De San Agustíncultuur (3300 v.Chr. – 1550 n.Chr.) is een van de bekendste precolumbiaanse beschavingen die zich in het gebied van het huidige Colombia ontwikkelden.Zie Precolumbiaanse geschiedenis van Colombia De cultuur kwam tot bloei in een relatief klein gebied van 2000 km² in het departement Huila en het noorden van het departement Caquetá, en ze verdween voor 1550 n.Chr. Ondanks de vele onderzoeken en publicaties is er weinig met zekerheid bekend over de San Agustín-indianen, omdat de cultuur was verdwenen vóór de Spaanse verovering. De naam is ontleend aan de plaats San Agustín in het brongebied van de Magdalena.
De belangrijkste vindplaatsen in het gebied zijn de Mesitas, Fuente de Lavapatas, Alto de Lavapatas, Alto de los Ídolos, Alto de las Piedras en La Chaquira.
Ontwikkeling In de opkomst en ondergang van de cultuur van San Agustín worden volgens Luis Duque Gómez en Julio César Cubillos (1979) vier periodes onderscheiden.Duque Gómez, Luis en Cubillos, Julio Cesar (1993) Arqueologia de San Agustín. Exploraciones arqueológicas realizadas en el Alto de las Piedras (1975-1976). Bogotá: Fundación de investigaciones Arqueológicas Nacionales
De eerste periode is de Archaïsche periode van 3300 tot 1100 v.Chr. Deze periode behoort eigenlijk niet tot de San Agustíncultuur. De mens was in de archaïsche periode een rondtrekkende jager-verzamelaar, en niet gebonden aan de locatie nabij San Agustín.
De tweede periode is de Formatieve periode van 1100 tot 200 v.Chr. In deze periode vestigden landbouwers zich voor het eerst in het gebied. Er vormden zich concentraties van landbouwgemeenschappen en er ontstonden hiërarchische structuren. De overledenen werden wel in eenvoudige graven begraven, maar hun beenderen werden later uit het graf verwijderd en in urnen bewaard, en vervolgens geplaatst in schachten of tombes. Uit stuifmeel- en plantenresten blijkt dat maïs het belangrijkste voedselelement was. Ook resten van bonen, yam, coca, quinoa en cassave zijn teruggevonden.
De derde periode is de Regionale Klassieke Periode van 200 v.Chr. tot 800 n.Chr. Deze periode kenmerkt zich door spirituele ontwikkeling en de op religie gebaseerde hiërarchie in de samenleving. De periode is bekend om de vervaardiging van de karakteristieke beeldhouwwerken en grafmonumenten. In tegenstelling tot andere indiaanse culturen was het in de San Agustíncultuur op uitzonderingen na niet gebruikelijk om de doden met veel versierselen of kunstobjecten te begraven. Macht en aanzien van de opperhoofden werden tot uitdrukking gebracht door het oprichten van grafmonumenten en standbeelden. In deze periode woonden 4000 tot 8000 mensen in een gebied van ca. 100 km².
De laatste periode is de zogenaamde Recente Periode van 800 tot ca. 1550 n.Chr. Deze periode werd meer gekenmerkt door macht gebaseerd op agrarische economie, en minder op basis van religieuze hiërarchie. Standbeelden werden in deze periode waarschijnlijk niet meer gemaakt. Graven uit deze periode bevatten ook vaker objecten voor huiselijk gebruik, zoals keramiek. In deze periode nam het bevolkingsaantal verder toe, maar mensen bleven net als in de vorige periodes op ongeveer dezelfde plaatsen in het gebied wonen. De cultuur hield ca. 1550 n.Chr. op te bestaan. Waarom het volk verdween, of waarheen het verhuisd is, is onbekend.
Architectuur thumb|Een graftombe In de architectuur worden drie elementen onderscheiden: de huiselijke bouwkunst, de grafkamers en de dolmen ten behoeve van de godenverering.
In veel precolumbiaanse culturen werd het leven na de dood belangrijker geacht dan het leven op aarde. Aan de architectuur in het dagelijkse leven van de San Agustín werd om die reden weinig aandacht besteed en er is dan ook weinig meer bekend dan dat huizen gegroepeerd waren tot kleine leefgemeenschappen. Een typisch huis was drie meter in diameter en gebouwd van palen. De wanden waren gemaakt van takken of riet en bedekt met klei. Het puntdak was bedekt met stro.
De ceremoniële architectuur, de architectuur ten behoeve van de goden- en dodenverering was voor de San Agustín veel belangrijker. Net als bij andere precolumbiaanse culturen bestaat de overgeleverde San Agustín-architectuur voornamelijk uit grafcentra. Natuurlijke steen was het belangrijkste bouwmateriaal voor de grafkamers. Het was in dit gematigd vulkanisch gebied in voldoende hoeveelheden voorradig.
De graftombes varieerden in afmeting en afwerking, afhankelijk van de hiërarchische positie en de status van de overledene. Een graftombe kon rechthoekig, rond of ovaal zijn met een diepte die varieerde van een tot drie meter. In de graven van rechthoekig ontwerp was de vloer vaak, net als de wanden en het dak, gemaakt van platte steen. Een opvallend aspect van de grafcultus van de San Agustíncultuur bestond uit het dichten van de grafkuil met nauwkeurig begrensde lagen van gekleurde aarde, in de kleuren zwart, geel en rood.
thumb|Een dolmen van een jager (herkenbaar aan de opgebonden genitaliën), aan weerszijden wachters met alter egoDe belangrijkste architectonische constructies van deze cultuur zijn de dolmen waarin de goden werden vereerd. Ze lijken op de rechthoekige grafkamers met wanden en dak van platte steen, maar zijn veel groter. De uitbeelding van de godheid was in de kamer geplaatst met het aangezicht naar voren. De belangrijkste en grootste dolmen die tot nu toe gevonden is, meet 7 meter lang, 3 meter breed en 2,20 meter hoog. Deze bouwwerken werden opnieuw bedekt met aarde, op die manier kunstmatige heuvels vormend, die tot 30 meter in diameter en 3 meter in hoogte konden zijn.
Het San Agustín-volk gebruikte, zoals vaker voorkwam in precolumbiaanse beschavingen, voor hun ceremonies hoog gelegen plaatsen, zoals de toppen van heuvels. Deze heuveltoppen werden kunstmatig aangepast, en heuvels werden met aarden wallen met elkaar verbonden.Zie bijvoorbeeld afbeelding col0726 van Stefan Fröhlich Zo’n wal kon tot ongeveer 300 meter lang worden en op het hoogste punt 14 meter hoog zijn. Op deze heuvels en aarden wallen bouwden de San Agustín-indianen talrijke grafheuvels en dolmen, die sarcofagen en beeldhouwkunst bevatten. De wanden van verschillende graftombes vertonen resten van beschildering van geometrische motieven en concentrische cirkels in zwart, rood, geel en wit.
Sculpturen thumb|left|Alter ego op de rug van een man met katachtige gezichtskenmerken, waarschijnlijk een geestelijk leider De San Agustíncultuur is vooral bekend om de indrukwekkende antropomorfe standbeelden die deel uitmaakten van grafplaatsen, maar die ook wel verspreid in kleine groepen over het gebied worden aangetroffen. Deze kenmerkende standbeelden maakten deel uit van begrafenisrituelen. Soms wordt een standbeeld omgeven of bewaakt door standbeelden van krijgers, daarmee de macht en het gewicht van de overledene uitbeeldend. De iconografie van de standbeelden van opperhoofden doet vermoeden dat deze leiders nauw verbonden waren met spirituele en religieuze macht. De standbeelden zijn veelal mannelijke figuren, die kenmerken vertonen van vleermuizen, alligators of katachtigen. Karakteristiek zijn ook de beelden van krijgers met hun "dubbele ik" of alter ego. Dit zijn beelden van mannen met op hun rug een dierfiguur.Zie bijvoorbeeld afbeelding col0605 van Stefan Fröhlich Kenmerkend voor de stijl van de sculptuur zijn de uitpuilende amandelvormige ogen, platte neuzen, en woeste monden met kruisende hoektanden. De beelden geven over het algemeen menselijke figuren weer met een rechte romp met hoge vierkante schouders, en een in verhouding groot hoofd. Armen zijn vlak en gebogen bij de ellebogen. De handen houden, afhankelijk van de uitgebeelde figuur, soms symbolen vast. De beelden werden vervaardigd uit vulkanisch gesteente uit de omgeving zoals andesiet en tufsteen. Veel beeldhouwwerken werden vervaardigd in werkplaatsen in de buurt van de monumenten. Bij opgravingen heeft men beitels, bijlen en hamers van obsidiaan, basalt en andesiet gevonden. Metalen werktuigen waren ongetwijfeld ook bekend aan de San Agustín omdat deze zijn weergegeven in de handen van sommige beelden. Ze hebben dezelfde vorm als de bijlen en messen van koper die door de Inca’s werden gebruikt.
thumb|Bron van Lavapatas Naast deze karakteristieke beeldhouwwerken vindt men op verschillende plaatsen versieringen in natuurlijke steenformaties. Voorbeelden hiervan zijn de petroglyfen in La Chaquira en de Bron van Lavapatas. In de Bron van Lavapatas vindt men een groep versieringen in bas-reliëf, in de vorm van kikvorsachtige dieren, slangen, zoogdieren en menselijke gezichten, uitgehakt op de rotsige bodem van een rivier. De antropoloog Konrad Preuss veronderstelde dat de figuren in de Bron van Lavapatas de Agustín-goden van het water, de vruchtbaarheid of voorspoed verbeeldden, en dat deze plaats als tempel fungeerde. thumb|Gevleugelde vis, San Agustíncultuur, Regionale klassieke periode Hoewel het gebruik van gouden versieringen onder deze leiders niet gebruikelijk was, werden enkelen van hen begraven met gouden grafgiften. In het Goudmuseum in Bogotá bevindt zich een zeldzaam ornament van een gracieuze vliegende vis — een soort vis die aan de Pacifische kust welbekend was maar vermoedelijk niet in de Andes — wat duidt op handelscontacten. Hetzelfde geldt voor de uitbeelding van de kaaiman, een dier dat in dit gebied niet voorkwam.
Getuige de vondst van een houten sarcofaag in de Alto de Lavapatas, gedateerd rond 550 v.Chr., werd ook hout gebruikt in de beeldhouwkunst. Door het vochtige klimaat is daarvan nauwelijks iets overgeleverd.
Thema’s in de sculptuur thumb|Voorbeeld van het typische kleurgebruik rood, geel, wit en zwart In de grote variëteit van de San Agustínsculptuur komt het katachtige element vaak voor. De karakteristieke katachtige mond die veel afgebeelde figuren kenmerkt, laat zich mogelijk verklaren door het gebruik van hallucinogene middelen.Dobkin de Rios, M. (2009) Alter ego representations in San Agustin monolithic sculptures: possible plant hallucinogenic influences. Journal of Psychoactive Drugs, december
Vanaf een bepaald tijdperk werden de beelden van de San Agustín polychroom geschilderd in de kleuren rood, geel, wit en zwart. Dit werd mogelijk gedaan om het goddelijke karakter van het beeld te versterken, of misschien wilde men de beelden meer laten opvallen in de duistere kamers van de dolmen.
In de beeldhouwkunst van de San Agustín kunnen de volgende thema’s worden onderscheiden:
Goden Goden worden weergegeven met attributen die wijzen op vruchtbaarheid en voortplanting, zowel voor mensen, als voor planten en dieren die als voedsel dienden. Deze symbolische attributen zijn bijvoorbeeld het slakkenhuis, de beitel, de kom, de vis, maar ook de weergave van het mannelijk of vrouwelijk geslacht in sommige standbeelden.
Geestelijke leiders Geestelijke leiders worden staande uitgebeeld. De uitdrukking van het gezicht van sommigen is naturalistisch, maar ook worden maskers gebruikt.
thumb|left|Krijger met een alter ego op de rug.
Krijgers