De Rivierenbuurt is een buurt in de Nederlandse stad Groningen. De buurt vormt onderdeel van de wijk Oud-Zuid binnen het gebiedsdeel Oude Wijken. De Rivierenbuurt heeft een oppervlakte van 0,56 km² en telt 4.540 inwoners (2023).

Geografie thumb|De Rabenhauptstraat in de Davidstraatbuurt tijdens het wandelevenement Tocht van Bommen Berend (van wandelorganisatie Tocht om de Noord) in 2022.

Begrenzing De Rivierenbuurt is een van de zogenoemde schilwijken rond de binnenstad van Groningen. De buurt wordt aan noordzijde begrensd door Station Groningen. Aan oostzijde scheidt de Hereweg de buurt van de Herewegbuurt. Aan zuidzijde vormt de zuidelijke ringweg de grens met de wijk Helpman en aan westzijde wordt de buurt door het Noord-Willemskanaal of Hoornsediep gescheiden van de Grunobuurt. Over het Noord-Willemskanaal liggen grenzend aan de buurt vier bruggen. Dit zijn van noord naar zuid de Zaanbrug voor busverkeer, de Parkbrug voor autoverkeer, de Muntinghbrug voor fietsen en voetgangers en de Julianabrug, die onderdeel vormt van de zuidelijke ringweg. Aan zuidwestzijde van de Rivierenbuurt ligt het Knooppunt Julianaplein, het drukste verkeersknooppunt van het noorden. Dit knooppunt verbindt de rijkswegen A7 en A28 en een van de belangrijkste uitvalswegen van het centrum van Groningen: het gecombineerde Parkwegviaduct en Emmaviaduct.

De huidige Rivierenbuurt is een samentrekking van de 19e-eeuwse Davidstraatbuurt en de daaromheen in verschillende fasen gebouwde twintigste-eeuwse Rivierenbuurt. Het deel ten oosten van de Achterweg, Merwedestraat-noord het Dinkelpark vormde tot 2014 onderdeel van de Herewegbuurt. Met de twintigste-eeuwse uitbreidingen werden ook de oudere delen sterk geherstructureerd. Door een wijkvernieuwingsproject begin 21e eeuw, waarbij een nieuw winkelcentrum en uitbreiding van de groenstructuur werd gerealiseerd was de scheiding in de openbare ruimte nauwelijks nog zichtbaar. In 2014 werd bij de administratieve herziening van de stad Groningen de Herewegbuurt-West bij de Rivierenbuurt gevoegd. De oude straten van de Davidstraatbuurt dragen samen met de Fongersplaats als enige geen namen van rivieren.

De delen van de buurt hebben verschillende namen gehad. In 1859, toen de wijken van de gemeente Groningen nog met letters werden aangeduid, werd het bebouwde gebied van de latere Rivierenbuurt aangeduid als 'wijk Z'. Dit oostelijke deel van de buurt kreeg later achtereenvolgens de namen Davidstraatkwartier en Davidstraatbuurt. Het noordwestelijke deel droeg een tijd lang de naam Park(weg)buurt. De Rivierenbuurt zelf werd aanvankelijk ook wel Rabenhaupt(wijk) genoemd. De naam Rivierenbuurt komt voor het eerst voor in gemeentelijke stukken in 1957 en verwijst naar de straatnamen die in 1937 door de gemeente werden ingesteld voor het noordwestelijke deel van de buurt en later ook elders in de buurt werden toegepast. Deze straten zijn vernoemd naar Nederlandse rivieren.

Indeling De Rivierenbuurt bestaat uit 5 subbuurten: Davidstraatbuurt (of Davidstraatkwartier): de oude 19e-eeuwse buurt in het noordoosten van de Viaductstraat tot de Barestraat-noordzijde, waarbij de Achterweg-Merwedestraat de westelijke begrenzing vormt Fongers: de Barestraat-zuidzijde, Vechtstraat (inclusief Dinkelflat), Fongersplaats, Zuiderbegraafplaats en Dinkelpark Spoorkwartier (voorheen Stationsgebied-Zuid): de buurt ten noorden van de bebouwing van de Parkweg. Hier moet in de toekomst een nieuwe buurt verrijzen. De bebouwing ten oosten van de Zaanbrug valt ook onder deze buurt. Rivierenbuurt-Noord: de deels vooroorlogse en deels naoorlogse bouw aan westzijde van de buurt tussen de Parkweg en de Rivierenhof Rivierenbuurt-Zuid: de naoorlogse bouw ten zuiden van de Rivierenhof en het Dinkelpark

Opbouw Door de aanwezigheid van meerdere dwarsverbindingen door de buurt en behoorlijk wat werkgelegenheid is het een vrij levendige buurt. De eerste delen van de buurt (de Davidstraatbuurt) ontstonden in het noordoosten in de 19e eeuw. Verdere uitleg vond plaats naar het westen in de jaren 1930 (Parkwegbuurt). Deze bebouwing bestaat uit strokenbouw met kenmerkende ligusterhagen langs de voortuinen.Jansen (1999), p. 4 In de jaren 1950 werd de buurt verder afgebouwd met strokenbouw naar het zuiden toe, waarbij de bestaande oost-westoriëntatie werd gehandhaafd en in het midden van de buurt onderwijs- en zorgfuncties werden geconcentreerd. In het zuiden werd een buurtpark met vijver aangelegd. In de jaren 1960 kreeg de buurt een betere aansluiting op het wegennet door de aanleg van de zuidelijke ringweg en het Julianaplein. In het oosten van de buurt is in de jaren 1960 en 1970 veel gesloopt om plaats te maken voor bedrijven. Deze bedrijven zijn in de loop van de tijd deels weer getransformeerd naar woningen. Begin 21e eeuw werd een groot wijkvernieuwingsplan uitgevoerd, waarbij de buurt een nieuw hart kreeg met een nieuw winkelplein en groen. In de nabije toekomst is een nieuwe uitbreiding naar het noorden voorzien: het Spoorkwartier. Hier wordt -deels op het vroegere spooremplacement- een nieuwe stationsingang, busstation en woon- en kantoorgebied gerealiseerd. De buurt wordt hierdoor ook beter verbonden met de binnenstad van Groningen. Onderdeel van dit project is ook een upgrade van de Parkweg om het station beter te verbinden met het Stadspark voor voetgangers en fietsers.

Woningtypen De buurt heeft een mix van 19e-eeuwse bebouwing, jaren dertig-architectuur, wederopbouwarchitectuur en moderne bebouwing. Het westelijk deel van de buurt bestaat voor een groot deel uit portiekwoningen en boven- en benedenwoningen. Het noordelijke deel daarvan (de Parkwegbuurt) bestaat van origine uit koop en het zuidelijke deel uit sociale huur van met name woningcorporatie Patrimonium. Het meest zuidwestelijke deel van de buurt (de Lekstraat) bestaat uit halfvrijstaande koopwoningen. Patrimonium bezit ook in het noordoosten van de buurt veel appartementen in de Davidstraatbuurt. De overige delen van het oosten van de buurt bestaan uit een mix van koopwoningen, particuliere verhuur en sociale verhuur. In de buurt bevinden zich verder ook een aantal wooncomplexen, waarvan de Fongersstede de grootste is met bijna 200 woningen. Door de buurt heen bevinden zich veel kamerverhuurpanden. Dit heeft met name rond de Parkweg in het verleden tot protest geleid onder omwonenden, die de ervaren woonkwaliteit onder druk zien staan.

Groen De belangrijkste groenvoorziening van de wijk is het Dinkelpark. In de oorspronkelijke plannen van Mulock Houwer van rond 1900 was een veel groter park gepland. In de naoorlogse plannen werd echter slechts een fractie hiervan aangelegd, zonder verbindende groene longen naar andere delen van de stad.Jansen (1999), p. 27 Het Dinkelpark is bij de wijkvernieuwing in de jaren 2000 uitgebreid naar het noorden. Het vormt samen met het Sterrebos, het groen rond zwembad De Papiermolen, de Zuiderbegraafplaats en het Stadspark een doorlopende groene long.Jansen, p. 38 In het park ligt de gelijknamige Dinkelvijver, die in de jaren 1950 werd aangelegd als riooloverstort (retentievijver). Vroeger werd deze vijver ook wel Talmavijver genoemd naar het naastgelegen verzorgingstehuis Talmahuis. Bij de bouw van het (tweede) Talmahuis werd in 1991 een stenen halfronde uitstulping aangelegd in de Dinkelvijver. Aangrenzend hieraan werd in 2016 tussen het Talmahuis en de Merwerdeflat een buurtmoestuin aangelegd. Het Sterrebos schuin tegenover de buurt werd in 2025 uitgebreid met het Zuiderplantsoen.

Geschiedenis Voorgeschiedenis thumb|350px|De sporen bij het hoofdstation Groningen gezien vanaf het stationsgebouw. De bosschages rechtsachter horen bij het terrein van de Savornin Lohman (Rozenburg), dat eind 19e eeuw is verdwenen. Het hoge witte gebouw op de achtergrond is de oude school, die in 1929 plaatsmaakte voor de Rabenhauptschool. Op de achtergrond het Sterrebos met de toenmalige watertoren. Ook de oude bebouwing aan de Achterweg en Davidstraat is zichtbaar.

De Rivierenbuurt ligt op de overgang tussen de zandige Hondsrug en het kleiige oerstroomdal van de Drentsche Aa. Ongeveer bij de Berkelstraat duikt de flank van de Hondsrug onder de kleiafzettingen. De hoger gelegen Hondsrug werd al ver voor de jaartelling bewoond. De Hereweg liep al in de prehistorie als pad over de Hondsrug en werd in de middeleeuwen min of meer gefixeerd op haar huidige plaats. Rond deze weg werd op kleine schaal akker- en tuinbouw bedreven. Het lager gelegen stroomdal van de Drentse Aa aan westzijde werd mogelijk rond 1400 gekanaliseerd tot het Hoornsediep waarna hier veeteelt mogelijk werd.Hacquebord & Overbeek (1994), pp. 3-6 Ten oosten daarvan stroomde mogelijk al vanaf de 11e eeuw het (Helper)Maar.

Het gebied behoorde in de middeleeuwen tot de stadsvrijheid (of stadstafel): het gebied buiten de stadsmuren dat juridisch onder de stad viel. Het gebied lag buiten de stadspoorten en om het schootsveld vrij te houden in geval van een belegering gold er een bouwverbod. Er stonden buiten de Herepoort wel herbergen langs de Hereweg, maar deze mochten alleen van hout zijn om ze bij een aanval snel te kunnen afbreken. Ten westen van de Hereweg lagen veel moeskerijen waar groente en fruit werd verbouwd voor de stad. In een Frans document uit 1808 wordt het gebied aan zuidzijde van de stadswallen 'le Potager de Groningue' ("de moestuin van Groningen") genoemd.Schroor, M. (2018), "Statistique de Groningue: Het departement Groningen ten tijde van het Koninkrijk Holland", Stad en Lande 2018 nr. 3. pp. 30-35. Hier p. 33.

Na het beleg van 1672 werd aanvankelijk besloten om voor de stadswallen de Griffelinie aan te leggen. Daarbij werd het gebied aan beide zijden van de Hereweg afgegraven om dit in geval van een nieuwe aanval te kunnen inunderen. Al snel na de start van de werkzaamheden in 1690 werd besloten om het werk te staken, omdat het veel efficiënter was om de vijand ver van de stadswallen te houden. Daartoe werd eind 17e eeuw de vooruitgeschoven Helperlinie aangelegd.

Na de aanleg van de Helperlinie werd de militaire waarde van het gebied in de praktijk steeds minder gezien. De Hereweg groeide uit tot een wandelgebied. In 1741 liet het stadsbestuur aan weerszijden vier rijen bomen planten. Welgestelden bouwden er theekoepels en legden er tuinen aan. In 1765 werd het Sterrebos aangelegd aan oostzijde van de weg. Eind 18e eeuw nam de bebouwing langs de Hereweg steeds verder toe en ontstonden vanaf de Achterweg (destijds 'de Weg langs ‘t land' genoemd) een aantal gangen en stegen, zoals de Davidsteeg en de Baresteeg, waarlangs vooral moeskerswoningen en boerderijen verrezen. Op de kaart van landmeter Peter de la Rive uit 1734 en de Hottingerkaart van rond 1790 is het huidige stratenpatroon van de Davidstraatbuurt al deels zichtbaar. De namen van de stegen die later uitgroeiden tot straten verwijzen ook naar deze tijd. De Baresteeg verwijst bijvoorbeeld ofwel naar het Franse woord 'barre' voor de tolboom aan de Hereweg aan oostzijde voor de heffing van accijnzen voor het stapelrecht (genoemd vanaf 1654) of naar de herberg 'in de Baer' op de zuidelijke hoek met de Hereweg dienaar deze tolboom vernoemd was. De Davidsteeg verwijst naar de herberg 'de David' (later Oude David) op zuidelijke hoek met de Hereweg (genoemd vanaf 1676). Nadat de Hereweg in 1824 werd verhard en het beheer overging naar het Rijk, werden door welgestelden ook permanente woningen langs de weg gebouwd.

Aan westzijde van de Achterweg lagen vroeger twee omgrachte percelen, die mogelijk al aanwezig waren in de 16e eeuw. Op het zuidelijke hof lag mogelijk vanaf het begin van de 18e eeuw het zomerverblijf Toppingaborgh. Dit buiten werd begin 19e eeuw hernoemd tot Rozenburg. Na de dodelijke Groninger ziekte van 1826 werd besloten de doden voortaan buiten de stadswallen te begraven. In 1828 werd daarvoor ten zuiden van de buurt de Zuiderbegraafplaats aangelegd.

Davidstraatbuurt