miniatuur|rechts|Het (monumentale) schachtgebouw van schacht Nulland van de voormalige Domaniale Mijn in Kerkrade thumb|Hoofdschacht van Raub Gold Mining Company, Pahang, Maleisië, rond 1910. thumb|Ondergrondse laadplaats van een kolenmijn (1939) Een schacht in de mijnbouw is een verticale, meestal cilindervormige toegangsweg tussen het aardoppervlak en plaatsen in de ondergrond waar delfstoffen in vaste vorm worden ontgonnen.

Schachten zijn de belangrijkste vervoerswegen van het ondergrondse mijnbedrijf. Alle personenverkeer, alsook alle vervoer van producten, machines en materialen naar de ondergrondse werken, vindt door de schachten plaats. Ze vormen tevens de enige wegen, waarlangs de lucht toe- en afgevoerd wordt. Ook de mijnwaterleidingen, de toevoerkabels voor elektrische stroom en de persluchtleidingen moeten in de schachten worden aangebracht. Niet ten onrechte worden de schachten dan ook de slagaders van een mijn genoemd.

De mijnschachten worden soms aangeduid naar de functie, waarvoor ze in hoofdzaak zijn bestemd. Zo wordt er gesproken van vervoer- en luchtschachten. Bij de luchtverversing wordt onderscheid gemaakt tussen de in- en uittrekkende schacht. Hiermee duidt men respectievelijk de schacht aan, waarin verse lucht de mijn binnenstroomt, en de schacht waarin de verbruikte lucht wordt afgevoerd.

Schachten, die niet met de oppervlakte in verbinding staan, worden blinde schachten genoemd. Daartoe behoren de zogenaamde op- en neerbraken. Bij steenkolenmijnen dienen deze doorgaans om koollagen boven of onder een verdieping te ontsluiten. Met een opbraak wordt een kolenlaag boven een verdieping ontsloten, met een neerbraak een laag beneden een verdieping. Deze schachten hebben een kleinere doorsnede dan de (hoofd)schachten, ze vormen een verbinding tussen een verdieping en een tussenverdieping, of tussen twee verdiepingen. Blinde schachten dienen zowel voor vervoer als voor de luchtverversing. Indien in deze schachten personenvervoer is toegestaan, krijgen ze de naam tussenschacht.

Inrichting, vervoer en luchtverversing De Zuid-Limburgse (Nederland) en de Kempische (België) kolenmijnen beschikten over meerdere, honderden meters diepe schachten. De diepte waarop de ondergrondse verdiepingen werden aangelegd, en daarmee ook de diepte van de schachten, is onder andere afhankelijk van de dikte van het dekterrein en de diepte waarop de winbare kolenlagen zich bevinden. De Staatsmijnen en Kempische waren in het algemeen veel dieper dan de particuliere mijnen in Nederland en de meeste mijnen in Wallonië.

Inrichting van de schacht De schacht is uitgerust met zware stalen balken, die horizontaal op een onderlinge afstand van drie meter loodrecht onder elkaar in de schachtwand worden ingebouwd. Ze dienen om het gewicht van luchtbuizen, waterbuizen, kabels, laddervloeren enzovoort te dragen. Ook zijn hierop de zogenoemde leibomen voor de liftkooien bevestigd, deze houten balken dienen om de kooien te geleiden in hun op- en neergaande beweging. Uit veiligheidsoverwegingen is ook een ladderafdeling in de schacht aangebracht, waarbij om de zes meter een laddervloer is aangebracht. Bij calamiteiten kan het ondergronds personeel naar boven klimmen zonder gebruik te hoeven maken van de schachtkooien.

Vervoer door de schacht thumb|Een liftkooi met drie verdiepingen voor twee wagens achter elkaar. Duidelijk te zien zijn de geleidingen voor de leiboom aan de voorkant van de kooi, aan de achterkant bevinden zich dezelfde geleidingen. Bij een vervoerschacht bevindt zich boven de schacht het schachtgebouw met een losvloer en de schachttoren of schachtbok. Hierin zijn de schachtwielen aangebracht waarover de kabels naar de liftkooien lopen. De kooien worden door de schacht op en neer bewogen door een ophaalmachine. Deze bevindt zich nabij de schacht op de begane grond in een apart gebouw, of boven in de schachttoren in een afzonderlijke ruimte. De ophaalmachine drijft een trommel, of een Koepeschijf aan, waarover de liftkabel loopt. De ophaalmachine wordt bediend door een machinist, door middel van belsignalen wordt hem duidelijk gemaakt hoe, en wanneer de liftkooien in beweging moeten komen. Zowel bovengronds op de losvloer als ondergronds op de laadplaatsen, worden de seinen voor de kooien bediend door een seingever.

Het overgrote deel van producten en materiaal wordt in mijnwagens geladen en in de liftkooi naar onderen of naar de oppervlakte vervoerd. Bij de ondergrondse laadplaats wordt de kooi met gevulde kolenwagens beladen. Op de losvloer worden deze van de kooi verwijderd en worden hiervoor lege wagens in de plaats gezet. De losvloer bevindt zich doorgaans zo’n 10 à 15 meter boven het maaiveld, waar eveneens een laad- en losplaats is ingericht. Personen- en kolenvervoer vindt plaats via de losvloer, evenals het meeste materiaalvervoer. Uitzonderlijk vervoer, van bijvoorbeeld lang materiaal, gebeurt gewoonlijk vanaf het maaiveld.

Het verwijderen van de beladen kolenwagens en het op de kooi rijden van de lege wagens geschiedt op de losvloer doorgaans met behulp van een mechanische wagenduwer. Deze is nodig, omdat met de lege wagens de gevulde wagens van de kooi moeten worden gestoten. Bij de laadplaats ondergronds gebeurt het omgekeerde, hier worden de lege met behulp van de beladen wagens van de kooi gedrukt. Mechanische wagenduwers zijn er overbodig omdat de gevulde wagens gewoonlijk in dalende richting naar de kooi lopen en daarbij de lege wagens gemakkelijk van de kooi stoten. Het precies positioneren van de kooi wordt op de ondergrondse laadplaats bemoeilijkt door de grote kabellengte die zich boven de kooi bevindt. Daarom worden daar beweegbare laadvloeren toegepast. Het voorste einde hiervan komt op een etagevloer van de kooi te liggen waardoor het beladen aanmerkelijk wordt vergemakkelijkt.

De schachtcapaciteit is sterk afhankelijk van de snelheid waarmee de liftkooien zich door de schacht bewegen. Tijdens het kolenvervoer kunnen de kooien een snelheid bereiken van 16 tot wel 20 meter per seconde (72 km per uur). Personenvervoer wordt uitgevoerd met een aanzienlijk lagere snelheid van maximaal 12 meter per seconde (ruim 43 km per uur). De kooi wordt hierbij aan de voor- en achterzijde door middel van schuif- of draaibare deuren afgesloten. Na afloop van het personenvervoer worden de deuren telkens verwijderd, kolenvervoer wordt uitgevoerd zonder afsluiting van de kooien.

De bij de meeste Limburgse mijnen toegepaste liftkooien bestonden uit vier verdiepingen waarbij elke verdieping plaats bood voor twee wagens achter elkaar, of twee wagens naast elkaar. In elk dezer kooien konden dus acht wagens worden geplaatst. Op de rails in de kooi waren geringe verhogingen aangebracht. De wagens werden zodanig geplaatst dat deze zich tussen de voor- en achterwielen bevonden. Hiermee voorkwam men het voor- of achteruit lopen van de wagens tijdens het schachtvervoer. De vloeren tussen de verdiepingen van een kooi waren scharnierend geconstrueerd. Dit kwam van pas bij het vervoer van lang materiaal. Indien nodig werden een of meer vloeren in de hoogte gezet en kon het materiaal rechtop in de kooi worden geplaatst. Om te voorkomen dat bij kabelbreuk de kooien in de diepte storten waren ze van automatisch werkende vanginrichtingen voorzien. Deze traden in werking zodra de kabel brak of slap ging hangen. In de regel werden vanginrichtingen toegepast, die bij kabelbreuk in de leibomen grepen waardoor deze onmiddellijk een krachtige remmende werking uitoefenden en met vermijding van een al te grote schok de kooien tot stilstand brachten.

Skipvervoer Bij de meeste Limburgse mijnen vond schachtvervoer plaats door middel van kooien, enkele mijnen beschikten over één of meerdere schachten die voor skipvervoer waren ingericht. Skips zijn enkel bestemd voor kolentransport, het zijn gesloten stalen bakken met een schuine bodem, die de reeds besproken schachtkooien vervangen.

Bij toepassing van skipvervoer worden ondergronds de kolen in een bunker gestort, waaruit via een weegbunker de skip automatisch wordt gevuld. Zodra de skip tot op zekere hoogte boven de losvloer is gehesen, opent zich, ook weer automatisch, de scharnierende vloer van de skip en valt de inhoud op een transportband, waarmee de kolen verder naar de zeverij worden vervoerd.

Door afwezigheid van het gewicht van de mijnwagens is er bij skipvervoer een aanzienlijke vermindering van de dode last. Ook is het vervoer sneller doordat het vullen en leegstorten van de skip minder tijd vergt dan het beladen van de kooi met mijnwagens. Bovendien zijn er minder mijnwagens benodigd, omdat de wagens niet meer bovengronds komen. Nadeel van skipvervoer is de ongeschiktheid voor personen- en materiaalvervoer, ook zal er een grotere vergruizing van de kolen plaatsvinden.

Luchtverversing De schachten spelen een belangrijke rol bij de luchtverversing van een mijn, het zijn immers de enige toegangswegen die beschikbaar zijn voor het ventileren van de ondergrondse werken. Behalve voor de aanvoer van voldoende zuurstof voor de mijnwerkers, is een ongestoorde luchtverversing noodzakelijk voor de verdunning en afvoer van schadelijke en/of gevaarlijke gassen zoals koolzuurgas en methaan. Ook zal door een goede ventilatie de temperatuur van het gesteente worden verlaagd, zodat een draaglijk werkklimaat ontstaat. Om een ononderbroken luchtstroom mogelijk te maken, moeten bij elke mijn minstens twee schachten worden gedolven die met de oppervlakte in verbinding staan: namelijk één waardoor de verse lucht de mijn binnenstroomt, en een tweede waardoor de gebruikte lucht de mijn verlaat. Deze schachten, die uit veiligheidsoverwegingen op zijn minst 30 meter uit elkaar liggen, noemt men respectievelijk intrekkende- en uittrekkende schacht.

De luchtstroom wordt teweeggebracht door een hoofdventilator, die bovengronds nabij een van de schachten is opgesteld. Deze kan blazend of zuigend werken. In het eerste geval staat deze in verbinding met de intrekkende, en in het tweede geval met de uittrekkende schacht. Doorgaans wordt de voorkeur gegeven aan zuigende ventilatie. Doordat de hoofdventilator de gebruikte lucht uit de mijn zuigt, ontstaat er onderdruk met het gevolg dat de verse lucht door de intrekkende schacht wordt aangezogen.

De schacht, waarmee de hoofdventilator in verbinding staat, moet door een deksel zijn afgesloten. Daardoor wordt voorkomen, dat bij zuigende ventilatie, de lucht rechtstreeks van de oppervlakte door de schachtopening wordt aangezogen. Telkens als de kooi aan de oppervlakte komt, tilt deze het schachtdeksel op en neemt het mee in de hoogte. De ontstane schachtopening wordt ondertussen door de kooi zelf afgesloten.

Vanuit de schachten zijn de verschillende ondergrondse verdiepingen aangelegd, van daaruit worden voldoende sterke luchtstromen naar de afdelingen geleid. Nadat de luchtstromen de werkpunten geventileerd hebben, verenigen ze zich weer tot één uittrekkende stroom. Om een luchtstroom de gewenste weg te laten volgen of deze te verdelen, maar ook ter voorkoming van kortsluiting in de luchtcirculatie, bedient men zich van luchtdeuren. Deze moeten zodanig worden geplaatst, dat het openen van de deur tegen de luchtstroming in moet geschieden. Daardoor bereikt men, dat de deur zelfsluitend is en in gesloten toestand voortdurend tegen het kozijn drukt.

Het delven van een schacht