De veldkrekel (Gryllus campestris) is een insect uit de familie van de krekels (Gryllidae). De soort werd vermeld door Carl Linnaeus in zijn Systema naturae uit 1758. Oorspronkelijk werd de wetenschappelijke naam Acheta campestris gebruikt.
Uiterlijke kenmerken De veldkrekel heeft vleugels maar leeft voornamelijk op en in de bodem. Hij heeft een rond lichaam en een gedrongen bouw. Kop en halsschild zijn zeer stevig en glanzend zwart, de voorzijde lijkt enigszins op een helm. Bij het mannetje is de vleugelbasis lichter tot geel terwijl bij het vrouwtje de vleugels overwegend bruin zijn. Met haar relatief grote achterlijf heeft zij een plomper uiterlijk.
De mannetjes worden 18 tot 26 mm lang, vrouwtjes worden 19 tot 27 mm.De mannetjes zijn echter ook makkelijk van de vrouwtjes te onderscheiden doordat deze laatste een duidelijk zichtbare legbuis hebben waarmee de eitjes in de bodem worden afgezet. De legbuis heeft bij deze soort een verdikking aan het uiteinde. Bij jonge nimfen is seksuele differentiatie op zicht zo goed als onmogelijk. De cerci zijn zowel bij de mannetjes als bij de vrouwtjes relatief lang en draadvormig. De volwassen veldkrekel is doorgaans te zien (en te horen) van begin mei tot uiterlijk eind juli. De veldkrekel is daarmee de eerste sprinkhaanachtige die in het seizoen gehoord wordt.
Onderscheid met andere soorten De veldkrekel is door het zwarte lichaam en plompe voorkomen alleen met de zuidelijke veldkrekel (Gryllus bimaculatus) te verwarren. Deze laatste soort heeft een halsschild dat even breed is als de kop, bij Gryllus campestris is het halsschild smaller dan de kop. De zuidelijke veldkrekel komt in de Lage Landen in het wild normaal gesproken niet voor.
Verspreiding De veldkrekel komt voor in centraal- en zuidelijk Europa, noordelijk Afrika en westelijk Azië.Verspreidingskaart Observation.org
In Nederland komt de veldkrekel voor in Het Gooi, de duinen van Voorne-Putten en Schouwen-Duiveland, de Veluwe, Noord-Brabant en Zuid-Limburg.Verspreidingskaart Waarneming.nl
In Vlaanderen is de soort bedreigd en wordt hij voornamelijk opgemerkt in de provincie Limburg en de Antwerpse Kempen waar er plaatselijk nog vrij grote metapopulaties voorkomen. Met enkele middelgrote populaties in de omgeving van Diest maar ook kleine en dus erg kwetsbare relictpopulaties zoals bijvoorbeeld in Kessel-Lo - waar hij in het gazon van twee kleine aanpalende tuinen voorkomt - en in Keerbergen (Kruisheide), is deze insectensoort zeldzaam tot zeer zeldzaam in Vlaams-Brabant. In Oost-Vlaanderen zijn er nog twee gekende vindplaatsen (een grote populatie in Stekene tegen de Nederlandse grens en een relictpopulatie op een oude zandheuvel van een golfterrein in Sint-Martens-Latem).Dekoninck W., Lock K., Bonte D., Grootaert P., (2002). De sprinkhanen en krekels van enkele Oost-Vlaamse landduinrelicten: mogelijkheden voor de Veldkrekel? Saltabel, 19: 9-14 In West-Vlaanderen leek de soort sinds 1980 uitgestorven te zijn, maar in 2016 werd hij herontdekt op de Schobbejakshoogte.Verspreidingskaart Waarnemingen.be
Biotoop thumb|Veldkrekelbiotoop van begraasd heischraal grasland
Het biotoop van de veldkrekel bestaat uit zonnige, droge en schrale, licht begroeide plaatsen. In zijn noordelijk verspreidingsgebied komt hij bijna uitsluitend voor in oligotrofe grasland- en heidegebieden. De veldkrekel is een warmteminnende en bodembewonende soort die noch vliegt, noch klimt. Om zich te beschermen graaft hij een verticale gang onder graspollen of plantenwortels en maakt hiervoor gebruik van zijn sterke kaken of mandibels. Eén per één werkt hij achterwaarts kruipend een hoopje aarde naar buiten. De vochtige zandkorrels worden zo goed en zo kwaad mogelijk bijeengehouden door ze tussen kop en borststuk tegen de bodem te drukken en naar buiten te slepen. Eenmaal enkele centimeters van de ingang verwijderd, verspreidt de krekel het aangesleepte materiaal door hevig met zijn achterste poten te bewegen, zodanig dat het uitgegraven zand tussen de vegetatie niet opvalt. De tunnel is gewoonlijk tussen de 20 en 30 cm diep met een diameter van ongeveer 15 mm en eindigt in een kleine ronde ruimte waarin overwinterd wordt.
Door zijn deels ondergrondse levenswijze verdraagt de veldkrekel een hoge begrazingsdrukGawalek M., Dudek K., Ekner-Grzyb A., Kwiecinski Z., Sliwowska J. (2014). Ecology of the field cricket (Gryllidae) in farmland: the importance of livestock grazing. North-Western Journal of Zoology 10 (2) en verkiest dit zelfs wegens de ijle, schrale vegetatie met hier en daar kale plekken die daardoor ontstaatNijs G., Lambrechts J., D’Haeseleer J., Jacobs I. & Veraghtert W., 2013. Inventarisatie van heiderelicten in Vlaams-Brabant. Rapport Natuurpunt Studie 2013/13, Mechelen. en waardoor de krekel zijn temperatuur snel kan doen stijgen zonder zich al te ver van de ingang van het hol te moeten verwijderen. Tegelijkertijd kan het geluid dat door mannetjes geproduceerd wordt, verder dragen.Wiley R.H., Richards D.G., (1978) Physical constraints on acoustic communication in the atmosphere: Implications for the evolution of animal vocalizations. Behavioural Ecology and Sociobiology 3: 69-94 Hoewel de holletjes naar alle windrichtingen wijzen, zullen de meeste naar het zuiden, zuidoosten of zuidwesten gericht zijn.
Voortplanting thumb|Vrouwtje thumb|Mannetje thumb|Nimf
Veldkrekels zijn semelpare of univoltiene insecten, waarbij enkel de nimf overwintert. Na de laatste vervelling, bij warm weer vanaf half april, knagen ze vlak voor het hol planten weg om een soort podium, arena genoemd, te maken. De oppervlakte van dit podium varieert tussen de 3 cm² en 72 cm².Hahn S., Lorch D., (2005) Besiedlungsmuster und Frühjarhrs-Phänologie einer Population der Feldgrille, ‘’Gryllus campestris’’ L., im westlichen Wiener Wald Hier zit de krekel te zonnen en –wat de mannetjes betreft– te tjirpen, maar bij het minste gevaar schiet hij terug zijn schuilplaats in. Bij een ietwat hogere begroeiing van de habitat zal er links of rechts van het arena een kort gangetje door de vegetatie heen geknaagd worden. Veldkrekels zijn helemaal niet strikt aan hun territorium gebonden en zullen regelmatig andere holtes bezoeken om een partner te vinden of er hun rivalen uit te verdrijven. Beide geslachten zijn immers erg territoriaal en een holte wordt enkel gedeeld met een exemplaar van het andere geslacht. Gemiddeld bezetten mannetjes maar 2,8 dagen hetzelfde arena, een kleine minderheid blijft meer dan 10 dagen de holte trouw.Ritz M., (2000) Verhalten der Männchen in einer Wildpopulation der Feldgrille (Gryllus campestris L.) Articulata 15 (1): 87-98 Op vlakten met een hoge veldkrekeldensiteit, komen er een gelijk aantal aan het hol tjirpende, aan het hol niet tjirpende en dolende mannetjes voor. Niet tjirpende mannetjes die bij een arena op wacht staan, hebben in dit geval meer kans op paren.Hissmann K. (1990) Strategies in mate finding in the European field cricket (Gryllus campestris) at different population densities: a field study. Ecological Entomology 15: 281-291 Bij een lage veldkrekeldensiteit echter, zal de populatie de neiging hebben om zich te groeperen, en zullen er verhoudingsgewijs meer tjirpende mannetjes voorkomen. In dat geval hebben zij meer kans om een vrouwtje aan te trekken dan de dolende of passieve mannetjes. Mannetjes die geen eigen onderkomen meer hebben, zijn kwetsbaar en moeten ofwel op hun beurt een nieuwe holte inpalmen ofwel een andere schuilplaats zoeken. Dit kan onder een wortel, een steen of enig ander beschermend voorwerp, zoals zelfs bouwafval onder de vorm van plastieken platen of planken zijn. De gangen die evenwel tijdens het paarseizoen gegraven worden, zijn doorgaans niet meer zo diep.
De mannetjes zingen vanaf een temperatuur van 12-13 °C, zowel overdag als tijdens het eerste deel van de nacht. Het geluid ontstaat door stridulatie en is typisch krekelachtig; kri..kri..kri waarbij altijd de linkervleugel onder de rechtervleugel wordt geschoven.
Eenmaal een vrouwtje in de buurt opduikt, begint het mannetje zachter en hoger te tjirpen waarbij hij haar met kleine rukjes achterwaarts nadert. Indien zij paringsbereid is, wurmt het mannetje zich onder haar en deponeert hij een zaadpakketje in het geslachtsorgaan van zijn partner. Dit wit pakketje is met wat geluk ook goed te zien, na uiterlijk een half uur wordt het donkerder. Na de bevruchting wordt de balts hervat om te verhinderen dat een ander mannetje het pakketje zou verwijderenSimmons L.W., (1991) On the post-copulatory guarding behaviour of male field crickets. Animal Behavior 42: 504-505, hierbij wordt het vrouwtje ook intens door het mannetje gevolgd.
De vrouwtjes leggen reeds in mei hun eitjes die in kleine pakketjes van twintig tot veertig stuks met behulp van hun legboor in de grond worden gedeponeerd, zo’n 1.000 in totaal. Dit kan op de grond zijn maar ook op vermolmend hout, het celweefsel van planten of een boomstronk. Het leggen van de eieren gebeurt zowel in de nabijheid van het hol als verder het veld in. Na gemiddeld 26 dagenPearce-Kelly P., Jones R., Clarke D., Walker C., Atkin P., Cunningham A. A., (1998) The captive rearing of threatened Orthoptera: a comparison of the conservation potential and practical considerations of two species’ breeding programmes at the Zoological Society of London. J Insect Conserv 2:201–210. (gewoonlijk in juni) komen de eerste nimfen uit de grond gekropen, zij zijn dan reeds 1 mm lang, groeien zeer snel en kunnen na een zestal weken 20 mm bereiken. Veldkrekelnimfen doorlopen 11 verschillende stadia.Wallaschek M., (1991). Zur Larvalentwicklung von Gryllus campestris L. 1758. Articulata, 6 (2): 163-170
Om te vervellen gaan jonge nimfen met hun kop omlaag gericht aan een grasspriet of enig andere lage plant hangen. Vlak na de vervelling hebben ze een vuile bruinrode kleur. Het vervellingshuidje (of exuvia) wordt gewoonlijk opgegeten. De laatste twee stadia verlopen na de winter. Pas bij het voorlaatste stadium - in West-Europa rond eind maart, begin april - zal de seksuele differentiatie met het blote oog kunnen vastgesteld worden omdat de vrouwtjes een korte legbuis vertonen. Omdat de imagines doorgaans tegen eind juli sterven, gebruiken de grotere nimfen de holtes van hun voorgangers, maar elk jaar zullen er ook nieuwe gegraven worden. De geslachtsverhouding verloopt ongelijk: voor elk vrouwtje komen er ongeveer 1,25 mannetjes voor.
Voedsel Als de schemering inzet komt hij tevoorschijn en gaat op zoek naar voedsel. Door de schraalheid van zijn biotoop is de veldkrekel niet erg kieskeurig en mag zelfs een polyfaag en opportunist genoemd worden. Zijn voedsel bestaat dan ook uit wat hij in zijn onmiddellijke omgeving kan vinden. Grassen en kruiden die hij in zijn habitat tegenkomt, vormen het hoofdbestanddeel van zijn menu, maar ook hun wortels, zaden en kiemen worden verorberd. Met zijn stevige kaken gaat hij zelfs ietwat grotere zaden eerst van hun zaadhuid ontdoen om het voedzame kiemwit te kunnen bereiken. Indien voorhanden, zullen zowel de nimfen als de imagines een voorkeur hebben voor het proteïnerijke handjesgras of ook het raaigras. Van de paardenbloem worden de bladeren niet gegeten terwijl hun voedzame zaadjes soms zelfs actief opgezocht worden. Hoewel de veldkrekel zijn holte kan delen met een occasionele spin, zullen dierlijke eiwitten in de vorm van kleine, trage geleedpotigen of zelfs een dood (zoog)diertje niet versmaad worden.
Bedreigingen en beschermingsmaatregelen thumb|left|Geplagd stuk grond in de Kalmthoutse Heide in België