thumb|De cairn van Barnenez Bretagne is een van de meest karakteristieke streken van Frankrijk, zowel door zijn geografische ligging als door zijn lange geschiedenis aan de Europese Atlantische kust, tussen land en zee, tussen Engeland en Frankrijk.
Sinds de oudheid zijn de grenzen van Bretagne vaak veranderd. Door de lagere zeespiegelstand gedurende verschillende glacialen van het pleistoceen was tijdens de prehistorie de kustlijn heel anders dan nu. Op plaatsen die nu onder zeeniveau liggen zijn veel menselijke nederzettingen ontdekt, waarvan sommige wel 50.000 jaar oud zijn. Tijdens de laatste ijstijd was het zeeniveau ongeveer 100 meter lager dan tegenwoordig. Toen de gletsjers ongeveer 10.000 jaar geleden smolten, steeg het zeeniveau zeer snel. Grote stukken land overstroomden en de huidige kustlijn werd gevormd, met lange smalle inhammen als restanten van de oude door de zee overstroomde rivierdalen.
Prehistorie (tot 3000 v.Chr.) Megalietenbouwers thumb|Prehistorische stenen bij Carnac Rond 5000 voor Christus, bij het begin van het neolithicum, worden de sporen van menselijke aanwezigheid talrijker. De prehistorische mensen bewerkten het land en probeerden hier een bestaan op te bouwen. Ze vervaardigden bijlen en gepolijst graniet, dat ze verhandelden in het Rhônedal, in Zuidoost-Frankrijk en in Engeland.
De sociale organisatie met taakverdeling was in die tijd stabiel, getuigen daarvan zijn de indrukwekkende megalithische monumenten. Sommige megalithische graven of dolmens ("stenen tafel" in het Bretons) hadden de vorm van een grafkamer, die men via een lange gang bereikte; het zijn enorme blokken steen die met een grafheuvel waren bedekt. De oudste dolmen, uit 4600 voor Christus, is de Cairn van Barnenez. De belangrijkste concentratie van dolmens bevindt zich in Carnac. Sommige, zoals de Reus van Locmariaquer, zijn 20 meter hoog. Minstens even spectaculair zijn de menhirs; imposante, opstaande stenen die waarschijnlijk een religieuze functie hadden in een godsdienst die gericht was op de hemellichamen.
Oudheid (3000 v.Chr. – 476 n.Chr.) De Kelten Omstreeks 500 voor Christus werd het schiereiland Armorica of 'land van de zee' ingenomen door Kelten. Vijf stammen vestigden zich hier: de Osismen (in Finistère), de Veneti (in Morbihan), de Coriosoliten (in Côtes-d'Armor), de Redones (in Ille-et-Vilaine) en de Namneten (in Loire-Atlantique). De Kelten woonden in kleine dorpen en versterkte nederzettingen. Het waren landbouwers die ook ijzer bewerkten, munten sloegen en overzeese handel dreven. Het bestuur was in handen van een adel van krijgers en van geestelijken, de druïden. De natuurkrachten schreven ze toe aan verscheidene goden die ze met offers vereerden. Rondtrekkende barden (dichters-muzikanten) bezongen de heldendaden van mythische helden.
Armorica en de Romeinen thumb|De poort van fort Aleth In 57 v.Chr. bezetten de Romeinen Armorica en de rest van Gallië. Een jaar later kwamen de Veneti in opstand en verschansten zich op de rotsige klippen van de Atlantische kust. Met moeite wist Julius Caesar hen te verslaan in een zeeslag buiten de Golf van Morbihan. Armorica werd toegevoegd aan de provincie Lugdunensis, en bleef 400 jaar lang onder Romeins bestuur. De provincie werd verdeeld in vijf gebieden, die overeenkwamen met de Keltische stammengebieden. Een wegennet en een paar nieuwe kleine steden, zoals Condate (nu Rennes), Darioritum en Condevincum (nu Nantes) versnelden het proces van romanisering. Terwijl baden, amfitheaters en villa's de invloed van de Romeinse beschaving toonden, werden de Keltische en de Romeinse goden gezamenlijk vereerd. Op het platteland was de Romeinse aanwezigheid, en dus ook hun invloed, gering.
Toen in de 3e, 4e eeuw het Romeinse Rijk begon in te storten, werd het gebied instabiel. Frankische en Saksische piraten plunderden de steden, en de bevolking sloeg op de vlucht. De kustlijn werd onvoldoende beschermd door forten, zoals Aleth (dicht bij Saint-Malo) en Le Yaudet (in Ploulec'h). Bij het begin van de 5e eeuw werd Armorica door de Romeinen aan zijn lot overgelaten.
Middeleeuwen Aankomst van de Britten thumb|Nederzettingen in de 6e eeuw Tijdens de 6e eeuw staken grote aantallen Britten (Keltische stam) uit Wales en Cornwall het Kanaal over om zich te vestigen in Armorica, dat ze ‘Klein-Brittannië’ of ‘Bretagne’ noemden. Het was een vredige invasie die 200 jaar duurde. Onder de nieuwkomers waren vele christelijke monniken, die een Keltische variant van het christendom invoerden. Op eilandjes buiten de kust werden geïsoleerde hermitages of kluizenaarshutten gebouwd en de kloosters werden geleid door abten die ook rondtrekkende bisschoppen waren. Onder hen waren Brieuc, Malo, Tugdual (in Tréguier) en Samson (in Dol); met Gildas, Guénolé, Méen en Jacut, die vanaf de 8e eeuw onderwerp van hagiografieën werden. Ze inspireerden de religieuze tradities die nog altijd bestaan; getuigen daarvan zijn de bedevaarten en pardons zoals de Troménie in Locronan.
Zo'n 1500 jaar geleden was Locronan een uniek centrum van Keltische religie. De heilige Ronan zou hier rond 500 tegen het heidendom gepredikt hebben. Met Keltische astronomische referentiepunten was een nemeton aangelegd, een vierzijdig circuit van 12 km, onderbroken door 12 bakens die overeenkwamen met de 12 cycli van de maankalender. Hoewel benedictijner monniken deze Keltische plaats innamen om er een priorij te bouwen, overleefde de omtrek van de heilige route de komst van het christendom. De Keltische astronomische merktekens werden de twaalf stopplaatsen van een processie. Het woord troménie is afgeleid van de Bretonse woorden "tro" (ronde) en "miniby" (kloosterland). De oudste troménie gaat terug tot 1299. De grande troménie zorgt ervoor, dat de pelgrim naar de hemel gaat en staat gelijk aan drie petites troménies.
De Britse immigranten voerden de typisch Bretonse plaatsnamen in. Het voorvoegsel plou (in bv. Plouharnel) of zijn varianten plo, plu of plé, komt van het Latijnse plebs (het gewone volk) en het verwijst naar een gemeenschap van christenen. Lan (zoals in Lannion en Lannilis) staat voor 'klooster'. Tré (zoals in Trégastel), van het oude Britse woord treb, betekent een bewoonde plaats. Ker (zoals in Kermanach), betekent 'hoeve van ...', in dit geval hoeve van Manach. De concentratie van deze plaatsnamen in West-Bretagne, en de frequente namen die op -ac eindigen in het oosten, van het Latijnse acum (zoals in Trignac, Sévignac), duidt op een culturele tweedeligheid. Dit bewijst onder meer de aanwezigheid van twee talen: het Frans en het verwante Gallo, afgeleid van het Latijn, ten oosten van de lijn La Baule-Plouha, en het Keltische Bretons ten westen ervan.
Het Bretonse koninkrijk
Van de 6e tot de 10e eeuw verdedigde het schiereiland, dat nu Britannia heette, zich met succes tegen de pogingen van de Frankische koningen die Gallië beheersten, om de streek in handen te krijgen. Vele keren vielen de Merovingen Bretagne binnen, maar hun invloed was van korte duur en de Bretons bleven onafhankelijk. Krijgshaftige plaatselijke leiders of onderkoningen zorgden voor het bestuur. De machtige Karolingische dynastie kon alleen een bufferzone instellen, een zogenaamde mark, die liep van de Baai van Mont Saint-Michel tot aan de monding van de Loire. Vanaf ongeveer 770 werd deze mark bestuurd door Roland, een neef van Karel de Grote.
In de 9e eeuw vestigden de Bretons een onafhankelijk koninkrijk, waarvan de grenzen tot Angers in het oosten, Laval in het zuiden en Cherbourg in het noordwesten liepen. Nominoë, die Karel de Kale versloeg in de Slag bij Ballon in 845, was de eerste koning. Zijn zoon, Erispoë, volgde hem op, maar werd in 857 vermoord door zijn neef Salomon. Diens regering, tot 874, was het hoogtepunt van de Bretonse monarchie. De politieke onafhankelijkheid van Bretagne werd nog versterkt door de geestelijkheid, die zich afzette tegen het bisdom van Tours. Het was een bloeitijd van de benedictijner abdijen, die rijke centra van cultuur waren. Mooie geïllumineerde manuscripten en de historische Cartulaire de Redon zagen het licht.
De invasie van de Noormannen Vanaf het einde van de 8e eeuw namen de aanvallen van de Scandinavische Noormannen toe. Ze voeren de Bretonse zeearmen en inhammen in, plunderden steden en kloosters, en zaaiden dood en vernieling. Volledige kloostergemeenschappen vluchtten oostwaarts en namen hun heiligenrelieken mee. Na de moord op Salomon in 874 brak in Bretagne chaos uit. De orde leek weer te keren, toen koning Alain Barbetorte Nantes in 937 heroverde en de Noormannen in 939 bij Trans versloeg. Deze Vikingen vestigden zich in het aangrenzende Normandië en hun plundertochten werden minder talrijk.
Feodaal Bretagne thumb|Château de Josselin
Vanaf de 10e tot de 14e eeuw werd Bretagne langzaam een feodale staat. Er bleef enige onafhankelijkheid van de Franse en de Engelse koningen, die beiden op Bretagne aasden. In de 12e eeuw ontsnapte Bretagne, inmiddels een graafschap, ternauwernood aan inlijving bij het Anglo-Angevijnse koninkrijk van de Plantagenets. Willem de Veroveraar, die de Slag bij Hastings in 1066 had gewonnen, had Normandië en Engeland verenigd. Zijn opvolger Henry Plantagenet was tevens graaf van Anjou. In 1156 nam hij Conan IV, graaf van Bretagne, onder zijn hoede. Conans dochter, Constance, moest trouwen met Geoffroy, zoon van de koning van Engeland en broer van Richard Leeuwenhart en Jan zonder Land. In 1203 vermoordde deze laatste Geoffroys zoon, Arthur, en zo kwam Bretagne onder het gezag van de Engelse koning. De Franse koning, Filips II August, dwong vervolgens de halfzuster van Arthur, Alix, te trouwen met een Franse prins, Pierre de Dreux. Bretagne kwam toen als koninklijk leengoed onder de rechtstreekse controle van de Franse Kroon. De graaf van Bretagne betuigde zijn respect aan de Franse koning en zegde hem zijn loyaliteit en steun toe. Ondanks deze ontwikkelingen ontwikkelde zich een eigen Bretonse staat. In 1297 maakte de Franse koning Filips de Schone van de leenstaat een vazalhertogdom. Hoewel hij als vazal gebonden was aan de Franse koning, zat de graaf (toen hertog) van Bretagne tegen de 13e eeuw stevig genoeg in het zadel om onafhankelijk te worden. Als hertog van Richmond, in Yorkshire, was hij ook vazal van de Plantagenet-koning en zo kon hij een voorzichtige politieke koers varen tussen de twee monarchen. In Bretagne was zijn autoriteit echter beperkt door de macht van zijn leenheren, die uit hun veilige, onneembare kastelen grote leengoederen beheerden. Onder hen waren bv. de baronnen van Vitré en Fougères, op de grens van Normandië, en de burggraaf van Porhoët, die uit het Château de Josselin over 140 dorpen en 400.000 ha land heerste.
Het leven in de stad en op het land tijdens de middeleeuwen De bewoners van het platteland lijken in Bretagne vrediger te hebben geleefd dan in de rest van Frankrijk. In het westen van het schiereiland bestond een ongebruikelijk soort leenbezit dat tot de Franse Revolutie voortduurde. Elk stuk land had twee eigenaars: de ene bezat het land en de andere de gebouwen en de oogst. Geen van beiden kon eruit gezet worden zonder betaling voor de waarde van zijn eigendom. De kleine steden kenden geen zelfstandig bestuur. Ze waren bijna allemaal versterkt, en vele lagen aan een inham. Stadsbewoners leefden vooral van de linnenhandel. Het feodale Bretagne was zeer religieus. Waar de bevolking groeide en nieuwe gehuchten kwamen, nam ook het aantal parochies toe, met in hun namen het voorvoegsel loc (zoals Locmaria) of ker (zoals Kermaria). Het oude heidense geloof versmolt met de verering van oude Bretonse heiligen; rond hun relieken, vonden pardons en bedevaarten plaats. De bekendste is Tro Breizh, een ronde door Bretagne van ongeveer 650 km, langs heiligdommen in Saint-Malo, Dol, Vannes, Quimper, St.- Pol, Tréguier en Saint-Brieuc.
Bretonse Successieoorlog thumb|Karel van Blois wordt gevangengenomen tijdens de slag bij La Roche-Derrien (1347)