De Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel of General Agreement on Tariffs and Trade (GATT) is een internationaal handelsverdrag en de informele organisatie daaromheen. Kort na de Tweede Wereldoorlog werd besloten tot een verdrag ter bevordering van vrije handel tussen de deelnemende landen door het verlagen en vereenvoudigen van invoerheffingen en op 30 oktober 1947 werd het verdrag ondertekend. In eerste instantie was voorzien in een Internationale Handelsorganisatie (ITO), maar doordat de Verenigde Staten uiteindelijk afzagen van ratificatie, werd de ITO nooit opgericht en fungeerde de GATT lange tijd als minder ambitieus alternatief.

In verschillende GATT-rondes werden de afspraken keer op keer aangevuld en aangepast. Aangezien de nodige formaliteiten nooit hadden plaatsgevonden, kon geen samenwerkingsovereenkomst met de Verenigde Naties worden gesloten. Pas in 1995 met de Uruguay-ronde werd met de Wereldhandelsorganisatie (WTO) een formele organisatie opgericht, waar GATT onderdeel van werd.

Vanaf 1947 werden tijdens meerdere rondes de douanerechten omlaag gebracht, werden andere handelsbelemmeringen verwijderd en werden maatregelen genomen tegen dumping. Hoewel veel genoemd wordt dat het gemiddelde tariefniveau in 1947 op 40% lag, is het waarschijnlijker dat dit tussen de 20 en 30% lag. Daarbinnen is ook nog een onderscheid te maken tussen landen die al vroeg lage tarieven hadden, zoals Denemarken, Noorwegen, Zweden en de Benelux en landen die in de begintijd nog hoge tarieven hadden, zoals Frankrijk, Italië, Portugal en het Verenigd Koninkrijk. Tussen 1967 en 1972 daalde het gemiddelde tarief met 35%. Na de Uruguay-ronde in 1995 lagen de tarieven op gemiddeld 5%.WTO 2007

Werkwijze In de GATT-overeenkomst zijn een aantal spelregels opgenomen op het gebied van de handelspolitiek en verder vormde zij het platform voor periodieke algemene handelsbesprekingen waar vooral concessies met betrekking tot de verlaging van invoerheffingen werden uitgewisseld.

GATT-basisprincipes De basisfilosofie van de GATT is allereerst dat er gestreefd moet worden naar een stroomlijning en geleidelijke afbraak van de diverse naoorlogse handelsbelemmerende praktijken en wel op basis van een drietal principes: Non-discriminatie-principe – de regels gelden voor alle landen Transparantieprincipe Wederkerigheidsprincipe

Resultaten + MFN-tariefdalingen door geïndustrialiseerde landen, zonder aardolie Ronde Periode Landen Gewogen tariefvermindering Weging gebaseerd op Resultaat Genève 1947 23 -26% 1939 Concessies op 15.000 tariefartikelen Annecy 1949 33 -3% 1947 5000 tariefconcessies Torquay 1950-51 34 -4% 1949 8700 tariefconcessies Genève 1955-56 22 -3% 1954 Enkele concessies Dillon 1961-62 45 -4% 1960 4400 tariefconcessies Kennedy 1964-67 48 -38% 1964 33.000 gebonden tarieven, anti-dumpingrechten Tokio 1973-79 99 -33% 1977 (of 1976) Vrijwillige gedragscode voor niet-tarifaire belemmeringen, afgezien van een vrijwaringsclausule Uruguay 1986-94 103-117 -38% 1988 (of 1989) Overeenkomst inzake de landbouw, Overeenkomst inzake textiel en kleding, GATS, TRIPs en oprichting Wereldhandelsorganisatie Een nieuwe serie onderhandelingen werd een ronde genoemd. In alle ronden werd een verdrag bereikt dat de ondertekenaars hoofdzakelijk tot de verlaging van invoerheffingen verplicht. Vaak bevatten de akkoorden vele uitzonderingen voor bepaalde producten en landen.

Tijdens de eerste vijf ronden werd weinig vooruitgang gerealiseerd en werd gesproken over individuele producten. Bij de Kennedy-ronde, de zesde, werden de invoerrechten voor alle producten met eenzelfde percentage verlaagd. Hierbij streefde men naar een reductie van 50% op industriële producten. Tussen 1967 en 1972 daalde het tarief met 35%, niet helemaal het gewenste resultaat, maar desondanks was dit de grootste sprong voorwaarts die binnen het GATT werd bereikt. De onderhandelingen voor landbouwproducten waren in het algemeen moeilijk en ook in de Kennedy-ronde werd hier nauwelijks vooruitgang gemaakt.

Het doel voor de Tokioronde was een vermindering van de invoerrechten en niet-tarifaire belemmeringen voor industriële producten en landbouwproducten. Speciale aandacht ging verder uit naar de producten en grondstoffen die voor ontwikkelingslanden van belang waren. Ontwikkelingslanden waren teleurgesteld over het gebrek aan aandacht voor hun problemen tijdens de GATT-ronden en onder druk van deze landen is United Nations Conference on Trade and Development (UNCTAD) opgericht.

Aanloop thumb|left|Hawley en Smoot in 1929 Na de Tweede Wereldoorlog was de Verenigde Staten niet alleen de grootste militaire en economische macht, het was anders dan na de Eerste Wereldoorlog ook bereid om de politieke leiding te nemen. Een terugval naar het protectionisme volgend op de crisis van de jaren 1930 moest voorkomen worden. Zo had de Smoot–Hawley-tariefwet die crisis alleen maar versterkt doordat als reactie op deze beggar-thy-neighbour-politiek ook de tarieven verhoogden. Naar schatting daalde de reële internationale handel tussen 1929 en 1932 zo'n 33%, waarvan 14% door het dalende bruto nationaal product (bnp) in elk land, 8% door tariefverhogingen, 5% vanwege door deflatie veroorzaakte tariefverhogingen en 6% vanwege het opleggen van niet-tarifaire belemmeringen. (2001): 'Trade Barriers and the Collapse of World Trade During the Great Depression' in Southern Economic Journal, Volume 67, Issue 4, p. 848-868 In 1934 werd dan ook de Reciprocal Trade Agreements Act (RTAA) aangenomen waarmee de Verenigde Staten tussen 1934 en 1939 met 17 landen tot bilaterale overeenkomsten kwam met lagere tarieven. Aangezien deze overeenkomsten werden afgesloten volgens het principe van de meest begunstigde natie (MBN, of most favoured nation, MFN), golden deze tarieven direct voor alle landen.

Internationale handel was dan ook een belangrijk onderdeel van het systeem van Bretton Woods. De aanzet daartoe was al gegeven in het vierde punt uit het Atlantisch Handvest van 1941 tussen Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten van Amerika: [...] to further the enjoyment by all states, great or small, victor or vanquished, of access, on equal terms, to the trade and to the raw materials of the world which are needed for their economic prosperity'The Atlantic Charter'. Gearchiveerd op 8 december 2021.

thumb|Cordell Hull, door president Roosevelt de vader van de Verenigde Naties genoemd Daarmee verschilde deze benadering van die van de Geallieerde Economische Conferentie uit 1916 waarin de toenmalige geallieerden afspraken maakten om de Centrale mogendheden tijdens en na de oorlog te dwarsbomen, daarmee definitief een einde makend aan het liberale tijdperk. De Amerikaanse president Wilson voorzag dat de Verenigde Staten, op dat moment nog geen partij in de Groote Oorlog, buiten alle markten gehouden zouden worden waar de Britten domineerden en maakte – in afwijking van het Amerikaanse systeem van Henry Clay – bezwaar tegen economische discriminatie tegen welke staat dan ook en het vervangen van een militaire oorlog door een economische oorlog met daarbij het risico van een blijvende Europese fragmentatie en een volgende oorlog. (2004): Over Here. The First World War and American Society, Oxford University Press, p. 309-310 De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Cordell Hull keerde zich dan ook sterk tegen isolerende maatregelen als het Morgenthau-plan en zag sinds 1916 een ongestoorde internationale handel als recept voor vrede: From then on, to me unhampered trade dovetailed with peace; high tariffs, trade barriers, and unfair economic competition, with war. (1948): The Memoirs of Cordell Hull, Volume 1, p. 81

Afgezien van de Eerste Wereldoorlog hadden de Britten weliswaar sinds de tweede helft van de negentiende eeuw steeds meer de vrijhandel voorgestaan en onder meer de Graanwetten afgeschaft, maar in 1932 werden de Ottawa-overeenkomsten afgesloten waarbij de voorkeur werd gegeven aan preferentiële handel met hun Gemenebest. Na het verlaten van de goudstandaard verbonden deze landen hun munt aan de pond sterling en vormden het sterlinggebied. Die verschillen bleken ook in het Atlantisch Handvest. De Amerikanen zagen een open wereld voor zich, terwijl de Britten vasthielden aan de preferentiële handel en de mogelijkheid om tijdelijk invoerbarrières in te voeren. In een voorstel voor wat de Havana Charter for an International Trade Organization zou worden, werd een uitzondering gemaakt voor handelsbelemmeringen toe te staan in geval van problemen met de betalingsbalans of zelfs valutacrisis en voor bestaande preferentiële tarieven, al bleef de intentie om deze af te bouwen. Uiteindelijk werd het Havana Charter getekend door 53 landen, maar een meerderheid in het Amerikaans Congres was tegen. Er zouden te veel niet-handelgerelateerde zaken instaan en te weinig bescherming zijn voor buitenlandse investeringen. Bij uitblijven een internationale handelsorganisatie werd de aanzet gegeven voor een voorlopige overeenkomst en werd dan ook niet gesproken over lidstaten, maar over contracting parties.

De Amerikaanse heffingen behoorden in 1947 tot de hoogste van de geïndustrialiseerde landen, zelfs na de verlagingen van 1934-39 en de sterke inflatie tijdens de oorlog. Europese landen hadden veel niet-tarifaire belemmeringen (NTB's) en probeerden de internationale transacties te beheren om voldoende dollarreserves te behouden.

De beginjaren Genèveronde (1947) thumb|Gemiddelde Amerikaanse tarieven vanaf 1821 Hoewel de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties (ECOSOC) niet de bevoegdheid had om over tarieven te onderhandelen, werd dit op voorstel van de Verenigde Staten in 1946 wel ingebracht tijdens de preliminaire Conferentie van Londen. De Verenigde Staten maakten haast, omdat de verlenging van de RTAA halverwege 1948 afliep en daarmee de autoriteit van de president om over tarieven te onderhandelen. Een verlaging van de tarieven moest de weg plaveien om ook niet-tarifaire belemmeringen aan te pakken, waarvoor de president juist nog geen autoriteit had. Volgens de RTAA moesten de afspraken wederkerig zijn en gold de principal supplier-regel waarbij het land dat als hoofdleverancier van een zeker artikel gold, de eerste onderhandelaar was. Hiermee moest voorkomen worden dat het MFN-principe zou leiden tot free-rider-gedrag bij enkele landen. (2006): Fairness in the World Economy. US Perspectives on International Trade Relations, Edward Elgar, p. 106 Door dit principe werden het bilaterale onderhandelingen die telkens individuele artikelen betroffen. Nadat twee landen een akkoord hadden bereikt, gold dit volgens het MFN-principe voor alle leden. Om lagere tarieven te stimuleren, konden partijen wel vragen naar de voortgang in andere onderhandelingen. Wel was het principal supplier-principe een nadeel voor landen die niet de voornaamste leverancier waren van een product dat wel belangrijk was voor hun economie. Landen met al lage tarieven zouden daardoor minder onderhandelingsmacht hebben, daarom werd het binden van lage tarieven als equivalent gezien aan het verlagen van hoge tarieven. Daarna volgden in 1947 de Conferentie van Lake Success en Conferentie van Genève waar de voorbereidingen moesten worden afgerond om tijdens de Conferentie van Havana in 1947-48 de ITO op te kunnen richten. Japan en Duitsland ontbraken, aangezien deze na de oorlog hun soevereiniteit nog niet terug hadden gekregen. De Sovjet-Unie had de uitnodiging afgeslagen.