thumb|Maquette van het legerkamp op de Hunnerberg opgesteld in het Valkhof Museum Ulpia Noviomagus Batavorum was, naar algemeen wordt aangenomen, de naam van Nijmegen in de laat-Romeinse tijd. Het was de hoofdstad van de Civitas Batavorum (zie ook Germania Secunda). Mogelijk was de volledige naam Municipium Ulpia Noviomagus Batavorum. Deze stad was strategisch bij de heuvels aan de rivier de Waal gelegen. Omtrent de precieze locatie bestaat geen zekerheid, maar deze kwam vermoedelijk min of meer overeen met waar nu de Nijmeegse wijk Waterkwartier is.
Iets oostelijker moet eerder de Bataafse nederzetting Oppidum Batavorum ("vesting van de Bataven"), ook bekend als Batavodurum ("versterkte stad van de Bataven") hebben gelegen, tot aan de verwoesting hiervan tijdens de Bataafse Opstand in 69 n. Chr. De hierna verrezen plaats lijkt omstreeks het begin van de tweede eeuw in ieder geval marktrechten te hebben gekregen; de Romeinse stadsrechten kwamen er mogelijk pas ongeveer een eeuw later (zie verder #Verband met toekenning Romeinse stadsrechten).
Voorgeschiedenis De vroegste sporen die duiden op bewoning in het gebied in en rond het huidige Nijmegen zijn enkele grafkuilen uit het late neolithicum (ca. 2000 v.Chr.) op het Kops Plateau. Verder zijn er een aantal grafheuvels gevonden uit de bronstijd, waarin de gecremeerde resten van meerdere personen zijn aangetroffen (ca. 1100-500 v.Chr.); ook zijn sporen van een cultusplaats gevonden. Deze vondsten houden nog geen verband met de latere Romeinse tijd.
Oppidum Batavorum/Batavodorum
De naam Oppidum Batavorum is voornamelijk bekend van een vermelding bij de Romeinse geschiedschrijver Tacitus in diens Historiae. Deze nederzetting moet door de Romeinen zelf zijn gesticht, om de Bataven en te huisvesten en tegelijkertijd grip op hen te houden. De stichtingsdatum lijkt nog vóór het begin van de christelijke jaartelling te zijn geweest.Geschiedenis van het Valkhof, valkhof.nl
Andere vondsten thumb|Triomfzuil van Tiberius in het Valkhof Museum.Van links naar rechts, voor: TIB(e)R(ius) C(ae)SAR wordt gelauwerd door Victoria, terwijl hij een plengoffer brengt. Links: Apollo. Achter: Ceres. Rechts: Diana. De zuil moet oorspronkelijk 3,5 meter hoog zijn geweest en stond op een prominente plaats in Oppidum Batavorum Uit de vroeg-Romeinse tijd dateert ook de hier deels teruggevonden godenpijler, die blijkens de inscriptie TIBR/CSAR aan Tiberius is opgedragen. De afbeelding van Tiberius die wordt gelauwerd door Victoria, de godin van de overwinning, wordt in verband gebracht met de expedities van Germanicus.
Ook van belang zijn muntvondsten die gedateerd kunnen worden omtrent 28 n.Chr. en daarom in verband worden gebracht met de opstand van de Friezen. Gelijksoortige muntvondsten zijn uit Friesland bekend: het geld zou in de paniek na de opstand van de Friezen begraven zijn.
Een teruggevonden altaar is door de burger Marcus Liberius Victor (een Nerviër) gewijd aan de Matres Mopates, drie verder weinig bekende moedergodinnen.
Oorsprong naam De naam Ulpia Noviomagus Batavorum dateert naar het zich laat aanzien uit de periode van 69 n.Chr. - tweede eeuw n.Chr., de midden-Romeinse tijd.
Johannes Smetius, een 17e-eeuwse oudheidkundige die veel bezig was met de oorsprong en geschiedenis van Nijmegen en de rest van Gelderland, gaat in het elfde hoofdstuk van zijn hoofdwerk Oppidum Batavorum seu Noviomagum (1645) uitgebreider in op de naam Noviomagus, met name op het tweede, Keltische deel. Smetius stelt hier dat de eigenlijke naam van Oppidum Batavorum mogelijk Magum ("versterking") was geweest, wat dan bij de herbouwing "nieuw-Magum" werd. Het feit dat in Smetius' eigen tijd de Kelten en de Bataven vaak aan elkaar werden gelijkgesteld (en tevens werden gezien als de allereerste bewoners van het huidige Nederland, een opvatting die inmiddels volkomen is losgelaten) voerde hij op om deze theorie te staven.
Verband met toekenning Romeinse stadsrechten Er zijn geen overgeleverde documenten uit de Romeinse tijd voorhanden waarin letterlijk het toekennen van stadsrechten/zelfbestuur aan Ulpia Noviomagus aan de Waal wordt bevestigd. De naam Ulpia [Noviomagi] wordt niettemin genoemd in de gedenktekst van een stenen altaar dat in de 19e eeuw is teruggevonden in de Duitse plaats Pfünz (Beieren). De tekst in kwestie is afkomstig van een Bataafse ritmeester. Het opschrift luidt: Genio castror)um T. Fl(avius) Rom(a)nus Ulpia Noviomagi Bataus dec(urio) al(ae) I Flaviae praepositus (Aan de Genius van de legerplaats (wijdt) Titus Flavius Romanus, afkomstig uit Ulpia Noviomagus, een Bataaf, ritmeester van de ala I Flavia, chef van...., dit altaar). Het lijkt hier dus duidelijk om de tweede naam (gensnaam) van keizer Marcus Ulpius Traianus te gaan. Deze tekst wordt door historici over het algemeen op Romeins Nijmegen van toepassing geacht, ondanks het feit dat de steen elders is gevonden. Dit geldt als een indirecte, maar belangrijke aanwijzing dat het toekennen van de markt-/stadsrechten aan Romeins Nijmegen moet zijn gebeurd tussen 98 (het jaar waarin Trajanus aantrad als nieuwe Romeinse keizer) en op zijn laatst 104 n.Chr.Vooral de archeoloog en hoogleraar Jules Bogaers was een groot voorstander van dit idee. In dat laatste jaar trok het Tiende Legioen zich uit deze plaats terug, om in plaats daarvan versterking te gaan bieden in de provincie Aquincum.
Midden-Romeinse tijd Het legerkamp op de Hunnerberg, tweede periode (70 n.Chr.) thumb|Schematische weergave van Ulpia Noviomagus Batavorum en het verkleinde Hunnerbergkamp met de vicus eromheen (tweede eeuw) Na de Opstand van de Bataven (69 n.Chr.) vestigde Legio X Gemina Pia Fidelis zich op de Hunnerberg, volgens de klassieke literatuur ter aflossing van Legio II Adiutrix op dezelfde plek. Dit legioen kwam uit Hispania en was in allerijl door keizer Vespasianus naar de Hunnerberg gezonden. In eerste instantie verbleef het Tiende Legioen in een houten kamp, maar twintig jaar later werd een stenen castrum gebouwd. Er zijn talloze potscherven, dakpannen, stukken waterleiding en een riool,Van bron tot kraan. De aquaductroute van Berg en Dal naar Nijmegen. Ook vindbaar via Aquaduct Groesbeek onderdelen van uitrustingsstukken, en zelfs grafstenen teruggevonden die herinneren aan de aanwezigheid van dit legioen, waarvan de Nijmeegse periode het best gedocumenteerd is. Daarnaast duiken er in deze periode opvallend veel familienamen Ulpii op, een andere belangrijke aanwijzing. Naar het castrum liep vermoedelijk een aquaduct vanaf de sprengen in natuurgebied (later onderdeel van het Nederrijkswald); aldaar lijken sporen te zijn gevonden in de vorm van kunstmatig aangelegde dalen.
Het Tiende Legioen stichtte vermoedelijk omstreeks het jaar 70 een nieuwe nederzetting aan de Waal, iets ten westen van de plek waar tot kort daarvoor Oppidum Batavorum had gelegen. Deze nieuwe nederzetting kreeg onder keizer Trajanus marktrechten en de naam Ulpia Noviomagus Batavorum. Aan de zuidkant van het Kops Plateau verrezen een forum en een pakhuis. Bij Holdeurn, een aantal kilometer oostelijker, werd een steenbakkerij ingericht, die voornamelijk dakpannen, maar ook potten maakte. De producten van deze steenbakkerij worden vanaf het eind van de eerste eeuw tot in de derde eeuw in deze omgeving afgezet.
Kort na het bouwen van het stenen castrum vertrok het Tiende Legioen naar oostelijke delen van het Romeinse Rijk. Later verbleven hier Legio XXX Ulpia Victrix, dat bekend is uit Xanten, en Legio IX Hispana uit Eboracum (York). De aanwezigheid van deze legioenen leidt men voornamelijk af uit stempels die zijn teruggevonden op baksteen en aardewerk. Het kamp werd omgeven door de cannabae legionis, een burgerlijke nederzetting bestaande uit kroegen, werkplaatsen, badhuizen en winkels die voorzagen in de dagelijkse noodzakelijkheden voor de milites; hier waren de vrouwen en kinderen van de soldaten ondergebracht.
Op het hoogtepunt, tegen het midden van de tweede eeuw, telde Ulpia Noviomagus Batavorum naar schatting 5000 à 6000 inwoners; een inwoneraantal dat pas ongeveer duizend jaar later door Utrecht zou worden geëvenaard. Deze schatting (gedaan door Hendrik Brunsting) is onder meer gebaseerd op het bebouwde oppervlak (ca. 35-40 hectare.) en het aantal teruggevonden graven (ca. 12.500). De plaats lijkt deze tijd een vrij open karakter te hebben gehad, en was mogelijk begrensd door evenwijdige greppels.
Belangrijke vondsten Uit het laatste kwart van de 1e eeuw zijn weinig archeologische sporen teruggevonden, waarschijnlijk als gevolg van ingrepen die hier in latere tijden in de bodem zijn gedaan. Dit maakt het erg moeilijk om met zekerheid iets te zeggen over de topografie in deze tijd.
In 1834 is er een eerste opgraving gedaan. Het archeologisch onderzoek in de bodem in en nabij Nijmegen werd begin 20e eeuw echt in gang gezet door Jan Hendrik Holwerda, wiens interesse was gewekt door sporen uit de Romeinse tijd die hier gevonden waren. Holwerda bleek er met een deel van zijn veronderstellingen (bijvoorbeeld dat Oppidum Batavorum op het Kops Plateau moest worden gezocht en dat hij zelf de woning had teruggevonden van Julius Civilis, de leider van de Bataafse Opstand) achteraf geheel naast te zitten.Nijmegen, de stad zelf, Nijmeegs Glorie Niettemin heeft zijn onderzoekswerk wel veel nieuwe aanknopingspunten opgeleverd. Later hebben andere archeologen en historici het door Holwerda verrichte onderzoekswerk voortgezet. Het archeologisch onderzoek duurt tot op heden en er worden nog steeds soms nieuwe ontdekkingen uit de Romeinse tijd gedaan.
Zuidwestelijk van het kamp, in wat nu de wijk Altrade is, zijn de overblijfselen teruggevonden van een amfitheater dat oorspronkelijk voor de soldaten voor het Tiende Legioen was bedoeld, maar zeer waarschijnlijk ook door de gewone stedelingen werd bezocht. Dit theater zou plaats hebben geboden aan zo'n 12.000 toeschouwers. Cultuurwijzer Nijmegen (Hunerberg)
Ten zuidoosten van het castrum is een zeer groot Romeins grafveld gevonden, in het gebied dat tegenwoordig wordt begrensd door de Spoorlijn Arnhem - Nijmegen, de Voorstadslaan en de Marialaan. Mogelijk zijn hier alles bij elkaar zeker 12.500 begravingen geweest. Uit de gedane vondsten valt op te maken dat het onderscheid tussen militairen en burgers in deze periode vervaagde. Het terrein van het grote castrum uit de tijd van Drusus lijkt, opvallend genoeg, niet te zijn gebruikt voor begrafenissen.
Andere opvallende vondsten zijn de Romeinse schrijfplankjes, die elders vrijwel uitsluitend bekend zijn uit Romeinse legerplaatsen, en suggereren dat de bewoners geletterd waren. Drie bij elkaar gevonden terracotta beeldjes van Cybele duiden erop dat Romeinse invloeden ook in de religieuze sfeer waren doorgedrongen. (Ook de tempels van Hercules in Elst, die dateren uit de tweede eeuw, duiden hierop.)
In de periode 1920-1921 werden er aan het Maasplein de restanten blootgelegd van twee Gallo-Romeinse tempels. Naast deze tempels stond ook nog de Villa Maasplein.Tempels Ulpia Noviomagus, Vici.org
In 1975 begonnen onderzoekers van de Katholieke Universiteit Nijmegen opnieuw met opgravingen iets ten noorden van de Weurtseweg, wat echter nog weinig vondsten opleverde. Tien jaar later werd er opnieuw gezocht op de hoek van de Weurtseweg en Bronsgeeststraat. Deze keer werd de vermoedelijke oostelijke afgrenzing van de stad ontdekt, in de vorm van een brede gracht. Ook werden hier de restanten gevonden van een Romeinse stadsmuur, en de overblijfselen van twee pottenbakkersovens (dit laatste wordt als enigszins opmerkelijk gezien omdat Romeinse industrie waarbij sprake was van brandgevaar, veelal buiten de steden werd gehouden). Naar schatting dateerde dit alles uit de tweede helft van de 2e eeuw. In november 1985 werd bij een onderzoek aan de Dijkstraat ook een van de Romeinse straten gevonden, waarvan het wegdek uit grind bestond. In de buurt hiervan werden vijf of zes kleine metaalsmeltovens gevonden.