Quast (ook: Juchter van Bergen Quast) is de naam van een van oorsprong Duitse familie, en sinds de 18e eeuw ook een Curaçaose en daarna Nederlandse familie. Enige leden van deze familie hebben zonder succes rechtszaken gevoerd om na de inwerkingtreding van de nieuwe Wet op de adeldom, waarbij het nieuwe formele criterium werd gesteld dat Duitsland een met Nederland vergelijkbaar adelsstelsel moet hebben, te worden ingelijfd in de Nederlandse adel (art. 2.3 Wet op de adeldom).

Geschiedenis De bewezen stamreeks van deze tak begint met de omstreeks 1599 geboren Johann Quast († 1654) die leenman en stadhouder van de heerlijkheid Odenkirchen was.Genealogisches Handbuch des Adels, Adelslexikon XI (2000) In de uitspraak van de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State van 21 september 1990, nr. R02.88.1390 (p. 4), is bepaald dat R.A.U. Juchter van Bergen Quast “in rechte mannelijke lijn afstamt van Anton Quast, die naar de Afdeling is gebleken, rechthebbende was ten aanzien van de heerlijkheid Odenkirchen.“ Wahr und klar bescheinigte Facti Species, welcher gestalt die evangelischreformierte Gemeinde in der Chur-Cölln. Unter-Herrschafft Odenkirchen der Pfarr-Kirchen und Schulen, wie auch des off. Religions-Exercitii, unerachtet dieselbe von, in, und nach dem Jahr 1624 in possessione derselben gewesen in dem J. 1627 mit militarischer Macht via facti beraubet, u. entsetzt, auch hernach sonsten noch bedrucket worden, s.l., 1748.

Een afstammeling van hem, ds. Johann Caspar Adolph Quast (1718-1790), vestigde zich als predikant op Curaçao waar de familie tot het patriciaat werd gerekend.Krafft, 1951. Ongeveer twee eeuwen later vestigden nakomelingen zich in Nederland.

Op 16 maart 1789 verhief Karel IV Theodoor, keurvorst van de Palts en van Beieren, Johann Anton Quast (1761-1849), oomzegger van genoemde ds. J.C.A. Quast, in de adelstand onder toekenning van het predicaat "von". Tijdens het rijksvicariaat van deze keurvorst, dat duurde vanaf het overlijden van keizer Jozef II op 20 februari 1790 tot de kroning van keizer Leopold II op 9 oktober 1790, werd daaraan op 1 september van dat jaar nog de titel Freiherr toegevoegd. Aangezien de keurvorst handelde in de hoedanigheid van rijksvicaris, was de aan Johann Anton von Quast verleende titel een zogeheten rijkstitelDe Neve 2007, p. 19.Zo'n rijksvicaris strooide tijdens een interregnum nogal kwistig met adelsverheffingen.

Bestuursrechtelijke procedure Drie leden van het geslacht hebben een verzoek ingediend tot inlijving in de Nederlandse adel. Bij dit verzoek speelden drie kwesties door elkaar: De bewijzen voor de adelsverheffing van Johann Anton Quast en daarmee diens nakomelingen; Daar dit in een andere tak van de familie speelde dan die waartoe de indieners behoorden: adoptie van hun voorvader door de geadelde Johann Anton Quast; De eis dat Duitsland een vergelijkbaar adelsstatuut (adelsrecht) heeft (art. 2 lid 3 Wet op de adeldom). Kort voorafgaand aan de inlijvingsverzoeken was deze nieuwe eis ingevoerd met de inwerkingtreding van de Wet op de adeldom. Zij was een wijziging van het oude beleid, waarbij deze eis niet gold . thumb|Eerste bladzijde van het adelsdiploma van Johann Anton von Quast uit 1789 dat zich in bezit van de familie bevindt. Het verzoek tot inlijving werd in 1996 en 1997 door de minister afgewezen omdat Duitsland geen met Nederland vergelijkbaar adelsstatuut heeft. De betrokken nakomelingen hebben hiertegen achtereenvolgens beroep ingesteld bij de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage en bij de Raad van State. Beide beroepen werden ongegrond verklaard, waarmee de ministeriële afwijzingen van de verzoeken tot inlijving werden bevestigd.De Raad van State concludeerde: "De rechtbank heeft evenwel terecht geen aanleiding gevonden de minister niet te volgen in diens conclusie, die hij heeft gebaseerd op rapportages van de Hoge Raad van Adel, dat Duitsland, dat moet worden beschouwd als rechtsopvolger van het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie, de adel in 1919 bij wet heeft afgeschaft. Artikel 109, derde lid, tweede volzin, van de Grondwet van de Republiek Weimar van 1919 Weimarer Reichsverfassung) luidt immers als volgt: "Öffentlich-rechtliche Vorrechte oder Nachteile der Geburt oder des Standes sind aufzuheben. Adelsbezeichnungen gelten nur als Teil des Namens und dürfen nicht mehr verliehen werden". Openbare voorrechten van geboorte en stand zijn middels deze bepaling sedertdien blijvend opgeheven. Onder meer de voorheen adellijke titel "Freiherr" maakt vanaf 1919 uitsluitend onderdeel uit van de geslachtsnaam. De overgang van dit onderdeel van de naam wordt in Duitsland niet beheerst door adelrechtelijke bepalingen, maar door regels van naamrecht, zoals geregeld in het Bürgerliches Gesetzbuch."Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, , AB Rechtspraak Bestuursrecht 2003, 317 met noot van mr. I. Sewandono: 1. Deze uitspraak betreft een aanvraag om inlijving in de Nederlandse adel op grond van het overgangsrecht van art. 8 Wet op de adeldom. Appellanten stammen af van een Duitse edelman die zich een paar honderd jaren geleden op de Nederlandse Antillen had gevestigd. Hun aanvraag is afgewezen omdat Duitsland geen wettelijk erkende adel meer kent. Adeldom is daar afgeschaft bij de Grondwet van de Republiek van Weimar van 1991. De vererving van adellijke titels en predikaten is niet bij bijzondere wet geregeld en deze kwalificaties zijn nu nog slechts onderdeel van de geslachtsnaam. 2. De overgangstermijn van vijf jaar is inmiddels verstreken en inlijving is nog slechts mogelijk indien kort gezegd de aanvragen om naturalisatie en inlijving tegelijk worden ingediend. Ook dan wordt de voorwaarde gesteld dat de adel in het land van herkomst wettelijk is erkend (art. 2 lid 3). De uitspraak van 17 april 2001 blijft dus van belang. 3. Volledigheidshalve zij nog opgemerkt dat het merendeel van de Belgische adel tot de definitieve afscheiding in 1839 tot de eigen Nederlandse adel werd gerekend. Dit brengt mee dat Belgische edelen geen inlijving hoeven te vragen en in Nederland de kwalificaties kunnen voeren die koning Willem I aan hun voorvaders heeft verleend. Sew" De besluiten van de minister, alsmede de rechterlijke uitspraken, gaan alleen over de derde kwestie. Over de adelsverheffing en de adoptie hebben zij zich positief uitgelaten.

De adelsaanspraken in de zin van de eerste en tweede kwestie werden onder andere gegrond op een tijdens de procedure door de familie ingebrachte verklaringAkte van depot d.d. 11 maart 1997, notaris J.K. Schmitz. van het Pruisische Heroldsamt van 5 januari 1892, waarvan de gouverneur van de Nederlandse AntillenN.C. Römer-Kenepa, destijds hoofd van het Centraal Historisch Archief, heeft in haar brief van 16 september 1996 (kenmerk CHA 9-57) verklaard dat het "afschrift is ondertekend door de Gouverneur drs. A.B. Speekenbrink die in de periode 1957-1961 gouverneur van Curaçao is geweest". een gewaarmerkt afschrift heeft gemaakt op 11 mei 1959.In voetnoot 38 op p. 376 van de publicatie van Von Quast-Juchter (1996, p. 361), wordt als bron voor deze adoptie een afschrift genoemd dat de gouverneur van de Nederlandse Antillen in 1959 heeft opgesteld aan de hand van een verklaring van het Pruisische Heroldsamt van 1892. In deze verklaring wordt de adoptie genoemd en een afstamming gegeven. Het door de gouverneur opgestelde afschrift is in de vorm van een notariële akte gedeponeerd op 9 maart 1993. Zowel Von Quast-Juchter (met hulp van Dr. A.F. Paula) als De Neve hebben in de archieven van de gouverneur geen verwijzing naar dit afschrift teruggevonden. Von Quast-Juchter acht de verklaring toereikend om als bewijs te dienen, De Neve is het daar volstrekt niet mee eens. Volgens hem kan aan het afschrift van de gouverneur geen enkele waarde worden toegekend. De adoptie wordt door De Neve hoogst onwaarschijnlijk geacht en zolang daar geen overtuigend bewijs voor gevonden is, meent De Neve dat de Nederlandse leden van de familie Quast geen juridische aanspraak kunnen maken op voorvaderlijke adeldom. Hierin werd verwezen naar de adoptie van een voorvader van de indieners van het inlijvingsverzoek, namelijk van Jan Hendrik Quast (1773-1825), door voornoemde oudere neef, Johann Anton des H.R.Reichsfreiherr von Quast (1761-1849). Ook werd daarin een verwantschap met het Duitse geslacht von Quast verondersteld. In de procedure speelde de verklaring een rol bij de vaststelling door de Hoge Raad van Adel van het relevante adelsstatuut (in dit geval Duitsland) voor een uitspraak over de derde kwestie (Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, , AB Rechtspraak Bestuursrecht 2003, 317 met noot van mr. dr. I. Sewandono):Het adelsstatuut als bedoeld in art. 8 Wet op de adeldom (Wet van 10 mei 1994, houdende regeling inzake de adeldom)De Neve meent dat de Raad van State de adoptie niet als zodanig heeft beoordeeld, hoewel I. Sewandono in zijn noot onder de uitspraak van de Raad van State een andere mening is toegedaan. Volgens De Neve zou, ook al heeft de adoptie inderdaad plaatsgevonden, deze volgens het toenmalige Duitse adelsrecht gevolgd zou moeten worden door een nieuw adelsbesluit aangezien de adoptie niet heeft plaatsgevonden na biologische afstamming. De geadopteerde had derhalve na zijn adoptie een verzoek tot adelsverheffing moeten indienen. Van een dergelijk verzoek, noch van een adelsverheffing is enig bewijs gevonden, hetgeen volgens De Neve impliceert dat degenen die in Nederland een inlijvingsverzoek hebben ingediend onvoldoende bewijs kunnen leveren dat hun voorvader ook werkelijk tot de Duitse adel heeft behoorde. Zie: De Neve (2007). De in de verklaring van het Pruisische Heroldsamt genoemde koninklijke Beierse toestemming (een adelsverheffing) wordt door hem verworpen.1. Deze uitspraak betreft een aanvraag om inlijving in de Nederlandse adel op grond van het overgangsrecht van art. 8 Wet op de adeldom. Appellanten stammen af van een Duitse edelman die zich een paar honderd jaren geleden op de Nederlandse Antillen had gevestigd. Hun aanvraag is afgewezen omdat Duitsland geen wettelijk erkende adel meer kent. Adeldom is daar afgeschaft bij de Grondwet van de Republiek van Weimar van 1991. De vererving van adellijke titels en predikaten is niet bij bijzondere wet geregeld en deze kwalificaties zijn nu nog slechts onderdeel van de geslachtsnaam. 2. De overgangstermijn van vijf jaar is inmiddels verstreken en inlijving is nog slechts mogelijk indien kort gezegd de aanvragen om naturalisatie en inlijving tegelijk worden ingediend. Ook dan wordt de voorwaarde gesteld dat de adel in het land van herkomst wettelijk is erkend (art. 2 lid 3). De uitspraak van 17 april 2001 blijft dus van belang. 3. Volledigheidshalve zij nog opgemerkt dat het merendeel van de Belgische adel tot de definitieve afscheiding in 1839 tot de eigen Nederlandse adel werd gerekend. Dit brengt mee dat Belgische edelen geen inlijving hoeven te vragen en in Nederland de kwalificaties kunnen voeren die koning Willem I aan hun voorvaders heeft verleend. Sew

Civielrechtelijke procedure