Zending is, binnen het protestantisme, het verspreiden van het christelijk geloof in een andere cultuur. De motivatie hiervoor gaat terug op de Grote Opdracht (ook wel Zendingsbevel) die Jezus Christus aan zijn discipelen mee gaf voordat hij opsteeg naar de hemel. De term missie wordt gebruikt in de Rooms-Katholieke Kerk en de orthodoxe kerken.

De bekendste versie van het Zendingsbevel komt voor in het Evangelie volgens Matteüs:

Geschiedenis van de zending miniatuur|Missie- en zendingskaart uit 1891 (bron: Vrije Universiteit Amsterdam) De eerste voorbeelden van christelijke zending zijn al terug te vinden in de Bijbel. Vooral het boek Handelingen doet uitgebreid verslag van de zendingsactiviteiten van de apostel Paulus. Deze trok rond en stichtte tal van lokale kerkgemeenschappen. Ook van de andere apostelen van Jezus is bekend dat zij zich sterk inzetten voor de verspreiding van het christelijk geloof.

Ook in de na-apostolische tijd ging de verspreiding van het evangelie met grote kracht voort. Het waren vooral de mensen die zich verplaatsten – kooplui en handelslieden – die het christelijk geloof verspreidden naar alle hoeken van het Romeinse Rijk. Ondanks vervolgingen won het christendom aan invloed. Belangrijkste reden lag in het feit dat de godsdienst voor iedereen toegankelijk was, en de hoge morele standaard van de christenen.

Vooral in de eerste drie eeuwen na Christus was er sprake van een zendingskerk. Als na de bekering van Constantijn het christendom de erkende staatsgodsdienst wordt, raakt de vaart uit de zending. Er is sprake van stabilisatie en institutionalisering.

Toch zijn deze eeuwen niet onbelangrijk geweest voor de verspreiding van het christelijk geloof. Door enkelingen werd het evangelie met kracht verspreid. Met name van de monniken uit Ierland ging – na de kerstening van dat land door Sint Patrick – veel actie uit. Door toedoen van Willibrord en Bonifatius kreeg het christendom ook vaste grond bij de Germaanse en Friese stammen in het gebied waar nu Nederland ligt.

Sinds de achtste eeuw zijn door het oprukken van de islam grote gebieden voor het christendom verloren gegaan. In Syrië, Noord-Afrika en Klein-Azië, waar eeuwenlang bloeiende kerken waren geweest, maakte het christelijk geloof zo goed als geheel plaats voor de islam. Twee eeuwen lang poogde de Kerk de verloren gegane gebieden te heroveren door middel van de kruistochten, maar dit had op lange termijn weinig effect.

Het waren vooral de in het begin van de dertiende eeuw gestichte gemeenschappen door de Italiaan Franciscus van Assisi en de Spanjaard Dominicus, respectievelijk de orde der franciscanen en de orde der dominicanen, waardoor het christelijk geloof werd verspreid. Van de dertiende tot de vijftiende eeuw waren zij van grote betekenis voor de verspreiding van het evangelie. Ze trokken onder andere naar China, India, Noord-Afrika, Syrië, Palestina, Egypte, Pruisen, Litouwen, Estland en Finland.

Tegen het einde van de vijftiende eeuw was in deze ordex het eerst zo laaiende zendingsvuur zo goed als gedoofd. Na enkele vergeefse pogingen er weer nieuw leven in te blazen, werden zowel in de franciscaner als de dominicaner orde de speciale zendingsafdelingen opgeheven.

Van christelijke zending was weinig sprake meer, maar daar kwam verandering in toen Portugal en Spanje bezittingen krijgen in Afrika, Azië en het pas ontdekte Amerika. Portugal en Spanje kregen van de paus toestemming om dit gebied in te nemen, op de voorwaarde dat zij de inheemse bevolking zouden bekeren tot het christelijk geloof. Dit gebeurde al dan niet onder dwang. Bij het werk werd onder andere de orde van de jezuïeten ingezet.

In Europa was intussen de Reformatie uitgebroken. Van de reformatoren ging echter weinig activiteit uit op het gebied van zending. Een mogelijke reden hiervoor was dat er als reactie op de Rooms-Katholieke Kerk angst was om een te grote nadruk te leggen op menselijke activiteiten. Tegenover de Roomse missie, die alles verwachtte van missionaire inspanning, werd naar voren gebracht dat God er wel voor zou zorgen wie tot geloof zou komen.

In de zeventiende eeuw werd er toch een start gemaakt met de zending toen de protestantse landen ook koloniën kregen. Dit gebeurde echter meer door de overheid dan door de Kerk. Toen bijvoorbeeld Nederland bezittingen kreeg in het Verre Oosten, werd door de overheid de taak van zending opgedragen aan de Vereenigde Oostindische Compagnie. Hier kwam in de praktijk echter weinig van terecht. De Compagnie zond wel predikanten mee, maar deze dienden vooral de lokale Nederlandse bevolking en deden meestal weinig aan zendingswerk — een enkele uitzondering daargelaten — onder de inheemse bevolking. Dit hing ook samen met een besluit van de Synode van Dordrecht van 1618 dat stelde dat heidenen die gedoopt werden dezelfde vrijheid als andere christenen behoorden te hebben.:Die nu gedoopt zijn, dat zoodanige hetzelfde recht van vrijheid, hetwelk andere Christenen hebben, behooren te genieten, en door verkooping of door eenige andere vervreemding van de Christelijke Meesters of Heeren wederom in de macht der Heidenen niet behooren overgegeven te worden. 'De Negentiende Zitting', Synode van Dordrecht. Gearchiveerd op 9 oktober 2022. Dit bracht geen grootscheepse manumissie op gang, maar leidde ertoe dat slaven vervolgens nog nauwelijks werden gedoopt om te voorkomen dat ze vrijgelaten moesten worden. De Nederlandse en Britse koloniën kenden dan ook relatief weinig zendingswerk.

In de zeventiende en achttiende eeuw veranderde de situatie toch langzaam. De impulsen hiervan gingen vooral uit van het puritanisme, het piëtisme, de hernhutters, en het methodisme. Veel puriteinen waren van Engelse afkomst, maar vluchtten na geloofsvervolgingen, als gevolg van een conflict met de Anglicaanse Kerk – naar het nieuwe continent Amerika. Hier ontstond al snel een zendingsgenootschap voor de verbreiding van het Evangelie onder indianen.

Een equivalent van de puriteinse beweging was in vele opzichten op het continent van Europa de piëtistische beweging. Vanuit deze bewegingen werden zendelingen zover als Groenland en India uitgezonden. Een van de mensen die door het piëtisme werd aangeraakt was Nicolaus Graf van Zinzendorf. Hij kwam onder andere in aanraking met een zwarte man uit St. Thomas, die vertelde dat de zwarte slaven daar wel openstonden voor het evangelie, maar dat er niemand was om het hun te vertellen. Dit maakte een diepe indruk op hem. Vanuit Herrnhut werden in 1732 de eerste zendelingen uitgezonden. In totaal zouden er meer dan drieduizend volgen. Herrnhut werd het centrum van één der meest opmerkelijke bewegingen in de geschiedenis der zending. Op hun beurt zouden zij weer George Whitefield en John Wesley, de vader van het Methodisme, inspireren. Door hun toedoen ontstond er een krachtige opwekkingsbeweging in Engeland en de Verenigde Staten.

De oprichting van de Baptisten Zendingsvereniging in 1792 door de Engelsman William Carey wordt vrij algemeen gezien als het beginpunt van de moderne christelijke zending. De negentiende eeuw kwam bekend te staan als de eeuw van de zending. Carey zelf vertrok naar India en als gevolg van zijn werk kwam een groot aantal mensen tot geloof.

In de protestantse landen werden tal van zendings- en Bijbelgenootschappen opgericht. In Nederland werd het Nederlands Bijbelgenootschap en het Nederlandsch Zendeling Genootschap opgericht. Een groot deel van de bevolking van Afrika zou in aanraking komen met het christelijke geloof. Ook in Azië kreeg het christelijk geloof op sommige plaatsen vaste grond onder de voeten, zij het een stuk minder breed dan in de zuidelijke delen van Afrika. Met name een groot deel van Korea zou zich bekeren tot het christelijk geloof. Bekende namen uit deze eeuw zijn die van Hudson Taylor, die het evangelie bracht in China, Adoniram Judson, een Amerikaanse zendeling, David Livingstone en Charles Studd. Deze laatsten zetten zich beiden in voor de zending in Afrika.

Naar aanleiding van de sociale kwestie, ook wel het arbeidersvraagstuk, en toenemende ontkerkelijking ontstond in de negentiende eeuw vanuit Duitsland de inwendige zending. Bij de op grote schaal opgerichte protestantse weldadigheidsinstellingen gingen evangelisatie en hulpverlening hand in hand. Voormannen in Nederland van deze beweging van praktisch christendom waren Ottho Gerhard Heldring, Hendrik Pierson en Lucas Lindeboom.

Na de Tweede Wereldoorlog is er sprake van een aantal nieuwe organisaties, zoals Jeugd met een Opdracht, die een nieuwe impuls geven aan de zending. Ook zijn er verschillende bijeenkomsten en conferenties geweest die grote invloed hebben gehad op de ontwikkeling van de christelijke zending. De bekendste hiervan is de Laussane-conferentie die in 1974 op initiatief van de evangelist Billy Graham werd gehouden.

Definitie zending Er is veel discussie over de definitie van zending. Deze discussie behelst twee punten. Ten eerste, de inhoud en ten tweede, tot wat voor bevolkingsgroepen zouden zendelingen zich moeten richten alvorens men van zending kan gewagen.

Inhoud Onder andere binnen de Wereldraad van Kerken heeft altijd de discussie gespeeld wat zending precies inhoudt. Op de vierde bijeenkomst van de Wereldraad in Uppsala werd het brengen van het evangelie uitgelegd als "het herstructureren van de samenleving". Een conferentie in Bangkok in 1973 ging nog verder. Op de conferentie domineerde de opvatting dat Christus door zijn dood al de hele mensheid had gered, een opvatting die ook wel universalisme wordt genoemd. Deze gebeurtenissen zorgden voor veel onrust, zowel binnen als buiten de Wereldraad.

Een groep evangelicale christenen verenigde zich onder leiding van de Amerikaanse evangelist Billy Graham en stelde in 1974 het Lausanne Covenant op. Hierin werd zending gedefinieerd als: Het goede nieuws verspreiden dat Jezus Christus voor onze zonden, stierf en naar de Schriften uit de doden opstond en dat Hij nu als de heersende Koning de vergeving der zonden en de bevrijdende gave van de Heilige Geest aanbiedt aan allen die zich bekeren en geloven.

Wie en waar Tot halverwege de twintigste eeuw was het niet moeilijk uit te leggen wat zending inhield: Het brengen van het evangelie van Jezus Christus aan andere volken in andere landen. Met het ontstaan van meer gemengde samenlevingen (qua etniciteit) en de ontkerstening die heeft plaatsgevonden in het westen – met name in Europa – gaat die definitie echter niet zo makkelijk meer op. Veel stemmen gaan op om zending te definiëren in de trant van het brengen van het evangelie van Jezus Christus aan een crossculturele gemeenschap. Een algemene omschrijving bestaat er echter niet.

Missio Dei, de holistische benadering