Richard H. ("Dickie") Dale (Wyberton, 25 april 1927 - Bonn, 30 april 1961) was een Brits motorcoureur.
Hij racete voornamelijk met Italiaanse motoren en was bekend om zijn rustige, gevoelige rijstijl. Zijn beste seizoen was dat van 1955, toen hij met een Moto Guzzi Monocilindrica 350 als tweede eindigde in het wereldkampioenschap wegrace ondanks een blessure waardoor hij drie races moest overslaan. Carrière Dickie Dale werd in 1927 geboren in Wyberton waar zijn vader een transportbedrijf had. Hij werd dienstplichtig in 1945 en in 1948 ging hij racen op de Britse circuits met een 500 cc Norton en een 350 cc Velocette KTT Mk VIII. Hij debuteerde op het eiland Man in de 250 cc-Lightweight-Manx Grand Prix met een Moto Guzzi Albatros. Deze wedstrijd wist hij al te winnen. 1949: Moto Guzzi en Norton In 1949 kreeg hij voor de Lightweight TT een fabrieks-Moto Guzzi Bicilindrica tweecilinder. Hij had een voorsprong van drie minuten toen er een klepveer brak waardoor hij uitviel. Zijn prestaties waren opgemerkt door Joe Craig die op dat moment nog hoofdconstructeur en teamleider van Norton was. Craig stelde hem voor de Ulster Grand Prix een 350cc-Norton 40M Manx ter beschikking, waarmee hij zesde werd. Maar die zesde plaats leverde in 1949 nog geen punt op.
1950: Privérijder en Benelli In het seizoen 1950 startte hij als privérijder met een 350cc-AJS 7R en een 500cc-Norton 30M Manx. Zowel in de Senior TT als in de Junior TT finishte hij als zevende. In de 500cc-race van de Belgische Grand Prix werd hij negende. Voor de 250cc-race van de GP van Zwitserland kreeg hij de beschikking over een Benelli 250 Bialbero, waarschijnlijk de machine van fabrieksrijder Bruno Francisci. Hij finishte er als derde mee. Met zijn AJS werd hij zesde in de 350cc-race. In de Ulster Grand Prix werd hij vierde in de 500cc-race. In de afsluitende Nations Grand Prix op Monza finishte hij in de 350cc-race als vierde en in de 500cc-race als zesde. Hij sloot het seizoen af als elfde in de 500cc-klasse, als negende in de 350cc-klasse en als vijfde in de 250cc-klasse. 1951: Norton en ziekte Het seizoen 1951 begon goed voor Dickie Dale toen hij de met een Norton 40M Manx de 350cc-race van de North West 200 won voor Johnny Lockett en met een Norton 30M Manx in de 500cc-race derde werd achter Geoff Duke en Lockett. Op het onbekende Eppynt circuit in Wales won hij de 350cc-klasse en de 500cc-klasse. Daarmee had hij een vaste plaats als fabrieksrijder bij Norton zeker gesteld. Het succes moest echter nog wachten, want tijdens de trainingen van de TT van Man werd hij ziek. Aanvankelijk dacht men aan pleuritis, maar het was nog erger: Dale had tuberculose. Zijn herstel duurde lang en pas in 1953 kon hij weer racen.
1953: Gilera In het seizoen 1953 zetten de Italiaanse teams in op Britse en Ierse coureurs, vanwege hun kennis van de 60km-lange Snaefell Mountain Course van de TT van Man en van het 12km-lange Clady Circuit van de Ulster Grand Prix. Zo reed Fergus Anderson in dienst van Moto Guzzi, Cecil Sandford voor MV Agusta en Geoff Duke, Reg Armstrong en Dickie Dale voor Gilera. Dale had echter niet veel geluk met de Gilera 500 4C. In de Senior TT en de TT van Assen viel hij uit en in de GP van België werd hij slechts zesde, in de Franse Grand Prix achtste en in de GP van Zwitserland zevende. Pas daarna ging het beter met een tweede plaats in de GP des Nations en een derde plaats in de Spaanse Grand Prix. Hij sloot het seizoen af als zevende in de 500cc-klasse. 1954: MV Agusta In het seizoen 1954 moest MV Agusta echt stappen gaan maken. Het had in 1949 Piero Remor in dienst genomen. Hij had de succesvolle Gilera 500 4C gebouwd en had met de MV Agusta 500 4C qua motor bijna een kopie gemaakt. Maar de MV Agusta had nog niets gepresteerd; Carlo Bandirola was er in 1953 slechts elfde mee geworden. Het huurde Bill Lomas en Dickie Dale in om het tij te keren. Het zette met de MV Agusta 350 4C ook in op de 350cc-klasse. In de Junior TT startten zowel Lomas als Dale met de MV Agusta 350 4C, maar Lomas werd slechts zevende en Dale vijfentwintigste. De machine was duidelijk niet opgewassen tegen de AJS 7R en de Norton 40M Manx en verdween tot 1956 van het toneel. Ook in de Senior TT ging het niet goed; Dale werd slechts zevende. Na deze tegenvallende resultaten trok MV Agusta haar team voorlopig terug om pas tijdens de TT van Assen terug te keren. Hier werd Dale vijfde, Nello Pagani, die Lomas verving, eindigde als zevende. In de Duitse Grand Prix werd Dale als twintigste geklasseerd en zijn derde teamgenoot, Carlo Bandirola, viel uit. MV Agusta sloeg de GP van Zwitserland weer over en hier werd Geoff Duke (Gilera) 500cc-wereldkampioen. In de Nations Grand Prix werd Dale vierde achter Bandirola. Gilera verscheen niet bij de GP van Spanje en nu won Dickie Dale zijn eerste race voor MV Agusta. Daardoor eindigde hij als vierde in de eindstand. 1955: Moto Guzzi In het seizoen 1955 vertrok Dickie Dale naar Moto Guzzi. Ook dat team timmerde hard aan de weg. Het had in 1952 een langsgeplaatste, watergekoelde viercilinderlijnmotor met brandstofinjectie uitgebracht, de Quattro Cilindri. Die machine was een grote teleurstelling gebleken, maar werd begin 1955 nog gebruikt. Dale kwam ermee ten val in de Spaanse Grand Prix. De Grand Prix van Frankrijk was de openingsrace van de 350cc-klasse. Dale finishte met de eencilinder-Moto Guzzi Monocilindrica 350 als tweede achter teamgenoot Duilio Agostini. In de 500cc-klasse kwam hij niet aan de start. Moto Guzzi had besloten de viercilinder voorgoed terug te trekken en zich te richten op de Otto Cilindri-V-8. Dale raakte echter ernstig geblesseerd door een verkeersongeluk, waardoor hij drie Grands Prix moest overslaan. Hij werd vervangen door Bill Lomas die vier 350cc-races won, twee keer tweede werd en daarmee ook wereldkampioen. In de TT van Assen was Dale weer fit. Hij reed zelfs de snelste ronde maar finishte als derde achter zijn teamgenoten Ken Kavanagh en Bill Lomas. Hij klom daardoor naar de derde plaats in de 350cc-tussenstand, maar deelde die positie met Kavanagh en Cecil Sandford. Lomas was zeker van zijn wereldtitel, maar op de tweede plaats stond August Hobl met een DKW RM 350, een driecilindertweetakt. Tijdens de Ulster Grand Prix keerde Moto Guzzi terug naar de 500cc-klasse, maar nu met de eencilinder Monocilindrica 500. De race was wel tamelijk uitgekleed: van de top tien (Gilera, MV Agusta en BMW) kwam niemand aan de start. Daardoor was de enige tegenstand van Norton. Dale werd in deze 500cc-race derde achter Lomas en John Hartle (Norton). In de 350cc-race viel hij uit. Moto Guzzi trok zich voor de GP des Nations terug uit de 500cc-klasse. In de 350cc-race won Dale met 0,1 seconde voorsprong op Lomas. Hij werd daardoor tweede in de 350cc-eindstand. 1956: Moto Guzzi In het seizoen 1956 bleef Dickie Dale voor Moto Guzzi rijden, maar alleen in de 350cc-klasse. Dat was geen straf, want de Otto Cilindri van Bill Lomas bleek hopeloos onbetrouwbaar. Dale kreeg de Monocilindrica 350. In de Junior TT viel hij uit. In de Asser TT werd hij slechts zesde en in de GP van België en de Duitse Grand Prix derde. In de Ulster Grand Prix finishte hij als tweede achter teamgenoot Bill Lomas, maar dat was wellicht met opzet. Lomas was gevecht om de wereldtitel met August Hobl (DKW). Voor aanvang van de race stonden ze samen aan de leiding van het WK, maar gedurende de race viel Hobl steeds verder terug. Met zijn overwinning was Lomas nu zeker van de wereldtitel. Tijdens de GP des Nations op Monza verscheen er een nieuwe concurrent in de 350cc-klasse, de viercilinder-Gilera 350 4C en die was meteen succesvol: Libero Liberati won er de 350cc-race mee voor Dickie Dale en nog een viercilinder, de MV Agusta 350 4C van Roberto Colombo, die derde werd. Dale sloot het seizoen als derde af, met evenveel punten als tweede man Hobl. 1957: Moto Guzzi Het seizoen 1957 moest het seizoen van de Moto Guzzi Otto Cilindri worden. Maar tijdens de eerste testritten in Modena was Fergus Anderson al hard gevallen en al in 1956 had Bill Lomas bij een val een ernstige hoofdwond opgelopen bij een race in Senigallia en na de Belgische Grand Prix van 1956 had Ken Kavanagh al geweigerd met de machine te rijden. In 1957 wonnen Giuseppe Colnago en Dickie Dale twee nationale Italiaanse wedstrijden in Syracuse en Imola. In de Grand Prix van Duitsland en in de Senior TT finishte Dale als vierde, maar daarna kwam de Otto Cilindri niet meer aan de start, waarschijnlijk omdat niemand nog met onhandelbare machine wilde rijden.
1958: BMW, Norton en NSU Eind 1957 besloten alle grote Italiaanse merken (Gilera, Mondial, Moto Guzzi en MV Agusta) te stoppen met hun raceactiviteiten. MV Agusta brak die afspraak (en had daardoor jarenlang geen tegenstand meer), maar een groot aantal fabriekscoureurs moest ander emplooi zoeken, temeer daar BMW ook stopte en Norton dat in 1955 al gedaan had. Dickie Dale besloot voor het seizoen 1958 een 500cc-BMW RS 54-productieracer en een 350cc-Norton 40M Manx te kopen, maar hij startte ook enkele malen met een 250cc-NSU Sportmax. Ook Geoff Duke kocht een BMW, maar viel er vaak mee uit en stapte weer over op zijn Norton. Dale had meer geluk: hij finishte al zijn (zeven) races met als beste resultaat een tweede plaats in de Grand Prix van Zweden, 0,4 seconden achter Duke, die (intussen met zijn Norton) de laatste overwinning uit zijn carrière boekte. Dale sloot het seizoen af als vierde in de 500cc-klasse, als vijftiende in de 350cc-klasse en als achttiende in de 250cc-klasse. 1959 BMW, AJS en Benelli Ook in het seizoen 1959 reed Dickie Dale de BMW, maar voor de 350cc-klasse reed hij een AJS 7R "Boy Racer". Nu had hij meer pech met de BMW: hij scoorde slechts twee keer punten en viel drie keer uit. In de 350cc-klasse scoorde hij ook twee keer punten en viel hij twee keer uit. In dit seizoen besloot Benelli terug te keren in het wereldkampioenschap, nadat het daar in het seizoen 1951 uitgestapt was na de dood van Dario Ambrosini tijdens de trainingen voor de Franse Grand Prix. In April werd de nieuwe Benelli 250 Bialbero tijdens de Coppa d'Oro Shell op Imola gereden door de jonge Silvio Grassetti en door Dickie Dale. Grassetti finishte als vijfde (na een pitstop met ontstekingsproblemen), Dale als tweede achter Emilio Mendogni (Moto Morini). In juli reden Geoff Duke en Dickie Dale de Benelli in de GP van Zweden. Duke werd derde, Dale zesde. In de GP des Nations vielen de resultaten tegen, Duke werd slechts tiende, Grassetti en Dale vielen uit. Dale sloot het seizoen af als achtste in de 500cc-klasse, als zevende in de 350cc-klasse en als zestiende in de 250cc-klasse. 1960: Norton en MZ In het seizoen 1960 ging de strijd in de 350- en de 500cc-klassen vrijwel uitsluitend tussen de fabrieks-MV Agusta's en productie-Nortons. De BMW-productieracers raakten achterop omdat BMW zich vrijwel uitsluitend op de zijspanklasse concentreerde. Dale schafte dus twee Nortons aan waarmee hij het seizoen begon. Voor de Lightweight TT kreeg hij echter de beschikking over de fabrieks-MZ RE 250 van de geblesseerde Ernst Degner, die tijdens de trainingen gevallen was, maar hij haalde de finish niet. Bob Anderson kreeg de MZ RE 125 van Degner en werd daar in de Ultra-Lightweight TT vijfde mee. Ook in de Duitse Grand Prix reed Dale Degner's MZ en nu werd hij er vierde mee. Ook in de zware klassen scoorde hij regelmatig punten. Hij sloot het seizoen zowel in de 350cc-klasse als de 500cc-klasse af als achtste, in de 250cc-klasse als elfde. Tijdens de Franse Grand Prix kreeg Dickie Dale van zijspancoureur Florian Camathias het verzoek om de zijspanrace als bakkenist te fungeren. Dale nam wegens een lichte verwonding echter aan geen enkele race deel en Camathias reed met John Chisnell.
Overlijden