alt=Kaart van de Ommelanden, het Gorecht, het Oldambt en Westerwolde in de 16e eeuw|miniatuur|De Ommelanden, het Gorecht, het Oldambt en Westerwolde in de 16e eeuw

Groningen is zowel een stad als een provincie. De geschiedenis van de stad is niet te begrijpen zonder kennis van de Ommelanden, de geschiedenis van de provincie is ook niet te begrijpen zonder begrip van de bijzondere positie van de enige grote stad in de provincie. In dit artikel worden daarom zowel de geschiedenis van de Ommelanden als de geschiedenis van de stad behandeld.

Prehistorie en oudheid

Landschapsvorming thumb|Maximale ijsuitbreiding in verschillende perioden, Groningen lag tweemaal onder het ijs, in het Elsterien en het Saalien. Het tijdperk waarin de geschiedenis van Groningen haar begin vond was het pleistoceen (zo'n 200.000 jaar geleden), dat werd gekenmerkt door wisselende warme en koude periodes. Tijdens deze koude periodes (Elsterien en Saalien) kwamen er lange zware ijstongen, ook wel gletsjers genoemd, over Nederland, ten noorden van de tegenwoordige grote rivieren, te liggen. Deze trokken zich in de volgende warme periode weer terug. In deze warme periodes kwamen er rivieren over Nederland te liggen die zand, grind en ander fijn materiaal sedimenteerden. Voor Groningen betrof dit de Eems, die volgens sommigen toen nog door het tegenwoordige Westerwolde stroomde. Na deze warme periode volgde er weer een koudere periode (Saalien; 238.000 tot 126.000 jaar geleden). Ook tijdens deze periode kwam het landijs in Nederland, tot aan de grote rivieren. Door de enorme druk van het gewicht van de gletsjers die twee keer over Noord-Nederland zijn getrokken, is de grond daar langzaam samengeperst en ingezakt. Ook de aanwezigheid van keileem maakte de grond "waterdicht". Het Saalien was de laatste periode waarin landijs tot in Noord-Nederland kwam. Toen werd de Hondsrug gevormd.

Tijdens het einde van de laatste ijstijd, het Weichselien, zo’n 12.000 jaar geleden, steeg de waterspiegel van de Noordzee snel. Hierdoor werd de afwatering van het gebied dat men tegenwoordig kent als de provincie Groningen, slechter. Door de "waterdichte" ondergrond ontstond er een uitgebreid moerasgebied, dat later ook wel het Bourtangermoeras genoemd werd. Dit gebied strekte zich uit over Groningen, Drenthe, Friesland en het Eemsland. Vanuit het zuidoosten werd dit gebied doorsneden door een lange zandrug met allerlei kleine uitsteeksels en uitlopers: de Hondsrug. Deze strekt zich tegenwoordig uit over een afstand van ongeveer zestig kilometer van Emmen in zuidoost Drenthe tot voorbij de tegenwoordige stad Groningen waar het geleidelijk onder de kleibedekking verdwijnt.

Eerste menselijke bewoning thumb|Nederland rond 2750 v.Chr. Vroege bewoningssporen zijn onder andere middenpaleolithische vondsten in De Wijert-Zuid en Noordhorn (30.000 jaar geleden of eerder) en een tijdelijk kampement uit de Hamburgcultuur bij Sassenhein, ca. 13.000 jaar geleden. De zandruggen werden al sinds het Neolithicum (5000-2000 v.Chr.) bewoond door mensen van pre-Indo-Germaanse herkomst. De hunebedden, waarvan 52 in Drenthe en twee in Groningen resteren, zijn daarvan het bewijs. Het noordelijkste hunebed van Nederland (G5) werd gevonden onder de wierde van Heveskesklooster. Het is het enige bekende hunebed van Nederland dat niet op het Drents plateau lag. Buiten de zandgronden kunnen meerdere hunebedden bedekt zijn geraakt door kleilagen. Het andere nog zichtbare Groningse hunebed (G1) ligt bij Noordlaren, wel op het zand, vlak tegen de huidige grens met Drenthe. Zeker is dat er zowel in Groningen als Drenthe meer hunebedden geweest zijn dan nu bekend. Van drie verdwenen Groningse hunebedden (G2 t/m G4) is vastgesteld dat ze ooit bestaan hebben, daarvan is G2 uitvoerig opgegraven en onderzocht. Ook andere archeologische vondsten bevestigen dat er in de huidige provincie Groningen al vroeg bewoning plaatsvond.

In de vroege ijzertijd, 600-400 v.Chr. werden ook de lager gelegen leemgebieden bevolkt, doordat de zandruggen langzaam smaller werden. Sinds het einde van de Bronstijd (700 v.Chr.) hadden zich steeds meer Ingvaeones in het gebied gevestigd. Deze volksstam van de Westgermanen stamde oorspronkelijk uit zuidelijk Scandinavië. De naam Ingvaeones is afgeleid van de God Inguz. Inguz is een andere naam voor de Germaanse God Freyr. Stammen van de Ingvaeonen waren de Saksen, Friezen, Chauken, Jutten, Angelen, Warnen, Kimbren en Teutonen. De Friezen waren het meest actief in het gebied dat nu de provincie Groningen is, en vormt met de huidige provincie Friesland tot aan de huidige regio West-Friesland het stamland der Friezen.

Wierden Vanaf 400-200 v.Chr. vonden voor het eerst duidelijke culturele veranderingen plaats. Deze hadden mogelijk te maken met de nieuwe stijging van de zeespiegel, die werd ingeluid door het begin van een nieuw warm tijdperk. Om de regelmatige overstromingen van hun huizen, later hun gehele dorpen, tegen te gaan, begon de bevolking tussen Eems en Lauwers (tegenwoordig Groningen) kunstmatige wallen - zogenaamde wierden of warden - op te werpen. In Friesland ten oosten van de Eems worden deze warften genoemd, en in Friesland ten westen van de Lauwers spreekt men van terpen. Deze lagen veelal al op de hogere plaatsen in het landschap.

Toen de zeespiegel nog verder steeg en hierdoor meer en meer ernstige overstromingen plaatsvonden werd de hoogte van de wierden hierop aangepast. Tegenwoordig wordt dit tijdperk verdeeld in perioden die overeenkomen met stijging en daling van de zeespiegel en de mate van bouwactiviteit aan de wierden.

Er worden drie verschillende perioden onderscheiden: de eerste begon rond 500 v.Chr., de tweede rond 200 v.Chr. tot 50 n.Chr. en de derde begon rond 700 na Chr. Vanaf het jaar 250 steeg de zeespiegel zo snel dat vrijwel alle bewoners de leemgebieden verlieten en er pas rond het jaar 400 voor het eerst weer terugkeerden. Van een aantal wierden is echter aangetoond, onder meer Ezinge, dat deze onafgebroken bewoond zijn gebleven.

De kaart van Groningen wordt in deze periode ingrijpend gewijzigd. De Lauwerszee ontstaat, waarbij waarschijnlijk nederzettingen in het water zijn verdwenen. De inbraak van het water is zo heftig dat Middag en Humsterland, en het gebied van de latere gemeente De Marne, eilanden worden. Een vergelijkbaar proces zal zich enige eeuwen later herhalen bij de vorming van de Dollard.

Romeinse tijd Julius Caesar had het Keltische Gallië (tegenwoordig Frankrijk en België) tussen 58 en 50 v.Chr. veroverd en de grenzen van het Romeinse rijk daardoor tot aan de Rijn verlegd. Toen keizer Augustus voor het eerst in 28 v.Chr. de grenzen tot aan de Elbe wilde uitbreiden kwamen de Friezen onder Romeins gezag. In hoeverre het huidige Groningen ook daadwerkelijk onder Romeinse heerschappij heeft gestaan is niet duidelijk.

Drusus, de stiefzoon van Augustus en legeraanvoerder, kwam in 12 v.Chr. tot wapenstilstand met de Friezen. Hij liet ze slechts regelmatig belasting betalen in de vorm van koeienhuiden. Toen de belasting steeds hoger werd en de Romeinen steeds vaker Friese vrouwen en kinderen meenamen voor slavernij verzette de Friese bevolking zich tegen de bezetting. Bij de gevechten die volgden leden de Romeinen een nederlaag. Zij trokken zich terug en verlieten vervolgens het gebied.

Vroege middeleeuwen Volksverhuizing en Friese koningen De periode tussen de Romeinse overheersing en de opkomst van Friese koningen, ruwweg de periode tussen 100 en 500, behoort nog tot de prehistorie. De huidige stad Groningen was in deze periode al een bewoonde plaats. In de provincie, met name in het Westerkwartier en Hunsingo was sprake van een groei van het aantal bewoonde wierden. Hoewel aangenomen wordt dat het gehele Nederlandse kustgebied na de Romeinse tijd grotendeels ontvolkt raakte zijn er archeologische vondsten gedaan die er op wijzen dat een aantal wierden, bijvoorbeeld Ezinge, onafgebroken bewoond zijn gebleven. Ook na de Grote Volksverhuizing worden de wierden door Friezen bewoond, hoewel met schriftelijke bronnen niet een directe band met de Frisii uit de Romeinse geschiedschrijving aan te tonen is. Het gebied tussen Lauwers en Eems maakte in de vroege middeleeuwen onderdeel uit van het Friese stamgebied. Uit deze tijd zijn twee namen van koningen bekend, Aldgisl en Radboud. Na de Slag aan de Boorne in 734 werd het Friese stamgebied ten westen van de Lauwers onderdeel van het Frankische rijk. Met de overwinning van Karel de Grote op Widukind in 783 veroverden de Franken ook het Friese stamgebied tussen de Lauwers en de Wezer.

Kerstening left|thumb|Liudger en Bernlef Groningen maakte zoals gezegd in de vroege middeleeuwen deel uit van het woongebied van de Friezen. In de achtste eeuw kwamen de Friezen in conflict met de Franken. De Franken bouwden aan hun rijk onder de dynastie van de Karolingen en veroverden grote stukken land, overal in Europa. De Franken probeerden in het nieuw verworven land de bewoners te kerstenen. Het één staat niet los van het ander. Karel de Grote hechtte veel belang aan de bekering tot het christendom van zijn nieuwe onderdanen. Al kort na de nederlaag van Widukind ontvangt de abdij van Echternach in 786/787 land in Humsterland en in Middag. Liudger kreeg toen ook de opdracht Hummerchi, Hunusga en Fivelga te kerstenen. Hij werd later bisschop van Münster, waardoor het grootste deel van de Ommelanden tot het bisdom Münster ging behoren. De eerste kerken zullen waarschijnlijk van hout geweest zijn. Liudger zelf zou er een zestal hebben gesticht. Er waren later proosdijkerken in Baflo, Farmsum, Leens, Loppersum, Oldehove en Usquert. Ook Willehad, later bisschop van Bremen is in deze streken actief geweest.

De Sint Maartenskerk (tegenwoordig Martinikerk genoemd) in de stad is waarschijnlijk de eerste stenen kerk geweest. Oorspronkelijk was ook de Martinikerk een houten kerk, gebouwd rond 800, de eerste stenen kerk is waarschijnlijk gebouwd tussen 925 en 950. De stichter van de eerste Maartenskerk is niet bekend, mogelijk was het Willehad.

De overgang tot het christendom is een proces geweest dat in meerdere fases is verlopen. Uit de tweede fase, die rond de overgang van de tiende en elfde eeuw gedateerd kan worden, stamt de enige echt lokale heilige, Walfridus van Bedum. Hij zou vermoord zijn door de Noormannen. Dat de Noormannen ook het gebied van de huidige provincie Groningen hebben bezocht lijkt waarschijnlijk, maar sluitende bewijzen ontbreken daarvoor. De vita van Walfridus, die de invallen noemt, is waarschijnlijk eind twaalfde eeuw voor het eerst opgetekend.

Bekering tot het christendom was een van de pijlers van het rijk van Karel de Grote. De andere pijler, het feodalisme, heeft in Groningen nimmer echt wortel geschoten.

Er is wel sprake van gouwen, maar een grafelijke dynastie heeft zich nooit ontwikkeld. In hoeverre dat een gevolg was van de Friese vrijheid, een privilege dat door Karel de Grote aan de Friezen verleend zou zijn, is niet bekend. Volgens de Codex Eberhardi schonk een graaf Dirk in de negende eeuw goederen in de Ommelanden (Den Andel) aan de abdij van Fulda.

In 1040 schonk de Duitse koning Hendrik III de stad aan de bisschop van Utrecht, deze stelde in de 13e eeuw burgemeesters aan, die door vertegenwoordigers van burgers konden worden gekozen. Zo kon de stad zich relatief onafhankelijk van de grootgrondbezitter ontwikkelen.

Van Frankisch naar Rooms-Duits Bij de deling van het Frankische Rijk in 843 kwam het huidige grondgebied van de provincie Groningen onder de heerschappij van Lotharius I van Midden-Francië. Het verdrag van Ribemont (880) bepaalde dat Midden-Francië o.a. de Lage Landen (met uitzondering van Vlaanderen) af moest staan aan Oost-Francië, dat in 962 werd omgedoopt tot het "Heilige Roomse Rijk"; sindsdien stond Groningen onder de Rooms-Duitse koningen en keizers.

Hoge middeleeuwen thumb|Groningen rond 1562 (Jacob van Deventer) thumb|Middeleeuwse inbraken van de zee.

Stad Groningen