleger succesvol op de Nieuwe Hollandse Waterlinie, het oostfront van de Vesting Holland, teruggenomen.
Achtergrond Het Duitse Achttiende Leger, waarvan de hoofdsterkte bestond uit twee legerkorpsen, had de opdracht de Vesting Holland in te nemen. De Grebbelinie maakte deel uit van de verdedigingswerken van de hoofdverdedigingslinie ten oosten van de Vesting Holland. Eén korps, het 10e Legerkorps, zou de voor de hand liggende opmarsroute nemen over de IJssel voor een aanval vanuit het oosten. Het andere, het 26e Legerkorps, dat door Noord-Brabant moest oprukken, zou voor een strategische verrassing zorgen: luchtlandingseenheden zouden de Moerdijkbruggen en de bruggen bij Dordrecht en Rotterdam veroveren zodat het korps, versterkt door de 9e Pantserdivisie, de Vesting Holland direct vanuit het zuiden kon binnendringen om zo de Nederlandse verdediging, sterk op het oosten gericht, op het verkeerde been te zetten. De Luftwaffe zou een aparte luchtlandingsoperatie organiseren, bedoeld om Den Haag met regering en al in één klap in Duitse handen te laten vallen. Men hoopte zo de Nederlanders al meteen tot overgave te bewegen, maar ook als dat zou mislukken, nam men aan dat de onverwachte hoofdaanval vanuit het zuiden de Nederlandse verdediging binnen enkele dagen zou doen ineenstorten.
Een succesvol offensief tegen de Grebbelinie was niet essentieel voor het welslagen van dit plan — hoe dan ook zou een aanval daar de Nederlanders afleiden en hun krachten binden — maar het Duitse opperbevel ging ervan uit dat het Nederlandse leger zo zwak was dat de Grebbelinie snel doorbroken zou moeten kunnen worden, vooral omdat men abusievelijk veronderstelde dat de Nederlandse hoofdweerstand bij het oostfront van de Vesting Holland geboden zou worden, zoals inderdaad oorspronkelijk in de bedoeling gelegen had. Daarbij zouden bij een onverhoopte mislukking van de luchtlandingen, troepen verschoven kunnen worden naar het alternatief: de oostelijke aanvalsas.
De Nederlanders hadden twee legerkorpsen, met samen vier infanteriedivisies, in de linie opgesteld: in het noorden het IVe Legerkorps met de 7e en 8e Divisie en in het zuiden het IIe Legerkorps met de 2e en 4e Divisie. De Nederlandse divisies waren weliswaar 40% kleiner dan hun Duitse tegenhangers en zouden op 10 mei nog verder verzwakt worden doordat twee reservebataljons naar het westen gestuurd werden in reactie op de luchtaanval, maar de Duitsers hadden geen numeriek overwicht: men beschikte slechts over twee reguliere infanteriedivisies, 207. ID en 227. ID, en een Waffen-SS-Standarte of regiment. De manschappen van die infanteriedivisies waren meestal ook nog eens half getraind: het waren zogenaamde Dritte Welle, divisies die men in september 1939 had geformeerd uit territoriale eenheden, de Landwehr. Veertig procent bestond uit oudere mannen boven de veertig, veteranen uit de Eerste Wereldoorlog. Deze kern had men voornamelijk aangevuld met oudere reservisten die in mei de gevechtsopleiding nog niet voltooid hadden; slechts twaalf procent bestond uit volledig opgeleide jonge reservisten — deze laatste groep was echter oververtegenwoordigd in de echte gevechtsfuncties. Dit soort divisies kreeg niet de modernste wapens en vooral het aantal vrachtwagens was beperkt en daarmee de mobiliteit. Een laatste probleem was dat in de Poolse Veldtocht weinig ervaring was opgedaan, hoewel juist regimenten van 207 ID in de Poolse Corridor daadwerkelijk aan de gevechten hadden deelgenomen. Deze nadelen had men gecompenseerd door deze divisies een grotere sterkte aan manschappen te geven en daarbovenop de concentratie aan lichte ondersteunende wapens te verhogen.
Dat men met zulke derderangseenheden toch een snelle overwinning verwachtte te boeken, kwam doordat het Nederlandse leger er nog erger aan toe was. Niet alleen was dat al even halfgetraind en onervaren — het ontbrak aan professionele krachten en vooral binnen de verschillende staven waren ernstige tekorten aan goed opgeleide officieren — het bewapeningsniveau was dat van een leger uit de periode van de Eerste Wereldoorlog. Het aantal machinegeweren was een derde onder organieke sterkte en het aantal lichte ondersteuningswapens per divisie was erg laag: slechts 24 stukken 47mm-antitankgeschut, achttien mortieren en twaalf stukken licht veldgeschut. Op het laagste niveau hadden de groepen simpelweg geen mortieren en in een derde van de gevallen ook geen machinegeweren. Bij de Grebbelinie werd dit gedeeltelijk gecompenseerd doordat men veel kleine betonnen of gietstalen kazematten met een machinegeweer aangelegd had. Mochten die kazematten echter uitgeschakeld worden door vijandelijk vuur of omtrokken worden, dan was een flexibele verdediging erg lastig uit te voeren want daarvoor ontbrak het de eenheden aan vuurkracht en getraindheid: de verouderde zware Schwarzlose-machinegeweren waren te zwaar om ze eenvoudig te dragen; ook de veel talrijker maar eveneens verouderde lichte Lewis M.20-machinegeweren waren tamelijk log en werden daarbij geplaagd door een lage vuursnelheid en uitval door schokken. De Duitse eenheden voerden bij de aanval lichte mortieren met zich mee en licht 37mm-pantserafweergeschut dat ze gebruikten om machinegeweernesten uit te schakelen; deze methoden pasten de Nederlandse troepen helemaal niet toe.
thumb|300px|Gereconstrueerde loopgraaf op de Grebbeberg De nadelen van een verouderde en ontbrekende bewapening werden nog eens verergerd door een gebrekkige inrichting van de stellingen. Sinds de Eerste Wereldoorlog had de infanterietactiek een snelle verandering ondergaan maar het Nederlandse leger had die ontwikkelingen maar half kunnen bijbenen. Voor een groot deel baseerde men zich nog op de typische stellingbouw uit de Eerste Wereldoorlog: de stellingen waren van oost naar west grofweg onderverdeeld in voorposten, frontlijn en stoplijn, waarbij "frontlijn" en "stoplijn" nog het karakter droegen van een ouderwetse continue eerste en tweede loopgraaf. Die kenmerken echter die de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog zulke formidabele hindernissen gemaakt hadden: ruime open schootsvelden, hoge honderden meters diepe prikkeldraadversperringen en dichte mijnenvelden, ontbraken hier. Op foto's ziet men de loopgraven door een tamelijk ongeschonden en rustiek landschap kronkelen met een rijtje paaltjes ervoor waartussen wat draadjes gespannen zijn. Men had niet over durven gaan tot de totale kaalslag van 20.000 hectare die eigenlijk noodzakelijk was. Bovendien ontbraken de grote groepsschuilplaatsen en opslagcapaciteiten die de vroegere loopgraven wel kenmerkten. Moderne tactieken zoals zoneverdediging, waarbij eenheden niet langer naast elkaar in een loopgraaf werden opgesteld (wat ze kwetsbaar maakte voor artillerievuur en een doorbraak) maar in verdiepte stellingen, gevormd door elkaar ondersteunende "eilandjes", werden onvoldoende toegepast. Alleen in de voorposten en achter de frontlijn waren er diepere losse ondersteunende posities maar het effect daarvan was gering: doordat men het terrein onvoldoende geruimd had, waren er vele dode hoeken in het landschap die de vijand evenzovele kansen boden op een risicoloze infiltratie. Kazematten, hoe nuttig ook, konden dit niet opvangen, want die hadden de dode hoeken al ingebouwd zitten.
thumb|300px|De Grebbelinie met in blauw de inundaties De Grebbelinie had echter ook een sterk punt en dat vormden de inundaties. Grote delen van het voorterrein konden tot kilometers ver onder water gezet worden en dwongen de vijand zich te concentreren op de weinige accessen die een droge opmars garandeerden. Een van die toegangsroutes was de weg Wageningen-Rhenen. Doordat een (bomvrij) gemaal in het riviertje de Grebbe nog niet klaar was, was het voorterrein daar over een paar kilometer breedte droog en daarom werd dit uitgekozen als een van de twee aanvalsassen van het Duitse offensief tegen de Grebbelinie, die van de 207. Infanteriedivision.
Natuurlijk was dit voordeel van de zogenaamde "kanalisering" alleen werkelijk nuttig als de verdediger daar zelf ook zijn troepen concentreerde en wel liefst tot het maximum van deployering, zodat er een echte paswerking ontstond die de vijand het voordeel van een numerieke overmacht ontzegde. Dit nu werd door de Nederlanders grotendeels nagelaten. Men kon op de Grebbeberg in de breedte ongeveer een regiment infanterie tegelijkertijd inzetten en er lág ook een regiment Nederlandse infanterie, het 8e Regiment Infanterie van de IVe Divisie — maar dat was over vier stellingen in de diepte verspreid (bij de spoorlijn van Rhenen lag nog een laatste opvangstelling, de Ruglijn) zodat de aanvaller toch per stelling een drievoudig overwicht kon bereiken. Men had geen radicale keuze durven maken voor een bepaalde tegenconcentratie: men hoopte door de verdediging in de diepte voldoende tijd te winnen om de nodige reserves aan te laten rukken en vanuit de stoplijn eventuele vijandelijke penetraties te kunnen corrigeren.
Voor de bestorming van de voorste stellingen wilden de Duitsers het SS-regiment gebruiken, de SS-Standarte Der Führer. Ook de andere infanteriedivisie, de 227e, had eerst zo'n regiment toegewezen gekregen, de Leibstandarte SS Adolf Hitler, maar die was op 11 mei grotendeels van de Veluwe teruggeroepen om in Noord-Brabant ingezet te worden nadat daar op 10 mei de spoorbrug van Gennep in Duitse handen gevallen was en de Peel-Raamstelling doorbroken. De SS-troepen waren ideaal voor zo'n opdracht. Ze waren jong, fysiek volkomen fit, goed getraind en hadden een zeer goed moreel tot op het fanatieke af. Onderofficieren en sommige groepen waren uitgerust met een pistoolmitrailleur, zoals de MP38, waardoor de SS-eenheden in het directe gevecht een overwicht aan vuurkracht hadden. Toch kan men Der Führer niet simpelweg als een militaire elite-eenheid beschouwen. De manschappen hadden geen enkele gevechtservaring (behalve het straatgevecht) en het Duitse leger had een lage dunk van de SS'ers, waarvan men de training als onvoldoende beschouwde.Herman Amersfoort, Mei 1940, p. 112: "Zij paarden een overdreven elitebewustzijn en een sterke wil zich op het slagveld te bewijzen aan een gebrekkige militaire opleiding en een minimale gevechtservaring. Het waren angriffsfreudige, fysiek sterke en goed bewapende vrijwilligers die niet gehinderd werden door al te veel kennis van het gevecht."
De slag Na hevige gevechten wisten de Duitsers op zaterdag 11 mei de voorpostenlijn in te nemen en op zondag 12 mei door de frontlijn te breken. Op 13 mei 1940 werd ook de Stoplijn doorbroken; een grote Nederlandse tegenaanval door vier bataljons mislukte en er brak door een luchtbombardement massale paniek uit bij de troepen in de ruglijn waarna het Nederlandse Veldleger zich losmaakte van de vijand en terugtrok op de stellingen van het oostfront van Vesting-Holland, de Nieuwe Hollandse Waterlinie.
11 mei De voorpostenlijn valt