Chriacus is een uitgestorven zoogdier behorend tot de Arctocyonidae. Dit dier leefde van het Vroeg-Paleoceen tot het Vroeg-Eoceen in Noord-Amerika.Fossilworks: Chriacus Chriacus is een van de best bekende "condylarthen", mede door de vondst van een vrijwel compleet skelet, en het leek wat betreft uiterlijk en leefwijze sterk op de hedendaagse neusberen.

Fossiel voorkomen Fossielen van Chriacus zijn gevonden in de strata van de Western Interior, het gebied van de Canadese provincies Alberta en Saskatchewan in het noorden via de Amerikaanse staten Montana, North Dakota, Wyoming, Utah en Colorado tot New Mexico in het zuiden. In de Western Interior zijn de compleetste en best bestudeerde fossielen van zoogdieren uit het Paleoceen en Vroeg-Eoceen wereldwijd gevonden. De North American Land Mammal Ages (NALMA) worden gebruikt als tijdschaal in de Noord-Amerikaanse stratigrafie. Chriacus was van het Laat-Puercan tot het Laat-Wasatchian (circa 63 tot 50 miljoen jaar geleden) met meerdere soorten vertegenwoordigd in Noord-Amerika.Census of Paleocene mammals. GG Simpson. American Museum Novitates (1959).

Kenmerken thumb|250px|De rode neusbeer, het hedendaagse dier waar Chriacus het meest mee overeenkomt wat betreft leefwijze en uiterlijk Veel informatie over Chriacus is afkomstig van een uitzonderlijk compleet en gearticuleerd skelet uit het Wasatchian, dat in jaren tachtig van de twintigste eeuw in Wyoming is gevonden. Het is een van de compleetste zoogdierskeletten uit deze periode. Bij dit specimen ontbreekt alleen het schedeldak, delen van de sacrale en caudale wervelkolom, het distale deel van de linkerhand en enkele kleine andere delen. Dit skelet toont dat Chriacus een dier was dat wat betreft formaat, proporties en skeletaanpassingen te vergelijken is met een neusbeer. Chriacus was ongeveer een meter lang en vijf tot tien kilogram zwaar. Chriacus was aangepast aan het leven op zowel de grond als in de bomen. De beenderen van de poten tonen met beenkammen en processus aanhechtingen voor sterke musculatuur. De structuur van de voeten en de sterk mobiele enkelgewrichten tonen aan dat deze roteerbaar waren, waardoor Chriacus met gemak kon klimmen en zelfs met de kop naar beneden kon afdalen uit bomen. Daarnaast was uitgebreide supinatie van de onderarmen mogelijk door een flexibele elleboog en maakte het heupgewricht substantiële abductie van de achterpoot mogelijk. Afgaand op de bouw van de gewrichten was de flexibiliteit van Chriacus minstens even groot als die van neusberen, maar minder dan dat van de rolstaartbeer. Chriacus had een lange en robuuste staart die voor evenwicht zorgde tijdens het klimmen en mogelijk ook als grijporgaan fungeerde. Aan iedere voet zaten vijf tenen met daaraan korte, scherpe, gekromde en zijwaarts gecomprimeerde klauwen, die gebruikt werden bij het klimmen en overeenkomen met de klauwen van kleine beren en palmcivetkatten. De kiezen wijzen op een omnivoor dieet van vruchten, noten, insecten en andere kleine dieren. Het was een zoolganger en de korte, stevige voorpoten lijken aangepast voor graven. De lange, smalle onderste snijtanden hadden microscopische groeven en vormden zo een soort kam die waarschijnlijk werd gebruikt voor verzorging van de vacht. Deze aanpassing komt ook bij de hedendaagse halfapen voor. Een eveneens in de jaren tachtig gevonden partieel skelet uit het Torrejonian van New Mexico toont net als het specimen uit Wyoming aan dat Chriacus aangepast voor het leven in de bomen.Function of the mandibular tooth comb in living and extinct mammals. KD Rose & A Walker. Nature (1981).Climbing adaptations in the Early Eocene mammal Chriacus and the origin of Artiodactyla. KD Rose. Science (1987).The postcranial morphology of Paleocene Chriacus and Mixodectes and the phylogenetic relationships of archontan mammals. FS Szalay & SG Lucas. Bulletin of New Mexico Museum of Natural History and Science (1996).De geïllustreerde encyclopedie van dinosauriërs en prehistorische dieren. D Palmer & B Cox. Könemann (2000).Wyoming's Garden of Eden. KD Rose Natural History (2001).Condylarths: archaic hoofed mammals. MA Jehle. Paleocene-mammals.de.The beginning of the Age of Mammals. KD Rose. Johns Hopkins University Press (2006). Een studie naar de schedelinhoud en het binnenoor door middel van een CT-scan liet zien dat bij Chriacus het reukvermogen beter ontwikkeld was dan het zicht. De bouw van het binnenoor vertoont overeenkomsten met uitgestorven vormen uit de Euungulata en het past bij een traag tot gemiddeld actief dier. Het gehoor van Chriacus was vergelijkbaar met dat van een aardvarken.Virtual endocranial and inner ear endocasts of the Paleocene ‘condylarth’ Chriacus: new insight into the neurosensory system and evolution of early placental mammals. OC Bertrand et al. Journal of Anatomy (2020)

Chronologie van de vondsten

Beschrijving door Cope thumb|250px|Edward Drinker Cope benoemde Chriacus Chriacus werd in 1883 benoemd door Edward Drinker Cope in de "Proceedings of the Academy of Philadelphia" ten tijde van zijn expeditie in het San Juan-bekken in New Mexico. Dit bekken is de belangrijkste vindplaats van fossielen uit de eerste drie NALMA's van het Paleoceen. De expeditie van Cope maakte deel uit van de Wheeler Survey, een serie onderzoeken onder leiding van George Montague Wheeler om de Verenigde Staten ten westen van de honderdste meridiaan in kaart te brengen. In een periode van hevig concurrentie met vooral Othniel Charles Marsh en in mindere mate Joseph Leidy – bekend als de "Bone Wars" – was Cope de eerste die het San Juan-bekken bezocht. Aanvankelijk werd alleen versteend hout gevonden, maar in 1880 vond David Baldwin de eerste zoogdierfossielen. In meerdere artikelen beschreef Cope de paleofauna van de "Puerco Marls" en hij benoemde het als zijn belangrijkste geologische vondst ooit.Second addition to the knowledge of the Puerco Epoch. ED Cope. Proceedings of the American Philosophical Society (1883).Paleogene of the San Juan Basin (New Mexico). PA Gensler. US National Park Service – Cenozoic Life and Landscapes Feature (2015). Vanwege onvoldoende kennis over het skelet onderscheidde Cope Chriacus van met name Mioclaenus op basis van de kenmerken van de tanden. Het beperkte beschikbare materiaal maakte volgens Cope ook het onderscheid tussen de soorten moeizaam. Eind jaren tachtig had hij tien soorten uit het Paleoceen en één uit de San José-formatie uit het Wasatchian beschreven aan de hand van fossielen uit New Mexico.Synopsis of the vertebrate fauna of the Puerco Series. ED Cope. Transactions of the American Philosophical Society (1888). Verschillende soorten die door Cope aanvankelijk aan Chriacus werden toegeschreven, zijn later hernoemd en ingedeeld bij andere geslachten van arctocyoniden, met name Loxolophus. Chriacus angulatus uit de San José-formatie bleek later de halfaap Cantius.The Creodonta (continued). ED Cope. The American Naturalist (1884).

Matthew en tijdgenoten Nieuwe expedities in het San Juan-bekken in de jaren negentig van het American Museum of Natural History leverden veel nieuw fossiel materiaal op. Deze vondsten leidden tot een revisie van de fauna door William Diller Matthew in 1897, waarbij het aantal soorten gereduceerd werd en soorten heringedeeld werden. Bovendien bleek dat de afzettingen twee paleofauna's omvatten en Matthew splitste de "Puerco Marls" in de daadwerkelijke Puerco-formatie en de jongere Torrejon-formatie. Tegenwoordig worden deze aardlagen beschouwd als onderdeel van de Nacimiento-formatie. Overliggend bevinden zich in het noordelijke deel van het San Juan-bekken in Colorado de Tiffany Beds. Nieuwe soorten werd begin twintigste eeuw beschreven door William Matthew en Walter Willis Granger (1915) en door George Gaylord Simpson (1935).The Puerco and Torrejon Formations of the Nacimiento Group. JH Gardner. The Journal of Geology (1910).Fossil mammals from the type area of the Puerco and Nacimiento strata, Paleocene of New Mexico. GG Simpson. American Museum Novitates (1959).

Revisie door Van Valen In 1978 reviseerde Leigh van Valen het fossiele materiaal van zoogdieren uit het Paleoceen in zijn The beginning of the Age of Mammals. Wat betreft Chriacus duidde hij diverse soorten als synoniemen en daarnaast benoemde Van Valen ook vier nieuwe soorten. Tevens beschouwde hij Epichriacus (Scott 1892), Metachriacus (Simpson 1935), Spanoxyodon (Simpson 1935) en Tricentes (Cope 1884) als synoniemen van Chriacus. Door deze revisies kwam het aantal erkende soorten op zeven uit het Paleoceen en één uit het Eoceen: C. baldwini (Cope 1882), C. calenancus (Van Valen 1978), C. oconostotae (Van Valen 1978), C. gallinae (Matthew & Granger 1915), C. katrinae (Van Valen 1978), C. metocometi (Van Valen 1978), C. pelvidens (Cope 1881) en C. punitor (Simpson 1935). Een tweede soort uit het Eoceen, C. badgleyi, werd in 1989 door Philip Gingerich beschreven.Genera and species of Paleocene mammals. MA Jehle. Paleocene-mammals.de.

Classificatie Chriacus vormt samen met Prothryptacodon en Thryptacodon de onderfamilie Chriacinae binnen de Arctocyonidae. Prothryptacodon leefde van het Laat-Puercan tot Laat-Tiffanian in de Western Interior. Thryptacodon verscheen in het Midden-Torrejonian en overleefde tot in het Vroeg-Bridgerian, maar is met name bekend van partiële skeletten uit de Willwood-formatie uit het Wasatchian. De lichaamsbouw van Thryptacodon had veel overeenkomsten met Chriacus, hoewel de enkelgewrichten minder flexibel waren. Desondanks was dit dier eveneens een capabele klimmer.Dawn of the Age of Mammals in the northern part of the Rocky Mountain Interior, North America. TM Bown & KD Rose. Geological Society of America (1990). In het verleden werd Chriacus ingedeeld bij de Oxyclaeninae, maar deze indeling is verlaten.Oxyclaenus from the Early Paleocene of New Mexico and the status of the Oxyclaeninae (Mammalia, Arctocyonidae). PE Kondrashov & SG Lucas. New Mexico Museum of Natural History and Science Bulletin (2004).

Arctocyonidae thumb|250px|Arctocyon, de naamgever van de Arctocyonidae De Arctocyonidae wordt tot de "Condylarthra" gerekend, een verzameling van basale hoefdierachtige vormen waarvan de onderlinge verwantschap en de verwantschap met de hedendaagse hoefdieren onduidelijk zijn. De meeste latere condylarthen waren herbivoor, maar de soorten uit de Arctocyonidae bleven omnivoren. Met toename van de grootte maakten grotere prooidieren deel uit van het dieet, maar de arctocyoniden werden nooit gespecialiseerde roofdieren. Naamgever van de familie is Arctocyon en de soorten uit dit genus hadden het formaat van een wolf tot een beer.Carnivores, creodonts and carnivorous ungulates: mammals become predators. MA Jehle. Paleocene-mammals.de.

Vroege inzichten over de classificatie Chriacus en de Arctocyonidae werden aanvankelijk door Edward Drinker Cope ingedeeld bij de Creodonta, die hij als een onderorde binnen de Insectivora plaatste. Cope beschouwde Chriacus als een tussenfase in de ontwikkelingslijn vanaf stamvorm Mioclaenus naar de Oxyaenidae en vervolgens de Feliformia.On the genera of the Creodonta. ED Cope. Proceedings of the American Philosophical Society (1880).The Creodonta. ED Cope. The American Naturalist (1884).