Het dwergnijlpaard (Choeropsis liberiensis of Hexaprotodon liberiensis) is de enige nog bestaande soort in het geslacht Choeropsis en vormt samen met het gewone nijlpaard de enige overlevende soorten van de nijlpaarden-familie. Het gemiddelde gewicht van dwergnijlpaarden in gevangenschap is 160 tot 275 kg, met een kop-romplengte van omstreeks 173 cm en een schofthoogte van 70 tot 80 cm. Mannetjes zijn meestal wat groter en zwaarder dan vrouwtjes. Volwassen dwergnijlpaarden doen denken aan een jong van het veel grotere en zwaardere gewone nijlpaard. Het is een solitair, in het bos levend dier dat alleen in het wild voorkomt in de bossen van West-Afrika. Het dwergnijlpaard staat op de Rode Lijst van de IUCN van bedreigde soorten en is opgenomen in Bijlage II van de Convention on International Trade in Endangered Species of Wild Fauna and Flora (CITES). Deze soort is relatief zeldzaam in zoölogische instellingen en privécollecties wereldwijd. Er waren tot voor kort twee ondersoorten: Choeropsis liberiensis liberiensis en Choeropsis liberiensis heslopi, maar deze laatste is inmiddels vermoedelijk uitgestorven.

Kenmerken links|miniatuur|Kop van een rustend dwergnijlpaard. De huid van het dwergnijlpaard is grijs tot zwart van kleur, met af en toe roze vlekken op het lichaam en de ledematen. De huid is dik en heeft een rubberachtige textuur. Onderhuidse klieren scheiden een olieachtige, helderwitte, schuimende vloeistof af die de huid beschermt tegen zonnebrand, uitdroging en bacteriële infecties. Grove, borstelachtige haren bevinden zich alleen aan de oorranden, op de lippen en aan het uiteinde van de staart. De oren en neusgaten fungeren als kleppen die zich goed sluiten wanneer het dier zich onder water bevindt. De gemiddelde schedellengte is 31 cm gemeten van de rand van de bovenkaak tot de inkeping tussen de achterhoofdsknobbel. De breedte tussen het breedste punt van de jukbeenbogen is ongeveer 20 cm. De afstand tussen de oogkassen is bijna 10 cm. Verhoudingsgewijs is de hersenpan groter en de snuit korter dan bij het gewone nijlpaard. De gemiddelde kop-romplengte is 173 cm. De afstand tussen het schouderblad en de pols is ongeveer 61 cm en tussen het heupgewricht en de enkel 48 cm. De lengte van het dijbeen van het dwergnijlpaard bedraagt ongeveer 27 cm, vergeleken met ongeveer 53 cm bij het gewone nijlpaard. Er zijn 18 paar homologe chromosomen (2n=36). Alle chromosomen zijn metacentrisch behalve het acrocentrische Y-chromosoom. Hybriden tussen dwergnijlpaarden en gewone nijlpaarden zijn niet bekend.

Anatomie De wervelkolom bestaat uit 7 nekwervels, 14 borstwervels, 5 lendenwervels, 4 heiligbeenwervels en 10 of meer staartwervels, in totaal 40 of meer. De vier maagcompartimenten zijn vergelijkbaar met die van een herkauwer. De slokdarm mondt uit aan de rugkant van het voorste compartiment, de viscerale blinde zak. De compartimenten worden verder onderverdeeld door een reeks halvemaanvormige plooien, 1-3 cm hoog. De verbindingskamer is bij pasgeborenen in de rug-buikrichting georiënteerd om de doorgang van melk naar de kliermaag te vergemakkelijken. Bij volwassenen verandert de oriëntatie om een langere aanwezigheid van het voedsel en de verplaatsing ervan tussen compartimenten van de voormaag te bevorderen. Het slijmvliesepitheel van de voormaag is bekleed met vingervormige papillen, die elk variëren in lengte, dikte en vorm. Deze papillen zijn minder prominent bij pasgeborenen. Bij het volwassen dwergnijlpaard vergroten de papillen het functionele oppervlak van de voormaag met meer dan drie keer in vergelijking met dat van een gladde wand.

Ontwikkeling In gevangenschap drinken pasgeboren kalfjes slechts 2-3 keer per dag, maar dan wel relatief lang. Tijdens de eerste 4-5 maanden van hun leven komen kalveren ongeveer 300 gram per dag aan. In gevangenschap vindt het spenen al plaats op de leeftijd van 3 maanden. Dit gebeurt waarschijnlijk wanneer het kalf een jaarling is.

Verschillen met het gewone nijlpaard Het dwergnijlpaard heeft een aantal kenmerken behouden die beter zijn aangepast aan een terrestrische levensstijl dan het gewone nijlpaard, waaronder proportioneel langere ledematen en relatief kleine vliezen tussen de tenen die onder zijn eigen gewicht ook wijder uit elkaar staan. Stevige spieren tussen de parallelle beentjes in de voet voorkomen dat de tenen te ver spreiden, een aanpassing aan het lopen op modderige ondergrond. De ogen van het dwergnijlpaard zijn minder opvallend en staan verder naar de zijkant en hebben daarmee een breder gezichtsveld dan de ogen van het gewone nijlpaard dat veel meer tijd doorbrengt net onder het wateroppervlak en baat heeft bij ogen hoog op de kop. De asymmetrie van het straalvormig lichaam geeft het dwergnijlpaard ook een breder gezichtsveld naar achteren.

Taxonomie Het dwergnijlpaard is voor het eerst wetenschappelijk beschreven door de Amerikaanse arts, schrijver en natuurvorser Samuel George Morton in 1844 op basis van verschillende schedelfragmenten die hij verzamelde tijdens een expeditie naar Liberia, en hij noemde het dier Hippopotamus minor. Die naam was echter niet beschikbaar omdat Anselme Gaëtan Desmarest deze naam in 1822 al had gebruikt voor een reeds uitgestorven soort nijlpaard die was gevonden op Cyprus. Nadat Morton zich hiervan bewust was geworden gaf hij het dwergnijlpaard in 1849 de vervangende naam Hippopotamus (Tetraprotodon) liberiensis. Datzelfde jaar meende Georges Louis Duvernoy dat het dwergnijlpaard zo sterk afwijkt van het gewone nijlpaard dat de soort in een eigen geslacht geplaatst zou moeten worden en hij gaf het de naam Diprotodon liberiensis. De geslachtsnaam Diprotodon was echter niet meer beschikbaar omdat die in 1838 al door Richard Owen was gebruikt voor een groot, uitgestorven buideldier dat verwant is aan de koala en de wombat. De Amerikaanse bioloog Joseph Leidy gaf daarom in 1852 de vervangende naam Chœrodes liberiensis, maar ook die geslachtsnaam was al bezet, in dit geval door een zwartlijfkever. In 1853 stelde Leidy daarom de huidige naam Choeropsis liberiensis voor. De Franse anatoom Louis Pierre Gratiolet die de verschillen beschreef tussen nijlpaarden met olifanten, neushoorns, tapirs en varkens, viel de vele verschillen op tussen nijlpaarden uit Senegal en uit zuidelijk Afrika en hij gaf het dwergnijlpaard in 1867 de overbodige wetenschappelijke naam Ditomeodon liberiensis. Gordon Barclay Corbet meende in 1969 dat de dwergnijlpaarden uit de Nigerdelta voldoende afwijken om ze als een aparte ondersoort te onderscheiden en hij maakte de combinatie Choeropsis liberiensis heslopi. In 1977, het jaar nadat ze overleed, werd The taxonomy and nomenclature of the Hippopotamidae (Mammalia, Artiodactyla) and a description of a two new fossil species van de Britse paleontologe Shirley Cameron Coryndon uitgegeven, die gespecialiseerd was in nijlpaarden. Ze meende dat het dwergnijlpaard in een geslacht moet worden geplaatst dat in 1836 was beschreven door Hugh Falconer en Proby Cautley, met enkele fossiele soorten. Ze maakte daarmee de nieuwe combinatie Hexaprotodon liberiensis. In 2011 meenden de Australiër Colin Peter Groves en de Brit Peter Grubb dat de ondersoort van Corbet beschouwd moet worden als een afzonderlijke soort die daarmee Choeropsis heslopi genoemd zou worden. Het dwergnijlpaart wordt gerekend tot de Orde Evenhoevigen, onderorde Whippomorpha, familie Nijlpaarden, geslacht dwergnijlpaarden.

Naamgeving De geslachtsnaam Choeropsis is een samentrekking van de Oud-Griekse woorden χοῖρος (khoîros) wat "varken" betekent en ὄψις (ópsis) "lijkend op". De soortnaam liberiensis verwijst naar het West-Afrikaanse land Liberia, waar vandaan het exemplaar afkomstig was waar de oorspronkelijke beschrijving op gebaseerd is.

Verwantschap Historisch gezien werden beide soorten nijlpaard geclassificeerd als behorend tot de familie van de varkens (Suidae), en recent als de nijlpaardenfamilie (Hippopotamidae). Recente studies waarin verschillen in het DNA en de lichaamsbouw zijn geanalyseerd, hebben aangetoond dat nijlpaarden en de walvissen het nauwst aan elkaar verwant zijn en omdat walvissen daarmee tot de evenhoevigen behoren is de naam Cetartiodactyla voorgesteld.

Fossielen De vroegste fossielen van het geslacht Hexaprotodon zijn gevonden in het deel van de Siwalikheuvels dat op de grens tussen India en Pakistan ligt. Ze dateren uit het begin van het Plioceen, ongeveer 5 miljoen jaar geleden. Een inmiddels uitgestorven dwergnijlpaardsoort kwam veel recenter voor op de eilanden Cyprus, Kreta tot ongeveer 10.500 jaar geleden en Madagaskar waarschijnlijk tot ongeveer 2000 jaar geleden.

Gedrag Het dwergnijlpaard is over het algemeen een solitair dier dat leeft in primair en secundair regenwoud, bij voorkeur laaggelegen Raphia-palmmoerassen en gebieden nabij of gedeeltelijk onder water. Hij heeft de neiging open gebieden te vermijden en trekt zich bij gevaar terug in het bos. De dieren hebben vaste rustplaatsen in hun leefgebied, waaronder holtes die onder boomwortels zijn uitgespoeld. Het dier reist over het algemeen langs een netwerk van vaste paden, die door hun dichtbeboste leefgebied lopen en ook door andere dieren worden gebruikt. Hij lijkt gebieden met veel menselijke activiteit te vermijden, maar eet wel landbouwgewassen op plantages en zelfvoorzieningslandbouwakkers. Zeer jonge kalveren worden verborgen in een ondiepe poel of tussen de vegetatie terwijl de moeder op zoek gaat naar voedsel. Ze bezoekt het kalf meerdere keren per dag om te zogen. Het dwergnijlpaard drukt z'n achterkant tegen verticale oppervlakken en verspreidt met een reeks snelle, propellerachtige staartbewegingen een mengsel van urine en ontlasting, waarmee het een geurvlag plaatst en z'n territorium markeert.

Voortplanting en levensverwachting thumb|left|Baby dwergnijlpaard Flory (een maand oud) in Diergaarde Blijdorp (oktober 2009) Na een draagtijd van zo'n 6 à 7 maanden krijgt een dwergnijlpaard meestal 1, maar soms ook 2 jongen. Behalve de mens, kent het dier weinig natuurlijke vijanden. Ze worden weleens gegrepen door een krokodil, python of luipaard. Ze kunnen wel 50 jaar worden, maar in gevangenschap meestal rond de 45 jaar.

Leefwijze Deze solitaire soort eet vooral korte grassen, struiken, varens en vruchten. Hun leefgebieden overlappen elkaar vaak, maar dat leidt meestal niet tot gevechten of andere interacties. Ze zijn nachtactief en volgen een vaste route tijdens hun zoektocht naar voedsel. Overdag schuilen ze in moerassen of in een nest in een rivieroever, dat vaak uitgebouwd is door een ander dier.

Voedsel Het dwergnijlpaard foerageert voornamelijk op het droge, maar is niet afhankelijk van gras. Regionale en seizoensgebonden verschillen in de beschikbaarheid van planten bepalen waarschijnlijk het voedselpakket, en de verscheidenheid aan geconsumeerde plantensoorten is ongetwijfeld behoorlijk divers. Het dieet bestaat uit jonge boomtakken, scheuten, grassen en gevallen bosvruchten. Waarschijnlijk graaft hij naar knollen en wortels als onderdeel van zijn dieet. Het dwergnijlpaard eet de bladeren van jonge regenwoudbomen door een tak in zijn bek te nemen en af te ritsen zodat de tak nauwelijks beschadigt. Om varens te bereiken die in hogere palmen groeien, gaat het dier op zijn achterpoten staan en steunt hij met zijn voorpoten tegen de boomstam. Harde vruchten worden tussen zijn kiezen verpletterd. Sommige kleinere planten worden gegeten door de hele plant, inclusief de wortels, uit de grond te trekken. Lage, bodembedekkende planten worden gegeten door te grazen, soms over meerdere m². Foerageerperiodes duren gemiddeld 5-6 uur en beginnen meestal in de late namiddag en vroege avond. De dieren lopen meestal in een rechte lijn als ze grazen, in plaats in een golfpatroon.