Agnes Elisabeth Lutyens (CBE)Commandeur in de Orde van het Britse Rijk (Londen, 9 juli 1906 – aldaar, 14 april 1983) was een Brits componiste. Zij was het vierde van de vijf kinderen van de architect Edwin Lutyens en Emily Lytton, die betrokken waren bij de theosofische beweging.

Levensloop Jeugd Het gezinsleven werd gekenmerkt door ruzies tussen haar vader en moeder. Haar vader was de architect van de binnenstad van Delhi, haar moeder de dochter van de onderkoning van Indië en een hofdame van koningin Victoria van het Verenigd Koninkrijk. Elisabeth besloot vroeg componiste te worden, enerzijds om de aandacht van haar moeder te krijgen, anderzijds omdat zij op dit gebied geen concurrentie binnen de familie te duchten had, zoals zij later in haar autobiografie schreef. Zij kreeg viool-, piano- en compositieles. Haar tante Constance Lytton, een vakbekwame pianiste, wier docente een leerling van Clara Schumann was geweest, steunde haar door haar met de werken van Robert Schumann bekend te maken. Op 15-jarige leeftijd ontstonden de eerste kamermuziekwerken, een jaar later schreef zij een opzet voor een eerste ballet.

Studie In 1922/1923 studeerde zij ongeveer drie maanden solfège, harmonie en contrapunt aan de École Normale de musique de Paris in Parijs bij Marcelle de Manziarly en Georges Caussade. Dankzij Marcelle de Manziarly werd zij vertrouwd met het werk van Claude Debussy en Igor Stravinsky. Eveneens in Parijs leerde zij de musicoloog, componist en organist Antoine Geoffroy-Dechaume kennen, die haar interesse voor het werk van Girolamo Frescobaldi en Henry Purcell wekte. Na een reis met haar moeder naar een theosofisch centrum in het Oostenrijkse Ehrwald nam zij in 1923 privéles bij de theosofische componist John Foulds. Al snel brak zij de lessen af, om haar moeder en Jiddu Krishnamurti (1895-1986) op reis te vergezellen. Deze was door de theosofische vereniging tot "wereldleraar" gekozen en was gedeeltelijk in het gezin opgegroeid. De gezamenlijke reizen voerden naar Trente in Italië, verschillende steden in India en Australië. In 1925 kwamen zij terug naar Londen.

Van 1926 tot 1930 studeerde Lutyens aan het Royal College of Music in Londen bij Harold Darke (compositie) en bij Ernest Tomlinson (altviool). Spanningen tussen haar en de toenmalige directeur van het Royal College of Music en aanhanger van de English Musical Renaissance, Hugh Allen, leidde ertoe, dat zij geen compositieles bij de toen beroemde docenten Ralph Vaughan Williams of John Ireland kon krijgen. Tijdens de studie raakte zij bevriend met de componiste Dorothy Gow. Anders dan haar medestudenten aan het Royal College of Music (Elizabeth Maconchy, Dorothy Gow, Imogen Holst en Grace Williams) ontving zij gedurende haar studietijd nooit een bijzondere prijs of een onderscheiding voor haar werk. Haar relatie met haar moeder ging achteruit tijdens haar studie, wat leidde tot een terugkerende depressie.

Huwelijken en concerten In 1929 leerde zij de zanger (bariton) Ian Glennie kennen, met wie zij in 1933 huwde. Samen met de dirigente Iris Lemare en de violiste Anne Macnaghten richtte ze in 1931 Macnaghten-Lemare-concerten in Londen op, die decennialang zouden doorgaan. Doel was de voorwaarden voor uitvoering en werk van jonge componisten te verbeteren. De concerten werden spoedig tot een vaste instelling in het Londense culturele leven en Lutyens hoorde vele van haar vroege werken daar voor de eerste keer. Door deze concertseries werden ook andere componisten zoals Benjamin Britten, Elizabeth Maconchy, Grace Williams, Malcolm Williamson en Alan Rawsthorne in het Londense muziekleven geïntroduceerd en gesteund.

Met de uitvoering van het ballet The Birthday of the Infanta door de Camargo Society in 1932 maakte het grote publiek voor het eerst kennis met Lutyens' composities. In 1934 werd met Sebastian haar eerste zoon geboren. In de volgende jaren werkte zij uitsluitend voor de Macnaghten-Lemare-concerten. Zij werd ook moeder van een tweeling. In 1938 leerde zij de 18 jaar oudere dirigent en voormalige BBC-producent Edward Clark kennen, een leerling van Arnold Schönberg, die het Britse publiek met eigentijdse continentale muziek bekend wilde maken. Ian Glennie en zij gingen uiteen, hoewel Glennie pas jaren later met een echtscheiding instemde. In 1939 en 1940 schreef zij het Chamber Concerto I en II, haar eerste dodecafonische werken. In 1940 vertrok zij vanwege de onzekere oorlogssituatie met haar kinderen naar het gezin van haar zuster Ursula in Newcastle upon Tyne. Spanningen tussen de gezinnen leidden al snel tot een terugkeer naar Londen. Tijdens een Proms-concert in Londen gingen haar Three Pieces for Orchestra, op. 7 in première, lang de enige grotere uitvoering van haar werk. Conrad, haar enige kind van Edward Clark, werd in 1941 geboren. Grote financiële zorgen en honger, oorlog en ziekte maakten het voor haar in de jaren 1940 en 1941 steeds moeilijker om te componeren. Na verdere verblijven op het platteland kwam zij in 1943 terug naar Londen, maar haar latere alcoholproblemen begonnen zich af te tekenen.

Filmmuziek en alcoholisme Vanaf 1944 begon zij - meer om financiële redenen, dan uit interesse - met het componeren van filmmuziek. Misschien heeft het werken voor de film wezenlijk tot de ontwikkeling van haar latere compositiestijl bijgedragen. Om ongestoord te kunnen werken gingen de kinderen naar verwanten en voor zich en haar man richtte zij afzonderlijke woningen in. Zij leerde Constant Lambert, Francis Bacon en Dylan Thomas kennen, Londense persoonlijkheden van het moderne leven, maar door haar vele bezoeken in pubs in de Londense wijk Bloomsbury raakte zij sterker verslaafd aan alcohol. Zowel haar geestelijke als haar lichamelijke toestand ging sterk achteruit en in 1948 was zij gedwongen zich maandenlang in een psychiatrisch ziekenhuis te laten behandelen. In 1951 probeerde ze met een vierdaagse extreme ontwenningskuur haar alcoholisme onder controle te krijgen. Maar toenemende vereenzaming en het uitblijven van succes met haar ernstige muziek leidden ertoe, dat zij verdere opdrachten voor films, reclame en de omroep moest aanvaarden.

Leerlingen Vanaf 1957 gaf ze jarenlang privéles, wat haar financiële situatie nauwelijks verbeterde. Qua ideeën voelde zij zich verwant aan jonge buitenstaanders, die net als zij met het muzikale Establishment vochten. Tot haar leerlingen behoorden Malcolm Williamson en Richard Rodney Bennett, hoewel zij enige leden van de zogenaamde Manchester groep (Harrison Birtwistle, Alexander Goehr en Peter Maxwell Davies) met advies en geld steunde. Tegelijkertijd beschadigde zij haar betrekkingen met de British Broadcasting Corporation (BBC) door een meningsverschil, omdat zij de BBC voor het mislukken van haar echtgenoot (Edward Clark) in de muziekwereld verantwoordelijk stelde.

Onderscheidingen In 1962 werd zij door de Phoenix Trust onderscheiden voor haar verdiensten voor de muziek, met een bijbehorende geldprijs van 350 Britse pond. In dat jaar overleed haar tweede man Edward Clark. Vanaf 1963 hield ze zich bezig met dood en eeuwigheid en ontwikkelde ze haar compositorische taal verder, omdat zij koos voor een thematische opzet en gebruik van twaalftoonsreeksen achter haar liet. In 1969 werd zij tot Commandeur in de Orde van het Britse Rijk benoemd en kreeg ze de Londense Lord Mayor Midsummer Award (een geldprijs voor onvoldoende gewaardeerde kunstenaars). Zij richtte voor korte tijd een eigen muziekuitgeverij (Olivan Press), maar verkocht dit bedrijf in 1974 alweer aan Universal Music. Tussen 1962 en 1971 kreeg zij in totaal acht compositieopdrachten van de BBC, maar haar werken werden buiten Londen zelden uitgevoerd.

In 1972 werd haar autobiografie "A Goldfish Bowl" gepubliceerd, waarin zij diepe inzichten over haar leven en werken als Londense componiste ten beste geeft.

Verslaving en einde In 1976 werd zij huiscomponist aan de Universiteit van York. Rond deze tijd verbeterden zich langzamerhand eveneens de inkomsten uit haar langjarige werk voor film en omroep, zodat zij voor het eerst zonder financiële steun van vrienden of andere familieleden kon rondkomen. Helaas was zij vanaf het begin van de jaren zeventig opnieuw begonnen alcohol te drinken en werd ze daarnaast ook nog verslaafd aan pillen en tabletten (zij nam regelmatig antidepressiva, kalmeringsmiddelen, barbituraten en steroïden). Door deze omstandigheden componeerde zij aan het einde van de jaren zeventig nog zelden en wat ze wel schreef was meestal kort. Na de première van het 13e strijkkwartet in maart 1983, die zij in de rolstoel bijwoonde, overleed zij op 14 april 1983 aan een hartinfarct in haar woning.

Composities Werken voor orkest 1937-1938 Five-part Fantasia, voor strijkorkest 1939 Three Pieces, op. 7 1939 Kamerconcert I, voor hobo, klarinet, fagot, hoorn, trompet, trombone, viool, altviool en cello, op. 8 nr. 1 1940 Kamerconcert II, voor klarinet, tenorsaxofoon, piano en strijkorkst, op. 8 nr. 2 1941-1943 Three Salutes to the United Nations nr. 2, voor orkest 1942 Three Symphonic Preludes 1944 En Voyage, voor orkest 1945 Kamerconcert III, voor fagot en klein orkest, op. 8 nr. 3 1946 Kamerconcert IV, voor hoorn en klein orkest, op. 8 nr. 4 1946 Kamerconcert V, voor strijkkwartet en kamerorkest, op. 8 nr. 5 1947 Concert, voor altviool en orkest, op. 15 1948 Kamerconcert VI (teruggetrokken) 1951 Lyric Piece, voor viool en orkest, op. 23 1955 Music for Orchestra I, op. 31 1955 Diabelleries – Variations on "Where’s my little basket gone?", voor orkest 1956 Chorale - Hommage a Igor Stravinsky, voor orkest, op. 36 1959-1960 Quincunx, voor sopraan, bariton en orkest, op. 44 - tekst: Thomas Browne 1962 Music for Orchestra II, voor orkest, op. 48 - opgedragen aan Edward Clark 1963-1964 Music for Orchestra III, voor orkest, op. 56 1963 Music, voor piano en orkest, op. 59 1967 Novenaria, op. 67 nr. 1 1974 The Winter of the World, voor twee orkesten, op. 98 1974-1975 Eos, voor klein-/kamerorkest, op. 101 1976 Six Bagatelles, voor kamerorkest (zes houtblazers, vier koperblazers, harp, piano, celesta en vijf solo strijkers), op. 113 1976 Rondel, op. 108 1977 Nox, voor piano en 2 kamerorkesten, op. 118 1978 Tides op. 124 1980 Wild Decembers, voor kamerorkest, op.149 1981 Music for Orchestra IV "Gone Like a Sea-Covered Stone", voor kamerorkest (zonder violen), op. 152 Three Salutes to the United Nations nr. 1, voor koperblazers, strijkers en slagwerk

Werken voor harmonieorkest 1944 Divertissement, voor slagwerk en militaire muziekkapel 1961 Symphonies, voor piano (solo) en harmonieorkest, op. 46 - opgedragen aan Katharina Wolpe

Muziektheater Opera's Voltooid in titel aktes première libretto 1947 The Pit, op. 14 18 mei 1947, Londen (concertant); 24 april 1949, Palermo (scenisch) William Robert Rodgers 1954 Infidelio, op. 29 7 scènes 17 april 1973, Londen T.E. Ranselm, pseudoniem van de componiste 1965-1967 The Numbered, op. 63 proloog en 4 bedrijven niet uitgevoerd Minos Volonakis, naar Elias Canettis "Die Befristeten" 1967-1968 Time Off? Not a Ghost of a Chance!, op. 68 4 scènes 1 maart 1972, Londen de componiste 1969-1970 Isis and Os, op. 74 26 november 1976, Londen de componiste naar Plutarchus 1972 The Goldfish Bowl, op. 102 (verworpen) niet uitgevoerd de componiste 1973 The Waiting Game, op. 91 3 scènes niet uitgevoerd de componiste 1977 Like a Window, op. 109 24 november 1977, Londen, BBC Uittreksels uit brieven van Vincent van Gogh

Balletten Voltooid in titel aktes première libretto choreografie 1932 The Birthday of the Infanta (later teruggetrokken) 4 december 1932, Londen, Camargo Society Oscar Wilde 1939 King Midas, vermoedelijk 1939, Hammersmith Toni del Renzio, afkorting van Antonino Romanov del Renzio dei Rossi di Castellone e Venosa 1948 Rhadamanthus niet uitgevoerd 1949 Ballet, op. 19

Toneelmuziek ca. 1927 Job, voor solisten, gemengd koor en orkest