De Iraanse Revolutie (Perzisch: انقلاب ایران , Enqelâb-e Irân) was de revolutie in Iran die begon in november 1978, waarbij de pro-westerse sjah Mohammad Reza Pahlavi werd afgezet ten gunste van een islamitische republiek onder leiding van ayatollah Ruhollah Khomeini. De revolutie gebeurde in twee fasen. In de eerste fase verdreef een alliantie van liberale, linkse en religieuze groeperingen de sjah. In de tweede fase, vaak de Islamitische Revolutie genoemd (Perzisch: انقلاب اسلامی , Enqelâb-e Eslâmī), greep Khomeini de macht.
De revolutie begon in november 1978, al waren er daarvoor ook diverse protesten geweest. Op 16 januari 1979 vluchtte de sjah, al wendde hij zijn vlucht voor als een korte vakantie. Op 1 februari keerde Khomeini terug uit zijn ballingschap in Frankrijk. Hij begon vrij snel de pluralistische revolutie om te vormen naar een streven naar absolute macht voor de geestelijkheid.
Oorzaken Er zijn meerdere redenen waarom de sjah werd afgezet, waarna het land werd omgevormd tot een Islamitische republiek. Punten van het regime van de sjah waarover ontevredenheid onder de bevolking bestond, en die onder meer aanleiding waren tot de revolutie, waren:
het strikte beleid van verwestersing van het land de vrijheid van godsdienst de verbanning van de communistische Tudeh-partijGeschiedenis van Iran, geschiedenis van de Tudeh Partij van Iran de afschaffing van het meerpartijenstelsel ten gunste van een eenpartijstelsel, waarbij de partij van de sjah, de Rastakhiz (De Herlevingspartij), de enige regerende politieke partij van het land werd, en waarvan iedereen lid diende te wordenOver de Rastakhiz partij de geheime politie van de sjah, de SAVAK, die tegenstanders van het regime gevangenhield, en deze door martelingen onderdrukte en soms ook executeerdeEncyclopaedia Britannica, Iran de groeiende economische ongelijkheid tussen de elite en de massaGeschiedenis van Iran, de Pahlavi-dynasty de spilzuchtige viering van 2500 jaar Perzisch rijk in 1971.
Begin van de revolutie miniatuur|De sjah met onder andere president Carter miniatuur|Demonstratie op 8 september 1978. Op het bord staat: Wij willen een islamitische regering, geleid door Imam Khomeini. In 1977 begon de basis van sjah Mohammad Reza Pahlavi te scheuren. Hoewel de geschiedenis vaak spreekt over de "Islamitische Revolutie", waren het in 1977 vooral de studenten en de intellectuele middenklasse die de straat op gingen. Voor hen was de opstand geen religieuze missie, maar een strijd voor vrijheid, sociale rechtvaardigheid en het einde van de dictatuur.
Liberalisering Onder druk van de Amerikaanse president Jimmy Carter en zijn mensenrechtenbeleid versoepelde de sjah in 1977 de censuur. Studenten zagen dit als een kans om voor het eerst in jaren openlijk kritiek te uiten op de SAVAK (de geheime dienst). Wat begon als een roep om democratische hervormingen groeide al snel uit tot een massale protestbeweging op universiteiten in Teheran en Tabriz.
Verdeling De studenten vormden geen eenheid. Volgens historicus Ervand Abrahamian bestond de studentenpopulatie uit een "regenboogcoalitie" met drie hoofstromingen: De Marxisten en Socialisten: De grootste groep studenten eiste een radicale omverwerping van het kapitalistische systeem. Voor hen was de sjah een handlanger van het Westen. Zij droomden van een socialistische republiek, niet van een theocratie. De Constitutionele Liberalen: Deze groep (geïnspireerd door Mossadegh) wilde dat de sjah zich simpelweg aan de grondwet hield. Zij eisten democratie, vrije verkiezingen en een einde aan de corruptie. De Islamitische Socialisten: Volgelingen van Ali Shariati geloofden in een moderne, revolutionaire vorm van de islam die streed tegen onderdrukking. Zij vormden de brug tussen de seculiere studenten en de conservatieve geestelijkheid.
Sleutelmomenten Drie gebeurtenissen in 1977 transformeerden de studentenprotesten van intellectuele debatten naar fysieke confrontaties:
De "Poëzie-nachten" (oktober 1977): Tienduizenden studenten verzamelden zich bij het Goethe-Instituut in Teheran. Wat begon als een literair evenement eindigde in massale demonstraties tegen de sjah. De herdenking van Mostafa Khomeini: De dood van de zoon van ayatollah Khomeini bracht religieuze studenten op de been. Dit was het moment waarop de seculiere en religieuze oppositie elkaar op straat vonden. De roep om autonomie: Studenten eisten het recht op zelfbestuur op universiteiten en het vertrek van militaire bewakers van de campussen.
Destabilisatie De studenten van 1977 eisten in grote meerderheid geen islamitische staat zoals we die nu kennen. Zij dachten dat ayatollah Khomeini slechts een symbolische leider zou zijn die de weg vrij zou maken voor een democratisch Iran.
In 1978 voerde de sjah haastig enkele maatregelen door, zoals het ongedaan maken van de aanpassing aan het jaartal van de Iraanse kalender,De sjah had in 1976 de kalender laten beginnen bij de troonsbestijging door Cyrus II de Grote. en de afschaffing van het eenpartijstelsel. Dit laatste gaf het Nationaal Front de kans zich opnieuw te organiseren. Islamitische revolutionairen richtten daarop de Islamitische Republikeinse Partij (IRP) op, die zich verwant voelde met de ideeën van Khomeini. Maar de maatregelen van de sjah kwamen te laat.
In september 1978 destabiliseerde het land. Grootschalige protesten vonden regelmatig plaats. Op vrijdag 8 september vond een enorme demonstratie plaats in Teheran. Die werd hardhandig neergeslagen, waarbij honderden doden vielen. Dit had tot gevolg dat de weerstand tegen het regime alleen maar sterker werd, zowel onder de eigen bevolking als bij andere landen. De sjah kondigde daarop de staat van beleg af.
In oktober 1978 vond een algemene staking plaats. In december, gedurende de islamitische maand muharram, bereikten de protesten hun hoogtepunt. Tijdens muharram, en dan specifiek tijdens Asjoera, wordt herdacht dat imam Hoessein, de kleinzoon van de profeet Mohammed, als martelaar gedood werd door het leger van de tirannieke Omajjadische kalief Yazid I in de Slag bij Karbala. Tijdens de herdenkingen werd de sjah neergezet als een hedendaagse tiran en onrechtvaardig heerser. Moslims hebben de plicht in opstand te komen tegen tirannie en in die maand vonden dagelijks protesten plaats. Het leger raakte verdeeld over het bevel tegen de demonstranten op te treden.
Op 4 januari 1979 benoemde de sjah Shahpur Bakhtiar, voorzitter van het Nationaal Front, tot premier. Op 16 januari vluchtte de sjah – met een zakje Iraanse aarde bij zich – naar het buitenland. Hijzelf verklaarde dat hij op vakantie ging. Bij zijn vertrek wist hij al dat hij aan kanker leed. Samen met zijn familie vertrok hij naar Egypte, het enige land dat hen wilde toelaten. De sjah werd zieker en keerde uit angst voor vervolging niet meer naar zijn land terug. Hij overleed twee jaar later aan kanker in Egypte.
Zoals beschreven in "The Unthinkable Revolution" van Charles Kurzman, werden de studenten slachtoffer van hun eigen succes: ze hielpen de sjah ten val te brengen, maar werden na 1979 buitenspel gezet (en vaak vervolgd) door de nieuwe religieuze machthebbers die hun eigen visie oplegden.
Islamitische Revolutie miniatuur|De terugkeer van Khomeini uit ballingschap
Op 1 februari 1979 keerde ayatollah Ruhollah Khomeini na vijftien jaar ballingschap in Frankrijk naar Iran terug. Khomeini associeerde zichzelf met de verschillende imams van het twaalver sjiisme. Hij beschouwde zichzelf als de opvolger van de imams en wilde de gelovigen leiden. Hij sprak de bevolking aan met een anti-Amerikaanse en antidictatoriale houding en een beroep op vrijheid. Moslims hadden de plicht op te komen tegen tirannie.
Op 11 februari 1979 stortte het regime van de sjah in, waardoor de zege van de coupplegers van de Iraanse Revolutie volledig werd. Khomeini benoemde de geestelijke Mehdo Bazargan tot minister-president van een voorlopige regering. Shahpur Bakhtiar wist met hulp van Bazargan het land uit te vluchten.
In april 1979 werd een referendum gehouden waarin de bevolking zich kon uitspreken voor het behoud van de monarchie of de instelling van een islamitische republiek. Omdat de meeste mensen tegen de sjah waren, werd er met overweldigende meerderheid gekozen voor de instelling van een islamitische republiek en in april 1979 werd de Islamitische Republiek Iran uitgeroepen. Het referendum werd echter bekritiseerd op de volgende punten:
De keuze was beperkt: op het stembiljet stond slechts één vraag: "Wilt u een Islamitische Republiek: Ja of Nee?" Officieel stemde 98,2% voor. Hoewel de steun voor Khomeini destijds gigantisch was, wijzen critici erop dat de sfeer op straat en de controle bij de stembussen weinig ruimte lieten voor tegenstemmen
In augustus 1979 werden verkiezingen voor een grondwetgevende vergadering gehouden en de Islamitische Revolutionaire Partij won de verkiezingen. De IRP was een zeer Khomeini-getrouwe partij. Met een meerderheid in de grondwetgevende vergadering konden de moslimfundamentalisten een radicaal-islamitische grondwet doordrukken.
De revolutie kende ook een sterk anti-Amerikaans en anti-imperialistisch karakter. De Verenigde Staten hadden jarenlang de dictatuur van de sjah gesteund en de revolutie van 1953 de kop ingedrukt. Demonstranten verbrandden Amerikaanse vlaggen en riepen leuzen als "Dood aan Amerika!". In november 1979 bezetten islamitische militanten de Amerikaanse ambassade in Teheran en namen 63 Amerikaanse diplomaten en burgers in gijzeling. De gijzelnemers eisten onder andere de uitlevering van de sjah, die op dat moment in de Verenigde Staten verbleef. In april 1980 probeerden Amerikaanse commando's de gegijzelden te bevrijden tijdens Operatie Eagle Claw, maar nadat een helikopter en een transportvliegtuig tegen elkaar waren gebotst werd de actie afgeblazen. Na 444 dagen kwamen de gegijzelden op 21 januari 1981 vrij.
Einde van de revolutie In december 1979 was de opstelling van de nieuwe, op islamitische leest geschoeide grondwet klaar en verkreeg Khomeini de titels Leider van de Revolutie en Hoogste Leider van Iran. In die hoedanigheid verkreeg hij een zeer grote macht.
De naam van de staat werd veranderd in Islamitische Republiek Iran.Tekst Grondwet Islamitische Republiek Iran (Engelse vertaling) Onder de nieuwe constitutie werd deze republiek in feite van twee regeringen voorzien. De eerste, die de soevereiniteit van het volk vertegenwoordigde, werd geleid door een parlement en een premier. De tweede, die de soevereiniteit van Allah vertegenwoordigde, werd geleid door de hoogste leider.
Deze directe inmenging van de geestelijkheid in de politiek was nieuw. Sinds begin 16e eeuw het sjiisme staatsgodsdienst werd in Iran, had de geestelijkheid zich afzijdig gehouden van directe staatsbemoeienis. Onder de door Khomeini ingevoerde politiek van 'valajat-e fakih' of 'de voogdij van de jurist' verkreeg één man de absolute heerschappij. Ook dat was nieuw, want daarvoor stonden de verschillende ayatollahs min of meer op gelijke voet. Dissidente ayatollahs werd het zwijgen opgelegd.
Op 4 februari 1980 werd de Khomeini-aanhanger Abolhassan Bani Sadr president van de islamitische republiek, en in augustus van dat jaar werd Mohammad Ali Rajai premier. President Bani-Sadr raakte echter al gauw met Khomeini in conflict over diens fundamentalistische koers. Bani-Sadr, jarenlang een vertrouweling van Khomeini, werd aan de kant geschoven en tot volksvijand verklaard. Hij ontvluchtte Iran en vestigde zich in Frankrijk. President Mohammad Ali Rajai, de opvolger van Bani-Sadr, en diens premier Mohammad-Javad Bahonar kwamen in augustus 1981 bij een bomaanslag om het leven. Vanwege de ontstane crisis werd een Voorlopige Presidentiële Raad ingesteld. Op 13 oktober 1981 werd Ali Khamenei president.