Troodon is een geslacht van kleine uitgestorven theropode dinosauriërs uit de groep van de Maniraptora, dat tijdens het Laat-Krijt (meer bepaald het Campanien en het Maastrichtien, ongeveer zeventig miljoen jaar geleden) in het gebied van de huidige Verenigde Staten en Canada leefde.

De eerste vondsten van resten van Troodon, tanden, werden rond 1855 gedaan in Montana. In 1856 kreeg het geslacht zijn naam, die 'verwondende tand' betekent, toen de typesoort Troodon formosus benoemd werd. Lange tijd bleef onduidelijk om wat voor dier het precies ging. Eerst dacht men aan een hagedis, later aan een lid van wat tegenwoordig de Pachycephalosauria heten. Pas in 1945 werden de Troodontidae voorgoed als theropoden gezien. Na 1987 werden de meeste troödontide fossielen uit Noord-Amerika aan Troodon toegewezen. In 2017 echter werden de meest complete skeletten uit Canada bij de geslachten Stenonychosaurus en Latenivenatrix ondergebracht. Dat betekent dat eigenlijk alleen de oorspronkelijke tanden voor Troodon formosus overblijven. Die tanden hebben niet eens een aparte vorm, wat Troodon formosus tot een nomen dubium zou maken. Andere soorten die binnen het geslacht benoemd zijn, waren al onderkend als andere troödontiden, of bleken heel andere dinosauriërs te zijn. Het geslacht kan nog wel gebruikt worden als een verzamelbak van troödontide materiaal waarvoor nog geen soort benoemd is.

Hoewel uit de tanden dus niets specifieks kan worden afgeleid, is het uit vondsten van verwanten wel duidelijk geworden hoe Troodon eruit moet hebben gezien. Het ging om een ruim twee meter lange tweevoeter met een lange nek en een langwerpige kop. Het dier was warmbloedig en bevederd. De tanden wijzen op een dieet als alleseter. Troodon had voor zijn tijd erg grote hersenen. Het is wel gespeculeerd dat als meer dinosauriërs dan alleen de vogels het grote uitsterven op het eind van het Krijt hadden overleefd, uit vormen als Troodon een hoogintelligente soort zou kunnen zijn geëvolueerd, de zogenaamde Dinosauroid.

Vondst en naamgeving De eerste tand Hoewel al benoemd in de negentiende eeuw, waren er lange tijd slechts tanden van Troodon bekend. Dat leidde tot grote onzekerheid over de plaatsing in de evolutionaire stamboom. In de jaren vijftig van de negentiende eeuw verzamelde Ferdinand Vandeveer Hayden dinosauriërtanden in Montana. Die verzond hij naar de paleontoloog Joseph Leidy, die op basis daarvan soorten begon te benoemen, hoewel het bijna onmogelijk was om vast te stellen aan wat voor type dieren de tanden toebehoorden. Eén tand, waarvan hij dacht dat het om een hagedis ging, benoemde hij in 1856 als de typesoort Troödon formosus. In 1860 beschreef Leidy de tand opnieuw en meende nu dat het ging om een lid van de Varanidae.

miniatuur|links|De illustratie uit Leidy (1860) van het holotype van Troodon dat de duidelijke vertandingen toont miniatuur|links|Joseph Leidy

De tand is het holotype, het fossiel waaraan de naam verbonden is, specimen ANSP 9259. Hij is vermoedelijk aangetroffen in een laag van de Judith Riverformatie, die is gedateerd op het late Campanien, ongeveer zeventig miljoen jaar oud.

In 1876 emendeerde Henri-Émile Sauvage de naam tot Troodon formosus — in geslachtsnamen wordt geen trema toegestaan — maar nog tot het eind van de twintigste eeuw zou de oude spelling vaak gebruikt worden, voornamelijk omdat zij de uitspraak verduidelijkt.

Etymologie De geslachtsnaam Troodon (uitspraak: 'Troödon') is Grieks en betekent 'verwondende tand' vanuit τρώω, troooo, 'verwonden' en ὀδών, odoon, 'tand'. Het is een toespeling op de tanden van Troodon, die erg verschillen van die van andere theropoden. Ze hadden zeer duidelijke, naar boven gerichte vertandingen. Deze 'verwondende' vertandingen zijn morfometrisch meer gelijkaardig aan die van herbivore dinosauriërs, wat op een omnivore leefwijze kan duiden en vroegere onderzoekers in verwarring zou brengen. De soortaanduiding formosus is Latijn en betekent 'welgevormd'.

Troodon wordt herkend als dinosauriër In 1877 begreep Edward Drinker Cope als eerste dat het een theropode betrof. Zijn oordeel werd bevestigd door baron Franz Nopcsa in 1901 en Oliver Perry Hay in 1902. Datzelfde jaar echter vond Lawrence Morris Lambe gelijksoortige tanden in de Oldmanformatie van Canada. Nadat hij ook dergelijke tanden aangetroffen had, stelde John Bell Hatcher in 1905 dat het weliswaar zeker om een dinosauriër ging maar dat de precieze verwantschap onzeker was. Barnum Brown dacht in 1908 dat het een planteneter betrof, een lid van de Ankylosauridae die ook kleine tanden hebben. In 1924 stichtte Charles Whitney Gilmore grote verwarring door te concluderen dat de voorste tanden van de pachycephalosauriër Stegoceras in wezen identiek waren aan die van Troodon. Het gevolg was dat Stegoceras als een jonger synoniem van Troodon beschouwd werd, hij een Troodon validus benoemde, en pachycephalosauriërsoorten bij een familie Troodontidae werden ondergebracht. In 1945 toonde Charles Mortram Sternberg echter aan dat het wel degelijk om een theropode ging. Literatuur tussen 1924 en 1945 kan op dit punt dus zeer misleidend zijn daar met Troodontidae en Troodon geheel andere dieren bedoeld worden dan tegenwoordig. De soorten Troodon brevis (Lambe 1918) Hay 1930, Troodon edmontonensis Brown & Schlaikjer 1943 en Troodon bexelli Bohlin 1953 betreffen dan ook pachycephalosauriërs en zouden later naar geslachten uit die groep hernoemd worden. Ook na 1945 was er weinig helderheid omdat veel paleontologen C.M. Sternbergs oordeel dat het een theropode betrof niet deelden. Ze bleven het mogelijk achten dat het een pachycephalosauriër was of, zoals Peter Malcolm Galton in 1983, identiek aan de ornithischiër Laosaurus. Het begrip Troödontidae werd echter vermeden met als argument dat de tand niet determineerbaar was en Troodon dus een nomen dubium zou zijn.

Pas in 1985 werd in Montana een onderkaak gevonden en het jaar daarop een schedel die de volledige tandenrij toonden. In 1987 concludeerde Philip John Currie op basis hiervan dat een aantal eerder benoemde dinosauriërsoorten zoals Polyodontosaurus, Stenonychosaurus en Pectinodon, die alleen van hun tanden bekend waren, in werkelijkheid allen Troodon vertegenwoordigden, waarvan de tandvorm vrij variabel was. Tanden uit het begin, het midden en de achterkant van de kaak waren per abuis als aparte taxa benoemd. Nog steeds zijn de bekende resten echter vrij fragmentarisch en al snel werd de mogelijkheid onderkend dat nieuwe vondsten zouden aantonen dat er toch verschillende soorten aanwezig waren, zij het dan zeer nauw verwant. In de loop van de eenentwintigste eeuw zou dit inderdaad de dominante interpretatie worden.

Andere geslachten en soorten Door de analyse van Currie werd het mogelijk verschillende vondsten tussen 1856 en 1987 gedaan als exemplaren van Troodon te onderkennen.

Laelaps cristatus Cope benoemde in 1876 een soort van Laelaps: Laelaps cristatus, "de gekamde", op basis van holotype AMNH 3954: twee elf millimeter lange tanden. In 1902 hernoemde Oliver Perry Hay dit tot een Dryptosaurus cristatus; hetzelfde jaar maakte Henry Fairfield Osborn er een Deinodon cristatus van. In 1922 werd het door William Diller Matthew en Barnum Brown hernoemd tot Dromaeosaurus cristatus. In 1995 maakte George Olshevsky er een Troodon cristatus van. Vermoedelijk is het echter geen aparte soort maar een jonger synoniem van Troodon formosus. De tanden zijn in wezen identiek aan de maxillaire tanden van T. formosus.

Polyodontosaurus grandis In 1928 vond C.M. Sternberg in Alberta, Canada, in de Dinosaur Parkformatie een stuk voorste onderkaak, specimen NMC 8540, waarop in 1932 Gilmore de soort Polyodontosaurus grandis baseerde, de 'grote veeltandhagedis'. Gilmore dacht dat het echt om een hagedis ging — vandaar dat die groot leek in vergelijking met echte hagedissen. In 1951 begreep C.M. Sternberg dat het om een lid van de Troodontidae ging, misschien om Troodon zelf. Dat werd bevestigd door Currie in 1987.

Stenonychosaurus inequalis In 1932 meldde C.M. Sternberg de vondst in 1928 van een gedeeltelijk skelet bij de Berry Creek in Canada, specimen CMN 8539, dat hij benoemde als Stenonychosaurus inequalis, de 'slankklauwsauriër met de ongelijke tenen'. In 1951 vermoedde hij een identiteit met Troodon maar die kon niet bewezen worden omdat de vondst slechts bestond uit de armen, de voeten en het uiteinde van de staart. In 1969 meldde Dale Alan Russell een veel completer exemplaar, CMN 12340 gevonden in 1968, dat hij aan Stenonychosaurus inequalis toewees. Dit specimen bewaarde echter alleen de bovenkant van de schedel en omvatte opnieuw geen tanden. Het vertegenwoordigt nog steeds het meest complete skelet dat ooit aan Troodon werd toegewezen die dus, volgens de inzichten van 1987 af, tussen 1969 en 1987 als Stenonychosaurus in de wetenschappelijke literatuur optrad. In 2017 werd dit skelet het holotype van Latenivenatrix. In 1982 hernoemde Kenneth Carpenter Stenonychosaurus inequalis tot een soort van het Aziatische geslacht Saurornithoides, als een Saurornithoides inequalis. Dat heeft geen navolging gevonden; gezien de prioriteit en het door Currie laten samenvallen van Troodon en Stenonychosaurus zou bij een aangenomen identiteit tussen Stenonychosaurus en Saurornithoides die laatste een Troodon mongoliensis worden, een consequentie die Gregory S. Paul in 1988 inderdaad aandurfde.

Pectinodon bakkeri miniatuur|Een als cf. Pectinodon toegewezen tand In 1964 wees Richard Estes verschillende tanden uit de Lanceformatie van Wyoming toe aan een Sinornithoides sp. In 1982 splitste Carpenter dit materiaal in drieën: sommige tanden zouden aan Stenonychosaurus (Saurornithoides inequalis) toebehoren, andere aan een taxon dat hij voorlopig onbenoemd liet en een derde groep aan een soort die hij benoemde als Pectinodon bakkeri. De geslachtsnaam was afgeleid van het Latijn pecten, 'kam'; de soortaanduiding eerde Robert Thomas Bakker. Het holotype is UCM 38445, een tand door William Alvin Clemens gevonden bij de Bushy Tailed Blowout in Niobrara County. In 1987 stelde Currie onder voorbehoud dat het om een achterste tand van Troodon ging.

Behoort al het Amerikaanse materiaal tot Troodon formosus? Na 1987 werd het de gewoonte om al het Noord-Amerikaanse troödontide materiaal uit het Campanien en Maastrichtien van Noord-Amerika aan Troodon formosus toe te schrijven, of althans aan een Troodon sp. Hierop is ook kritiek gekomen. Sommige onderzoekers vinden dat het Canadese materiaal uit het Campanien van dat van evenoude lagen in de Verenigde Staten van Amerika gescheiden moet worden. Eigenlijk stellen ze hiermee voor om Stenonychosaurus inequalis toch als een apart taxon te erkennen, waarbij ze de nauwe verwantschap met Troodon formosus uit drukken door van een Troodon inequalis te spreken. De eerste die dat deed was Eric Snively in 2002; Currie volgde in 2005. Het probleem hiermee is dat afgezien van de herkomst er geen verschillen ontdekt zijn tussen T. formosus en T. inequalis. De geografische afstand is daarbij niet zo groot dat het aannemelijk is dat er echt twee soorten bestonden terwijl de politieke grens geen geldig argument kan opleveren.

Een andere splitsing die men zou kunnen aanbrengen is die tussen vormen uit het Campanien en het Maastrichtien die immers door vele miljoenen jaren gescheiden zijn. Olshevsky noemde de laatste Troodon bakkeri. Als echter een soortonderscheid gemaakt wordt, is het willekeurig of men er toch niet de geslachtsnaam Pectinodon aan wil geven.

In 2011 werd de situatie verder gecompliceerd door de benoeming van Talos, een troödontide uit het Campanien van Utah.