De literatuur van Suriname omvat alle mondelinge en geschreven teksten en andere communicatieve uitingen (interacties) in een van de talen van Suriname, die een aspect van literariteit bezitten. Deze uitingen spelen een rol in het proces van de vorming van de tradities die de nationale identiteit van Suriname uitmaken. Surinaamse literatuur omvat mondeling overgeleverde (orale) literatuur en geschreven literatuur. De orale literatuur is nog steeds een uiterst vitale en authentieke uitingsvorm. De invloed van de orale cultuur is uit de geschreven letteren van Suriname niet weg te denken. Aan het einde van de 18de eeuw verschijnt de eerste autochtone geschreven Surinaamse literatuur.
Talen In Suriname worden tweeëntwintig talen gebruikt, waarvan enkele echter uitsluitend in niet-literaire situaties, bijvoorbeeld bij godsdienstige rituelen. De drie belangrijkste literaire talen zijn
het (Surinaams-)Nederlands. Dit is de officiële landstaal en voor steeds meer mensen ook de moedertaal de lingua franca: het Sranantongo of Sranan. Dit is de taal die tijdens de slavernij is ontstaan. De verbindingstaal tussen de slaven die verschillende Afrikaanse talen spraken en hun slavenhouders, de taal wordt door de meeste Surinamers gesproken. het Sarnami, de taal van de Hindostaanse bevolkingsgroep.
In proza wordt het Nederlands het meest gebruikt. In de poëzie houden Nederlands en Sranantongo elkaar in evenwicht, terwijl het Sarnami eerst betrekkelijk recent, na 1977, belangrijk is geworden. Het Surinaams-Javaans, de taal van de op twee na grootste bevolkingsgroep, wordt slechts sporadisch geschreven, terwijl de orale literaire uitingen in die taal op het punt staan geheel te verdwijnen.
Andere talen die gesproken worden zijn het Hakka van de Chinezen, marrontalen zoals het Aukaans en het Saramaccaans en de verschillende talen van de inheemsen. Alle andere talen (en ook sommige inheemse talen) worden door hooguit enkele honderden mensen gesproken. Met de instroom van immigranten uit Brazilië is het Portugees als omgangstaal van deze groep ook meegekomen.
Orale literatuur thumb|left|De kari'na verhalenverteller Leo Toenaé in de rook van zijn erf in Cabendadorp
Orale literatuur bezit een esthetische functie en functioneert in een holistisch kader: het onderscheid tussen sacrale en profane teksten, tussen amusement en onderricht is veelal minder scherp dan in de westerse culturen. Er is een complexe samenhang tussen status en structuur van orale teksten en de wijze waarop de tekst gebracht wordt. De ritual performance is van groot belang en teksten maken bijna altijd deel uit van een groter geheel met zang en dans.
De oudste bewoners van Suriname zijn de indianen, of inheemsen. De twee grootste groepen zijn de Kari'na (of Karaïben) en de Lokonon (of Arowakken) die, evenals de kleinere stam der Warau, in de kuststreek wonen. De Tarëno (of Trio), de Wayana en de Akuriyo wonen allen diep in het binnenland, niet ver van de Braziliaanse grens. Elk van deze volkeren heeft eigen verhaalgenres, liedgenres en spreekwoorden. Vertellingen en liederen met bijzondere magische kracht worden gekend door de pyjai, de sjamaan die bij alle volkeren een cruciale rol vervult. Natuur en bovennatuur, mens en dier vormen voor de inheemsen een onverbrekelijke eenheid. Verhalen werden vastgelegd van en door onder meer Nardo Aluman, A.C. Cirino, Ririhpë, Emelina Sabajo, Tëmeta Wetaru en Fillia Afosoe.
thumb|Een Surinaams-Javaanse dalang speelt wajang, poppenspel met leren en beschilderde poppen De Afro-Surinamers, nakomelingen van uit Afrika aangevoerde slaven, worden onderscheiden in marrons (in het binnenland) en creolen (in stad en kuststreek). Hun orale cultuur staat sterk in het teken van de winti, de Afro-Surinaamse religie en levenswijze. Van de zes marronvolkeren zijn de Saramaccaners en de Aukaners de grootste. Kleiner zijn de Matawai, de Paramaccaners, de Aluku en de Kwinti. Elk van deze volkeren heeft eigen verhalen, liederen, dansen, spreekwoorden en raadsels en het vertellen, zingen en dansen heeft telkens bijzondere vormen. Bij de creolen vormen de Anansitori’s een bijzonder genre: uit Afrika geërfde vertellingen rond de spin Anansi, die in de harde slaventijd een bijzondere identificatiefiguur werd en nog steeds in allerlei gedaantes zeer populair is. Twee belangrijke creoolse vertellers waren Aleks de Drie en Harry Jong Loy. thumb|Voorstelling van de Doe volgens P. J. Benoit (1839) Het sacrale dansritueel van de creolen heet wintipré (spel van de geesten). Daarnaast zijn er verschillende vormen van profane spelen, die alle elementen van creools verzet tegen de koloniale overheerser in zich dragen. De Doe is een gedramatiseerd spel met vaste karakters en werd al in de slaventijd als grootse muzikale komedie gebracht; lobisingi en laku zijn van latere datum.
Ook de latere immigrantengroepen brachten eigen cultureel erfgoed mee en gaven dat in de loop der jaren een eigen Surinaamse gedaante.
In de Hindostaanse cultuur spelen het oude religieuze gedachtegoed en de oude grote epen als Rámáyana en het Mahábhárata nog altijd een belangrijke rol. Jaarlijkse opvoeringen van het Rámlilá, Spel van Ram, vinden een talrijk publiek. Op tal van verhaal-, toneel- en liedvormen begon het leven in de contracttijd en daarna een stempel te zetten. Zeer populair werd de baithak gáná, die aanvankelijk een begeleidingsmuziek bij toneelopvoeringen was, maar zich geleidelijk aan tot een eigen genre met Surinaamse teksten ontwikkelde. Ook de van Java gekomen contractarbeiders gaven hun cultuuruitingen een Surinaamse gedaante, zoals de verteller Toepon Semoedi liet zien met zijn verhalen. Ook in zang, wajang (schimmenspel), toneel, cabaret en dans (de jaranképang, paardendans) manifesteerde zich het Surinaams-Javaanse cultuurgoed. De andere bevolkingsgroepen (Chinezen, Libanezen, joden) zijn minder nadrukkelijk met eigen manifestaties van cultuur aanwezig in het Surinaamse spectrum.
Geschreven literatuur 16de en 17de eeuw thumb|Kaart van de Guyana's uit de 17de eeuw waarop het meer Parima staat aangeduid De eerste ontmoetingen met de oudste inwoners van Guyana, de 'indianen', leverden vooral veel op aan mythologische beeldvorming. Ongetwijfeld hebben vroegste reisverslagen bijgedragen aan het geloof in het goudmeer Parima (Eldorado) en daarmee de aantrekkingskracht van het gebied op avonturenzoekers vergroot. Eerst tegen het einde van de 17de eeuw werden de voortdurende schermutselingen tussen de Europese mogendheden tot een (voorlopig) einde gebracht, toen bij de Vrede van Breda in 1667 het grondgebied van wat tegenwoordig Suriname en een groot deel van Guyana is, toeviel aan de Republiek der Verenigde Nederlanden. De – soms nog gefantaseerde – contouren van het land Suriname rezen vooralsnog alleen op uit Europese, en dan vooral Nederlandse bronnen, die om die reden deel uitmaken van het verhaal over de vroegste fase van de wording van de Surinaamse letteren. Van een 'Surinaamse' geschreven literatuur kan nog niet gesproken worden: het zijn allerlei soorten verslagen, dagboeken, pamfletten en zeemansliedjes die de tekstuele getuigen zijn van een koloniale samenleving-in-wording. Bij de slavenmaatschappij werden geen vraagtekens gezet; het geslacht van Cham was immers tot onderwerping voorbestemd. Fictie is er in deze eeuwen niet geschreven, maar sommige teksten, zoals het dagboek van Elisabeth van der Woude, dat dateert van 1676, kan een esthetische kwaliteit niet ontzegd worden.
1700-1775 thumb|Koloniale literatuur over de slavernij: Monzongo (1774) van Nicolaas Simon van Winter
Een groot deel van de 18de eeuw stond in het teken van de aanvallen waarmee weggelopen slaven de plantersmaatschappij teisterden, en de kostbare patrouilles die tegen hen werden ondernomen. Deze gebeurtenissen kwamen aan de orde in verschillende landbeschrijvingen, maar het waren vooral drie niet-Nederlandse auteurs die Suriname als slavenmaatschappij op de kaart zetten: Aphra Behn, Voltaire en John Gabriël Stedman. Het beeld van Suriname als een extreem wrede slavenkolonie is door hen gecreëerd, al is niet altijd uit te maken of zij hun invloed direct of langs de latere weg van de geschiedschrijvingen van Jan Jacob Hartsinck, W. R. baron van Hoëvell of Julien Wolbers hebben uitgeoefend. Aphra Behns Oroonoko, or The royal slave uit 1688 werd bijvoorbeeld niet vóór de 20e eeuw in het Nederlands vertaald. Dat neemt niet weg dat zij met de creatie van de nobele slaaf "Oroonoko" een archetype heeft geschapen voor allerlei varianten van de edele slaaf in latere literatuur. Het expeditieverslag van de Schotse kapitein Stedman Narrative of a five years' expedition against the revolted Negroes of Surinam uit 1796 heeft, niet in de laatste plaats ook door de gravures (de 'fotografie' van die tijd) op de slavernijverbeelding in tal van 19de-eeuwse prozaverhalen zijn stempel gedrukt.
thumb|left|Titelpagina en frontispice van de Franse editie uit 1797 van Aphra Behns Oroonoko, or the Royal Slave Twee koloniale figuren schreven opmerkelijk werk over de kolonie: dominee J.W. Kals en gouverneur J.J. Mauricius. Beiden verzetten zich niet tegen de slavernij op zich, maar wel tegen de uitwassen van het systeem en tegen de konkelende planterscoterieën. Met zijn satirische toneelstuk Het Surinaamsche Leeven (1771) bevestigde een auteur die zich Don Experientia noemde, het beeld van een maatschappij waarin rapaille het voor het zeggen had en alleen het winstbejag telde. Het Verlichtingsdenken zorgde geleidelijk aan ook voor een ander beeld van de plantagemaatschappij. Negers waren niet langer alleen onbeschaafde wilden. De anonieme Geschiedenis van een neger van circa 1770 creëerde de persoon van de goede meester, een karakter dat Elisabeth Maria Post met Reinhart (1791-1792) uitwerkte; de briefroman was de eerste Nederlandse fictionele tekst waarin de koloniale problematiek met diepgang werd behandeld.
De zwarte mens was in geen van deze teksten de protagonist. Het spectatoriale geschrift De denker uit 1774 introduceerde met de Geschiedenis van een neger het zwarte perspectief door het woord te geven aan een Afrikaan die op subtiele wijze het slavernijsysteem over de hekel haalde. Waarschijnlijk hanteerde een witte schrijver zijn pennenveer. Wie zeker voor zichzelf sprak, was Quassie van Timotibo, die met zijn eruditie veler bewondering afdwong. Vanwege zijn collaboratie met de koloniale macht lange tijd beschouwd als een dubieuze figuur, wordt hij nu meer en meer gezien als de verpersoonlijking van een even intelligent als brutaal verzet tegen het systeem dat hem wilde knechten.
1775-1800 Met de Verlichting was de slavernij een belangwekkend thema binnen de Nederlandstalige literatuur geworden (zie ook Kakera Akotie), voor het eerst ook in de letteren die in de kolonie zelf geschreven werden. De laatste decennia van de 18de eeuw brachten het historische traject van de geschreven literatuur over Suriname op een belangrijke splitsing. De eerste aanzetten tot een autochtoon Surinaamse literatuur kunnen in die tijd worden waargenomen, al blijft Nederland nog lang een belangrijk referentiepunt voor de verbeelding en het culturele leven.