Apatosaurus is een geslacht van uitgestorven plantenetende sauropode dinosauriërs, behorend tot de Diplodocidae, dat tijdens het Laat-Jura, 150 miljoen jaar geleden, leefde in het gebied van het huidige Noord-Amerika.

Apatosaurus werd in 1877 ontdekt en kreeg dat jaar van Othniel Charles Marsh zijn naam, die zoiets als 'bedrieglijke sauriër' betekent. De eerstbenoemde typesoort is Apatosaurus ajax. In 1879 benoemde Marsh een sterk gelijkende soort als Brontosaurus excelsus. Dit tweede geslacht, Brontosaurus ('donderhagedis'), zou een veel bekendere naam worden dan Apatosaurus. Marsh en na hem anderen, benoemden in totaal nog eens negen soorten van beide geslachten. Tegenwoordig wordt van de meeste daarvan aangenomen dat het niet echt aparte soorten zijn of het om heel andere dinosauriërs gaat. Brontosaurus excelsus wordt wel als een aparte soort gezien maar werd, vanwege de grote gelijkenis, sinds 1979 meestal in het geslacht Apatosaurus ingedeeld als Apatosaurus excelsus. De naam die het grote publiek het best kende, verviel dan. In 2015 concludeerde een gezaghebbende studie echter dat het toch beter was een apart geslacht Brontosaurus voor deze soort te onderscheiden. Een derde echte soort is Apatosaurus louisae. Er zijn duizenden fossielen van Apatosaurus gevonden, waaronder een dozijn min of meer complete skeletten. Daardoor kreeg de wetenschap een goed beeld van hoe het dier eruitzag.

Apatosaurus behoorde tot de grootste landdieren aller tijden. Het dier had een lange nek en staart en een brede romp die op vier rechte krachtig gespierde poten stond. Hij kon zeker 4,5 meter hoog, vijfentwintig meter lang en vijfentwintig ton zwaar worden. Apatosaurus was daarmee zwaarder dan de verwante Diplodocus. De laatste werd echter langer. Apatosaurus had een in verhouding kleine kop, zo'n vijfenvijftig centimeter lang. De kaken hadden voorin lange, dunne tanden die als een hark naalden en twijgjes van naaldbomen schraapten. Die werden heel ingeslikt, misschien door gastrolieten, maagstenen, vermalen en in de grote buikholte verteerd. Apatosaurus had vijf tenen per poot. Aan elke achterpoot zaten drie klauwen, aan elke voorpoot een.

Vroeger werd een fout beeld gegeven van wat toen simpelweg Brontosaurus genoemd werd. Hij zou te zwaar zijn geweest om op het land te lopen en dus in het water hebben moeten leven. Zijn staart zou afgehangen hebben. Daarbij werd hij afgebeeld met een foute veel te korte kop, geleend van Camarasaurus, omdat Marsh de echte niet had kunnen vinden. Tegenwoordig is de juiste schedel bekend en weten we ook dat Apatosaurus op het land leefde en zijn staart horizontaal hield. Apatosaurus kon zijn nek niet erg ver omhoog buigen en at of wat lagere begroeiing of, rustend op de achterpoten en staart, waarvan de zachtere weefsels onderaan door werveluitsteeksels beschermd waren, van de hoogst bereikbare takken uit de bomen. Door zijn lichaamsgewicht, een vervaarlijke zweepstaart en misschien kuddegedrag, kon Apatosaurus zich verdedigen tegen roofdieren als Allosaurus.

Vondsten en naamgevingsgeschiedenis Marsh benoemt drie geslachten thumb|Marsh benoemde vermoedelijk drie geslachten en acht soorten voor het materiaal van Apatosaurus

In 1877 vonden de geoloog Arthur Lakes en zijn vriend kapitein Henry Beckwith bij Morrison in Colorado, een groot heiligbeen van een dinosauriër. Lakes stuurde wat andere botten naar de paleontoloog professor Othniel Charles Marsh met de vraag of die er belang in stelde dat Lakes en Beckwith voor hem tegen betaling verdere opgravingen zouden verrichten. Een maand lang hoorden ze niets en toen stuurde Lakes ook wat fossielen naar de rivaal van Marsh, Edward Drinker Cope. Toen Marsh dat vernam, ging hij onmiddellijk tot actie over en stuurde Lakes een brief met een bijgevoegde cheque van $100,- waarin hij hun aanbod alsnog aannam. De vergroeide wervels, specimen YPM 1835, benoemde hij in juli 1877 als Titanosaurus montanus; toen die naam al bezet bleek, veranderde hij die in Atlantosaurus. Het ging hier om de resten van een sauropode uit wat een van de rijkste dinosauriërvindplaatsen ter wereld zou blijken te zijn: de Dinosaur Ridge bestaande uit beenderlagen die zich mijlenver uitstrekten. Lakes en Beckwith openden hierin tien groeven. De vindplaats maakt deel uit van wat later de Morrison-formatie genoemd zou worden, die dateert uit het Kimmeridgien-Tithonien, ongeveer 150 miljoen jaar oud.

Nog in 1877 vonden ze een vrij compleet skelet van een sauropode, met delen van de wervels en het bekken. Die zonden ze eerst naar Cope, maar die was tot zijn ergernis gedwongen de fossielen weer aan Marsh af te staan toen bleek dat die ze gekocht had. Marsh beschreef en benoemde dat jaar het specimen, met inventarisnummer YPM 1860, als holotype van een nieuw geslacht en soort: Apatosaurus ajax. De geslachtsnaam is afgeleid van het Oudgriekse ἀπάτη (apatè), 'bedrog', een verwijzing naar het feit dat de chevrons, uitsteeksels aan de onderkant van de staartwervels, op die van de Mosasauridae lijken, iets waar Marsh eerst door in verwarring was gebracht. De soortaanduiding verwijst naar de Griekse held Aias de Grote vanwege de reusachtige omvang van het dier. Hij benoemde ook een tweede soort van het geslacht: A. grandis, 'de grote'. In 1878 volgde een nieuwe soort van Atlantosaurus, Atlantosauris immanis, specimen YPM 1840.

left|thumb|Een reconstructie door Marsh met de foute schedel, nu van Brachiosaurus, uit 1891

In 1879 beschreef Marsh een derde soort van Apatosaurus: A. laticollis, 'breedkraag', op grond van een staartwervel, YPM 1861. In hetzelfde jaar vonden medewerkers van Marsh, William Harlow Reed en Edward Ashley, in een andere vindplaats, Como Bluff in Wyoming, in Quarry N° 10 een ander, completer skelet, YPM 1980. Dit benoemde Marsh als een nieuw geslacht en soort: Brontosaurus excelsus, de 'overtreffende' genoemd vanwege het hoogste aantal van vijf vergroeide bekkenwervels dat toen van een dinosauriër bekend was. De geslachtsnaam was afgeleid van het Griekse βροντη (brontè), 'donder', wegens het donderende geluid dat een lopend dier zou veroorzaken. In 1881 volgde een tweede soort: B. amplus, de 'wijde', specimen YPM 1981. In 1883 publiceerde Marsh wat vaak de eerste skeletreconstructie van een sauropode genoemd wordt, i.c. van Brontosaurus. In feite had Cope in 1877 al een reconstructie van Camarasaurus gemaakt, zij het dat die niet de typische vorm van een sauropode weergaf. Marsh kende de schedel van het geslacht niet; daarom modelleerde hij die naar het voorbeeld van de schedel van YPM 1905, een specimen dat hij aan Apatosaurus grandis had toegewezen. In feite ging het hier echter om een exemplaar van Camarasaurus: de schedel werd zo kort en hoog. Ook was het aantal wervels in de nek en de staart veel te laag. Bij een tweede reconstructie uit 1891 gebruikte hij per abuis de schedel van Brachiosaurus. In 1898 meldde Reed een Brontosaurus giganteus maar dat zou een onbeschreven nomen nudum blijven, hoewel de publiciteit erover wel tot de ontdekking van Diplodocus carnegii zou leiden.

Riggs stelt Brontosaurus aan Apatosaurus gelijk thumb|270px|AMNH 460, nog met foute schedel

Vanaf 1898 wisten ook andere onderzoekers skeletten van soortgelijke sauropoden op te graven. Walter Granger verzamelde toen bij Medicin Bow in Wyoming een exemplaar voor het American Museum of Natural History, AMNH 460, dat door William Diller Matthew toegewezen werd aan Brontosaurus. Het werd in New York als eerste skelet van een sauropode tentoongesteld, nog steeds met een foute schedel want het specimen zelf miste die. De illustrator Charles Knight maakte er in 1915 op aansporing van Henry Fairfield Osborn een afbeelding van die zeer invloedrijk zou blijken. Rond 1899 vond Jacob Wortmann een gedeeltelijk skelet bij Como Bluff, AMNH 222. In 1900 vond Charles Whitney Gilmore bij Sheep Creek in Albany County vier skeletten, waarvan het eerste, UWGM 15556 (eerder CMNH 563), door John Bell Hatcher aan Brontosaurus excelsus werd toegewezen en het tweede, CMNH 566, van een juveniel dier, door Gilmore tot een nieuw geslacht en soort werd gemaakt: Elosaurus parvus. De twee andere skeletten, CMNH 21785 en CMNH 33994, waren fragmentarischer. De studie door Hatcher stelde voor het eerst vast dat geavanceerde sauropoden op hun gereduceerde vingertoppen liepen; Marsh had nog gedacht dat de vingers plat gehouden werden. left|thumb|270px|AMNH 460 met nieuwe kop In 1901 vond Elmer Samuel Riggs van het Field Columbian Museum een skelet in de Grand River Valley nabij Fruita in Mesa County, Colorado. Bij de beschrijving van dit specimen, FMNH P25112, in 1903, stelde Riggs dat Brontosaurus excelsus aan Apatosaurus moest worden toegewezen en dat het in 1877 beschreven skelet voornamelijk verschilde doordat het een jong dier was. Riggs meende ook dat A. grandis aan Camarasaurus toegewezen moest worden en dat B. amplus en A. laticollis nomina dubia waren, dus namen voor resten die te slecht waren om vast te stellen of ze wel een apart taxon vormden. Als men, zoals Riggs, Brontosaurus excelsus en Apatosaurus ajax in een enkel geslacht wil samenvoegen dan moet dat de eerst gepubliceerde naam Apatosaurus krijgen, die voorrang heeft op de latere namen, en wordt Brontosaurus daarvan een jonger synoniem en B. excelsus een Apatosaurus excelsus. Lang niet iedere paleontoloog wilde dat echter en de naam Brontosaurus, gebaseerd op een veel beter typespecimen, bleef gebruikt worden, vooral ook omdat dit de naam was die Matthew vermeldde in zijn populair-wetenschappelijke boek The Dinosaurs uit 1915, vrijwel het enige werk over dit onderwerp dat voor het grote publiek beschikbaar was.

Holland ontdekt de echte schedel van Apatosaurus thumb|270px|A. louisae, met de nieuwe kop

In 1915 werd door William Jacob Holland weer een nieuwe soort beschreven: Apatosaurus louisae, op basis van materiaal in augustus 1909 door Earl Douglas bij Jensen in Uinta County, Utah gevonden in de Carnegie Quarry, CMNH 3018. De soortaanduiding eert de vrouw van de staalmagnaat Andrew Carnegie, Louise Carnegie. De opgraving van het skelet was de aanleiding voor president Woodrow Wilson om op 4 oktober 1915 deze locatie, die zich kenmerkte door een enorme concentratie aan fossielen, het Dinosaur National Monument te maken. In dezelfde vindplaats werden ook twee andere specimina aangetroffen, LACM 52844 (eerder CMNH 3018) en CMNH 3378. Bij de beschrijving merkte Holland op dat er ook een schedel was ontdekt in de groeve, CMNH 11162. Deze had een heel andere vorm dan die van Camarasaurus: hij was langgerekt als bij Diplodocus. Holland suggereerde dat dit weleens de echte schedel van Apatosaurus zou kunnen zijn, een stelling die hij zou herhalen in 1924. Dit idee werd echter niet algemeen aanvaard; Marsh had zoveel stukken van Camarasaurus per abuis aan Apatosaurus toegewezen dat het onjuiste idee had postgevat dat beide vormen zeer nauw verwant waren. Holland viel ook de nauwe gelijkenis tussen Apatosaurus en Brontosaurus excelsus op, maar ook hij stelde beide geslachten niet gelijk.

In 1917 benoemde Charles Craig Mook een zevende soort: Apatosaurus minimus, op basis van het kleine specimen AMNH 675. Vermoedelijk gaat het om een niet te identificeren lid van de Macronaria. Het sacrum bestaat uit zes vergroeide wervels.