Johannes Meintjes (Riversdal, 19 mei 1923 - Molteno, 7 juli 1980) was een Zuid-Afrikaanse kunstschilder en schrijver.
Inleiding Meintjes is al vóór zijn 22e verjaardag bekend geworden en werd al vroeg bewierookt . In een recensie van John Coetzee's The Message in 1990 schrijft Marina le Roux van Johannes Meintjes dat hij “byna die ideale bibliotekaris: kundige vakman, kunstenaar, onvermoeide navorser en onderhoudende skrywer, veral oor die Suid-Afrikaanse geskiedenis” (gearchiveerd) was. Maar het was vooral als kunstschilder dat hij zich als vroeg grote bekendheid verwierf. Volgens kunstkenner en schrijver Esmé Berman was zo iets ongekend in de Zuid-Afrikaanse cultuurgeschiedenis. (gearchiveerd) Vanwege zijn uiterlijk en zijn non-conformisme wordt hij soms beschreven als “De James Dean van Molteno”.
Helena Theron, ook in Die Burger, zegt over hem dat hij “merkwaardig” was zowel als kunstenaar en als letterkundige. (gearchiveerd) Hoewel hij niet in één adem genoemd wordt met Stern, Laubser of Pierneef, wordt hij beslist beschouwd als een van de voornaamste Zuid-Afrikaanse schilders van de 20e eeuw. De hoogste prijs die een schilderij van Meintjes tot dusver op een veiling behaald heeft, was R668.400,- voor zijn Swazi Landscape op een veiling door Strauss & Co in het Vineyard-hotel, Kaapstad, vroeg in Oktober 2012 (gearchiveerd).
Kinderjaren Johannes Meintjes is al op vroege leeftijd begonnen met schilderen, waarschijnlijk al tijdens de eerste vijf zorgeloze jaren op de boerderij van zijn familie, Grootzeekoegat, in het district Molteno in het noordoosten van Kaapland. Hier was zijn vader Ernest Frederick Meintjes (1893 - 1928), schaapboer. Als hij niet met zijn tekeningen bezig was ging hij samen met zijn vader het veld in, speelde hij in de schaapskooien of reed hij paard met zijn vader. Zijn moeder, Valerie Keyter, stamt uit een van de beste families van West-Kaapland en is een nazaat van de bekende ds. Meent Borcherds, die aanvankelijk van 1785 tot 1786 de voorganger van de NG-gemeente Kaapstad en vanaf 1786 leraar op Stellenbosch was. Van vaderskant bevond het voorgeslacht van Meintjes zich reeds bijna drie en een halve eeuw in Zuid-Afrika.
Meintjes' vader is plotseling op 35-jarige leeftijd overleden. Mev. Meintjes is met haar vier kinderen teruggegaan naar Riversdal, waar zij vandaan kwam en waar Johannes ook vijf jaar eerder geboren was. Hier bleef hij tot zijn vijftiende Op Riversdal verdiepte hij zich steeds meer in teken- en schilderwerk, vooral in de studie van mensen.
De bejaarde kunstschilder Jan Volschenk leefde toen nog (hij is in 1936 overleden) en de jonge knaap loerde vaak in het atelier van de oude baas met zijn spierwitte kop naar binnen. Johannes zat graag naar hem en zijn landschappen te kijken, maar Volschenk overleed toen Johannes nog erg jong was. “Mijn eigen werk heb ik aan iedereen laten zien die ernaar wou kijken” vertelde Meintjes in 1963 aan het tijdschrift Lantern.
In Viljoen had hij een goede kunstdocent van wie hij veel kon leren en die hem vaak aanmoedigde. Toen hij vijftien was, begon hij met olieverf te werken, al sukkelend, en met zijn twee jongste zusjes als onwillige modellen. Mevrouw Meintjes besloot in 1938 besluit om met haar kinderen - één zoon, drie dochters - naar Kaapstad te verhuizen. Hier veranderde het leven van de jonge Johannes ingrijpend. Kaapstad zou ook jaren daarna zijn woonplek blijven.
Mnr. H.A. Rust, later de Zuid-Afrikaanse ambassadeur in Nederland, was destijds het hoofd van de Hoërskool Jan van Riebeeck; hij regelde dat Meintjes kunst als schoolvak kon nemen. Het handjevol scholieren aan wie deze toestemming gegeven werd, hebben kunstlessen gekregen van Florence Zerffi in haar atelier in Wynberg. Zij was een kunstenares van naam, weduwe van de briljante impressionist Strat Caldecott, en een erg bekwame maar strenge onderwijzeres.
Invloed van Maggie Laubser
Meintjes vertelt in hetzelfde vraaggesprek met Lantern van zijn ontdekking van Irma Stern en Maggie Laubser: “Instinktief het ek geweet dat dit die rigting was waarin ek moes werk. Irma Stern se kleurgevoel en Maggie Laubser se komposisie het ’n nuwe wêreld vir my oopgesluit - die Ekspressionisme, waarvan ek toe nog maar min geweet het. Ek het geleer hoe om met olieverf te werk en een na die ander doek voltooi - wild en koorsig. Zerffi het haar bes gedoen om my in toom te hou en te dissiplineer. Aan haar kritiek het ek soveel waarde geheg dat ek elke stuk wat sy goedgekeur het, dadelik geraam het.”
Hij voelde zich vooral aangetrokken tot het werk van Maggie Laubser. Hij was zowat 17 jaar oud toen hij een bewonderende brief aan haar gestuurd heeft. Uiteindelijk ontmoetten zij elkaar in het huis van de kunstschilder Cecil Higgs op Stellenbosch. Dit was het begin van een grote vriendschap. Meitjes wierp zich met hart en ziel op het verwerven van erkenning van Laubser. Hij schreef veel over haar, zowel artikelen als een boek (hij was nog maar 19) en met praatjes op de radio. Meintjes verklaarde later dat daardoor mensen de verkeerde indruk gekregen hadden dat zijn werk erg door haar beïnvloed was, terwijl hij in werkelijkheid teruggegaan was naar haar bron, het Duitse expressionisme. Dit heeft hem geholpen een eigen stijl te vinden.
Eerste jaren na school
Na zijn eindexamen middelbare school was het een probleem te bepalen wat hij wilde gaan doen. Het liefst schilderde hij alleen maar. Destijds waren goede kunstopleidingen dun gezaaid en Meintjes' vrienden rieden hem aan om zich voorlopig maar aan zijn tweede liefde, de letterkunde, te wijden. Hij ging naar de Universiteit van Kaapstad met Afrikaans-Nederlands en Engels als hoofdvakken en onderscheidde zich daar als student in de letteren.
Toch ging hij stug door met schilderen, en wel in die mate dat hij zich later afvroeg hoe hij erin geslaagd was af te studeren met een graad. Tijdens zijn studie aan de U.K. liet hij zijn werk zien aan tal van erkende kunstenaars in Kaapstad, onder wie Lippy Lipshitz, Ruth Prowse, Charles Peers, Gregoire Boonzaaier, Jean Welz, Nenne Desmond, Frieda Lock en May Hillhouse. Zerffi's invloed nam geleidelijk af. De invloed van Maggie Laubser nam juist toe, niet wat stijl en onderwerp betreft maar wel qua werkmethode. Niettemin zou hij later zeggen: “(D)ie een van wie ek die meeste geleer het, was May Hillhouse”. Hillhouse was destijds ere-secretaresse van de K-klub en Meintjes geloofde dat hij het jongste lid was dat de club ooit gehad had. Hillhouse was een aantrekkelijke, donkere vrouw met een diepgaande technische kennis van de schilderkunst. Net als in het geval van Zerffi liet het werk van Hillhouse hem koud, maar hij geloofde wel dat hij het meest van haar geleerd had. Jarenlang heeft zij ieder schilderij gezien dat hij maakte en het grondig bekritiseerd. Daarnaast leerde Meintjes van Cecil Higgs veel over verfhantering en de waarde van textuurwaarde.
Naar Johannesburg Op 20-jarige leeftijd behaalde hij een graad B.A. graad. Hij had geen zin verder te gaan met literatuurstudie, maar het was niet makkelijk zijn brood te verdienen en te schilderen. Gerrit Bakker, die boekhandel in Kaapstad dreef, besloot om zijn eigen boekhandel op te zetten in Johannesburg. Hij vroeg Meintjes om zijn assistent te worden. Dit maakte het mogelijk voor het eerst in zijn leven naar Johannesburg te gaan, waar hij belandde tussen de kunstkenners en kunstenaars van het noorden: Anton Hendriks, Elsa Dziomba, Alexis Preller, Walter Battiss en vele anderen. Sommigen van hen zijn zijn vrienden geworden, vooral Preller. De oude Gainsborough-galerij, destijds in het Lennon-gebouw in Pritchardstraat, was een ontmoetingsplaats van de avant-garde. Johannes Meintjes besprak die galerij bespreek voor zijn eerste tentoonstelling in augustus van dat jaar (1944).
Eerste stappen als beroepsschilder Hij verliet de boekhandel en keerde terug naar Kaapstad om zich daar voor te bereiden op een tentoonstelling. Hij was vastbesloten om zijn bestaan als beroepskunstschilder te rechtvaardigen. Zijn familie ondersteunde deze waaghalzerij, blijkbaar omdat ze beseften dat ze hem toch niet op andere gedachten konden brengen. Platzak en met zijn hele toekomst op het spel bracht hij zijn schilderijen over van Johannesburg naar Kaapstad voor de opening van zijn tentoonstelling. Hij was toen 21. De tentoonstelling werd een groot succes, baarde veel opzien en bezorgde hem bekendheid in het gehele land.
Er verschenen artikelen over zijn werk in een aantal tijdschriften en bladen en honderden belangstellenden woonden de expositie bij. Gideon Horn verwees in Die Transvaler naar hem als “’n jong kunstenaar … wat hom aan ’n mens openbaar as moontlik die belowendste onder die jongeres. Van die opvallendste kenmerke van sy werk is sy besondere beheer van kleure, sy tegniese vaardigheid, die selfstandigheid van gees wat daaruit spreek …” In Forward verklaarde Ronald Morris: “In most of his work there is the poetry, the loneliness and the longing of youth. (His) metier is . . . the vitality of life and the fantasies of the mind and the spirit.”
Er was ook afbrekende kritiek, maar Meintjes verwachtte niet anders. Gelukkig verkocht hij genoeg om bijna een jaar lang onafhankelijk te kunnen leven,
Eigen atelier in Kaapstad Terug in Kaapstad huurde hij een atelier van Marie Gravett, die later trouwde met de kunstenaar Gregoire Boonzaaier. Hij maakte zich gereed voor zijn eerste tentoonstelling. Meintjes zei later dat de Kaapse critici conservatiever waren dan hun collega's in Johannesburg; toch werd zijn werk goed ontvangen. Financieel was deze tentoonstelling zo succesvol dat Meintjes nu zijn grootste wens kon verwezenlijken en zijn studie overzee kon voortzetten.
Studie overzee De Tweede Wereldoorlog liep net ten einde en intussen was hij parttime leraar kunst aan de Hoërskool Jan van Riebeeck en S.A.C.S. Na een tweede tentoonstelling in Johannesburg tegen het einde van 1945 ging hij aan boord van de Acquitania, een troepenschip met zevenduizend man aan boord, naar Southampton. In Londen studeerde hij zo'n 18 maanden en dronk met diepe teugen van de Europese cultuur. Hij werkte gedeeltelijk voor de radio bij de B.B.C. (samen met Arnold van Wyk) om zich in leven te houden. Intussen is de belangstelling voor zijn werk steeds toegenomen en bij zijn terugkeer naar Zuid-Afrika in 1947 was de tweede tentoonstelling in Kaapstad buitengewoon succesvol. Iedereen kon de grote vooruitgang in zijn werk zien. Er werd dankbaarheid uitgesproken dat hij zich niet al te zeer door buitenlanders had laten beïnvloeden. Hij werd beschreven als een “pionier” in de nieuwe traditie van de Zuid-Afrikaanse schilderkunst.
Terug in Kaapstad In Kaapstad huurde hij een atelier in een oud huis in Kaaps-Hollandse stijl en hield verscheidene tentoonstellingen elders. Hij gaf tekenles aan de gekleurde studenten van het Kaapse Tegniese Kollege en deed heel wat omroepwerk, waaronder het eerste kunstprogramma voor de jeugd dat ooit in Zuid-Afrika uitgezonden werd.
Intussen begon hij ook met schrijven en er verschenen talrijke artikelen, essays en korte verhalen van zijn pen. Zijn eerste boek over Maggie Laubser, was al in 1944 verschenen. In 1947 volgde een bundel korte verhalen, door hemzelf geïllustreerd en in 1948 een boek over zijn lyrische schilderijen.
Terug naar de familieboerderij en Molteno