Moedwil en misverstand is de eerste verhalenbundel van de Nederlandse auteur Willem Frederik Hermans, in augustus 1948 verschenen bij J.M. Meulenhoff. In een periodiek was de bundel in 1947 aangekondigd onder de titel Praelogica. Op het laatste moment had de auteur ook Onheil op rubberkussens, een zinsnede uit 'Electrotherapie!', als titel overwogen.

De eerste druk bevatte zeven verhalen die in lengte variëren van enkele tot ongeveer dertig bladzijden en daarom zowel kort verhaal als novelle kunnen worden genoemd, met het in de tweede druk toegevoegde verhaal 'Atonale' als waarschijnlijk de bekendste. Ze spelen zich af op uiteenlopende locaties: 'Een ontvoogding' handelt over twee soldaten in het vreemdelingenlegioen in Syrië en Irak, 'Dokter Klondyke' beschrijft een ziektegeschiedenis in Amsterdam-West, 'Loo-Lee' speelt zich af in Almelo, 'Electrotherapie!' gaat over een zelfmoord in de Achterhoek, de titel 'Samen naar Oostende' spreekt voor zich en de veel bestudeerde novelle 'Atonale' speelt op een geheel fictief fabrieksterrein. De waardering liep sterk uiteen: sommige critici zagen niet veel meer in de bundel dan epigonisme van Jean-Paul Sartre, een enkeling wees op de grimmige humor.

Essayist Paul Rodenko wees op de zinvolle volgorde van de verhalen in de eerste druk: achter elkaar vormen zij het verhaal van een steeds verdergaande ontvoogding, waarbij de personages aanvankelijk onder een dominante vader verdrukt worden, maar zich in elk verhaal steeds meer ontplooien tot in het slotverhaal 'Het lek in de eeuwigheid' de zelfstandigheid bereikt is. Er bestaan enkele publicaties over de bundel als geheel, maar de meeste studies betreffen analyses van de individuele verhalen.

Aan latere drukken voegde de auteur in totaal vier verhalen toe, waarvan 'Ezelsoren' ruim twee bladzijden telt en het kortste verhaal uit het oeuvre is. Ook zette Hermans de verhalen op chronologische volgorde van ontstaan. De thema's van de verhalen zijn de drang zich aan een dominante figuur te ontworstelen, onvermogen om contact met anderen te leggen, ambitie die ontaard in zelfdestructie. De sfeer is in enkele verhalen, zoals 'Atonale' fantastisch of surrealistisch, waaraan de schrijfstijl met bizarre beeldspraak bijdraagt, terwijl in andere verhalen een gangbare werkelijkheidsillusie wordt aangehouden, bijvoorbeeld 'Dokter Klondyke'. In 'Elektrotherapie!' is sprake van een persiflage op het naturalisme. In 2006 werd de laatste versie van de bundel, die elf verhalen telt, opgenomen in deel 7 van de Volledige werken van de auteur, waarin de eerste drie verhalenbundels van de auteur verzameld zijn.

Motto's Als motto bij de eerste druk diende een citaat van de filosoof Arthur Schopenhauer: 'Das Leben und die Träume sind Blätter eines und des nämlichen Buches.'

Vanaf de tweede druk, uit 1961, werd als tweede motto een citaat van Sigmund Freud toegevoegd: 'Das Ziel des Lebens ist der Tod.'

Hermans noteerde het citaat van Schopenhauer in een aantekenboekje dat hij in de jaren 1946-1947 bijhield.Otterspeer (2013), 434-435 Het is afkomstig uit Schopenhauers hoofdwerk, Die Welt als Wille und Vorstelling, dat Hermans bezat in een editie uit 1919.Huygens ING (2020), 847

Het citaat van Freud is afkomstig van diens late opstel 'Jenseits des Lustprinzips', waarin de auteur in de passage vlak voor het tot motto gekozen citaat constateert dat zijn theorie 'onverwachts de haven van Schopenhauers filosofie [is] binnengelopen, voor wie de dood immers "het eigenlijke resultaat" en als zodanig het doel van het leven is, de geslachtsdrift echter de belichaming van de wil tot leven.'Smulders (1989), 85-86 Hierdoor zijn de citaten 'in zekere zin verwisselbaar'.Smulders (1989), 85 Het correcte citaat luidde overigens: 'Das Ziel allen Lebens ist der Tod.'

Inhoud De samenstelling en de volgorde van de bundel werd in de loop der jaren enkele malen gewijzigd, de laatste maal meer dan veertig jaar na de eerste publicatie.

Eerste druk (1948) De oorspronkelijke uitgave bevatte zeven verhalen die vaak spookachtig, surrealistisch of anderszins vreemd aandoen. De verhalen stonden in de volgende volgorde:Opgave volgorde in Otterspeer (2013), 477

'Electrotherapie!' (1943)

De Amsterdamse Ronald is een begaafd gymnasiast die door zijn ouders kort gehouden wordt. Tijdens de jaarlijkse vakantie in de Achterhoek wordt hij verliefd op Agnes, de dochter van een baron, maar hij voelt zich geremd in zijn toenaderingspogingen vanwege het standsverschil.

De schrijfstijl is een parodie op het naturalisme, de literatuurstroming waarvan de Fransman Émile Zola de leider en theoreticus was.Raat (2010), 132-133 Als thema's worden het meest genoemd het aan Sigmund Freud ontleende concept van inhibitie,Dupuis (1985), 233-235 de verhouding tot de tirannieke vaderRodenko (1948), 69 en de verkeerde beoordeling van de werkelijkheid.Raat (2010), 134

'Een ontvoogding' (1941)

De uit Aleppo afkomstige pottenbakkerszoon Bahloul gaat in het leger en maakt onderweg naar Basra kennis met de twintig jaar oudere Mohammed, die hem als een vaderfiguur onder zijn hoede neemt. Zij zijn gelegerd in Aleppo, maar dankzij de connecties van Mohammed hoeven zij niet bij de manschappen te slapen. Mohammed deelt zijn vriendin Halimah met Bahloul. Als bij een aanslag op Mohammed een ander wordt vermoord, nemen de gebeurtenissen een fatale loop.

Het verhaal is gebaseerd op een droom van de auteur en neemt met zijn oosterse sfeer een aparte plaats in diens oeuvre in. De meeste interpretaties beschouwen het als een literaire verwerking van het freudiaanse Oedipuscomplex.Rodenko (1948), 70Dupuis (1985), 218, 221

'Dokter Klondyke' (1946)

Floris Kalmans is kandidaat in de medicijnen en gaat als 'dokter Klondyke' met huisarts Hemelrijk mee op ziekenbezoek. Een meisje dat hem eens de bons heeft gegeven blijkt nu een patiënt met verlammingsverschijnselen te zijn. Klondyke haalt Kalmans over de patiënt aan hem over te dragen voor verdere verzorging, die uiteindelijk niet baat.

Hoewel het verhaal fictieve gebeurtenissen beschrijft, is het gebaseerd op de ziekenbezoeken van schrijver en huisarts Cola Debrot in de Admiraal de Ruyterbuurt in Amsterdam-West aan het einde van de bezetting, waarbij Hermans hem als 'dokter Klondyke' vergezelde.

'Loo-Lee' (1942)

Herbert en Valentijn logeren in Almelo en maken daar kennis met de oudere jongen Johnny van Hope. Deze neemt hen mee naar het park rondom een landgoed, een jachtterrein dat verboden is voor onbevoegden. Daar stroomt de vervuilde rivier Loo-Lee. Johnny duwt Valentijn erin en houdt hem onder water. Herbert kijkt toe en gaat dan weg.

Het verhaal is minder intensief bestudeerd dan sommige andere uit de bundel. Onderzoekers hebben gewezen op intertekstueel verband met De goddelijke komedie van Dante,Yans (1992), 327 noot 230 op het verband tussen de moeder- en vaderwereld en de hoofdpersonages,Fontijn (1971), 284 en 290 op freudiaanse elementenDupuis (1985), 61 en 219 en op de taalproblematiek als thema's.Dupuis (1985), 111-112

'Tezaam naar Oostende' (1942)

Een man komt op de Postjeskade een meisje tegen, met wie hij naar Oostende gaat. Zij komen in de stad Spa terecht, waar de verteller verneemt dat zij aan een raadselachtige ziekte lijdt. Vervuld van medelijden vermoedt hij dat zij nog onderweg naar Oostende zal sterven.

Het verhaal wordt doorgaans gezien als een proeve van surrealisme. Het is een van de minst becommentarieerde verhalen uit de bundel, misschien omdat de omvang slechts ongeveer vijf bladzijden is.

'Emigratie' (1946)

Gerard gaat op de fiets naar zijn vriendin Clasina omdat ze samen gaan emigreren. Zij woont in een buurt die wordt afgebroken en onderweg fietst Gerard langs tramrails waaraan werklui bezig zijn het beton weg te halen met pneumatische boren. Ook de huizen worden afgebroken. Als de politie gebaart dat de weg is afgesloten, keert Gerard om. Hij rijdt nu aan de verkeerde kant van de weg tegen het verkeer in en probeert een tram bij te houden maar komt ten val en wordt overreden. In die tram zat Clasina die naar hem op weg was. 'Het lek in de eeuwigheid' (1947)

Louis en Didine zijn al meer dan tien jaar getrouwd, tegen de wil van Didines vader, wat tot een verwijdering heeft geleid. Ze wonen op de hoogste verdieping van een gebouw dat verder alleen als kantoor dient. Didine onderschept een brief van Louis aan Eliane, aan wie hij toezegt Didine te zullen verlaten. Nadat ze rake klappen heeft gehad, schrijft Didine aan haar vader om de ruzie bij te leggen en weer thuis te komen. Ook probeert ze hem te bellen en aangezien ze zelf geen telefoon hebben, moet Didine daarvoor naar beneden, gehinderd door de lichtvoorziening in het trappenhuis die na drie minuten vanzelf uitgaat, zodat ze onderweg steeds naar een lichtknop moet zoeken. Wanneer Didine de brief aan haar vader heeft gepost, wordt ze op de WC onwel. Omdat ze niets anders heeft gebruikt dan de koffie die Louis haar heeft ingeschonken, vermoedt ze vergiftiging. Als Louis thuiskomt, probeert hij met een schroevendraaier de WC open te krijgen, tevergeefs. Uitbreidingen in de tweede druk (1961) Aan de tweede druk voegde Hermans twee verhalen toe, waarvan er één ten tijde van de eerste druk nog niet was geschreven:Huygens Instituut (2006), 636 Hermans herzag de verhalen in aanzienlijke mate. Hij werkte formuleringen met het voornaamwoord 'men' weg en de meeste verhalen vertonen 'kleine stilistische en inhoudelijke wijzigingen'.Huygens Instituut (2006), 637

Een andere wijziging was de volgorde van de verhalen. Deze werd nu strikt chronologisch en onder elk verhaal werd een datering vermeld.

'Atonale' (1942)

Ingenieur Nikol Varenhijt heeft de leiding over een, 'Astaroth' genaamde, fabriek in briketten en strijdgassen. De door de fabriek geproduceerde briketten vormen een lint dat in zes jaar de wereld over is getrokken en bij terugkeer de fabrieksmuren vernietigt. Wanneer dit gebeurd is, eindigt Varenhijt als bejaarde in een verpleeghuis.

De novelle behoort tot de vaakst bestudeerde onderdelen van het oeuvre van Hermans; biograaf Willem Otterspeer noemt het dan ook 'een van zijn beroemdste verhalen'.Otterspeer (2013), 379 Het verhaal kent een allegorische constructie die psychomachia wordt genoemd, waarbij de nevenfiguren afsplitsingen zijn van hoofdpersoon Varenhijt. Volgens de freudiaanse duiding is de fabriek een spijsverteringsstelsel waarbij de briketten en strijdgassen uit de anus komen. Het verhaal kent een drievoudige cyclische structuur: het volgt de cyclus der seizoenen omdat het zich afspeelt van herfst tot herfst, de dagcyclus omdat het begint op een ochtend en eindigt met het avondrood, en de cyclus van een mensenleven omdat Varenhijt eindigt als de oude man met wie hij in het begin kennismaakt en schaatst. De thematiek is de tot mislukking gedoemde almachtsfantasie van de hoofdpersoon.Fontijn (1971), 285-295Yans (1992), 457-477

'De kat Kilo' (1949)

Uitbreiding in de vierde druk (1966) 'Ezelsoren' (1949)

'Ezelsoren' werd geschreven in juli 1949 en gepubliceerd in Het Parool van 11 juni 1949. De ik-verteller beschouwt zijn vader als 'een ongehoord domme man', die tevergeefs probeert de Ethica van Spinoza te lezen. Als de man het te bont heeft gemaakt, besluiten de verteller en zijn moeder om hem als ezel aan Artis te schenken. Daar zit hij in een kooi met het boek van Spinoza op schoot.

Na de krantenpublicatie zorgde het verhaal voor enige commotie in de naaste omgeving van de ouders van de auteur, die het lazen als een beledigend portret van diens vader. In 1966 werd het verhaal opgenomen in de vierde druk van de verhalenbundel Moedwil en misverstand. Met een omvang van iets meer dan twee bladzijden is het een opmerkelijk kort verhaal in het oeuvre van Hermans. Er bestaan geen interpretatieve studies over.

Uitbreiding in de dertiende druk (1992) 'Inferno' (1943)