De tranen der acacia's is de tweede roman van de Nederlandse schrijver Willem Frederik Hermans en diens eerste oorlogsroman. Het werk verscheen in november 1949Datering in Janssen en Van Stek (2005), online en was de eerste belangrijke roman van Hermans.Dautzenberg (2004), 274
De hoofdpersoon is de Amsterdammer Arthur Muttah, die denkt dat zijn oudere vriend Oskar Ossegal in het verzet iemand heeft omgebracht. Vlak voor en na de bevrijding krijgt hij echter informatie die dat tegenspreekt. Meteen na de bevrijding lift Arthur, die zelf een Duitser heeft vermoord, naar zijn vader in Brussel.
Ongeveer de eerste helft van de roman werd vanaf november 1946 als feuilleton in twaalf afleveringen voorgepubliceerd in het tijdschrift Criterium.
De roman toont een beeld van het verzet waarin, aldus literatuurhistoricus Hugo Brems, 'bedrog, toeval, wantrouwen en cynisme een grotere rol spelen dan idealisme en heldhaftigheid.'Brems (2006), 51 In de kritiek werd het wantrouwen en cynisme van de hoofdpersoon verward met de visie van de auteur.
Autobiografische achtergrond De vader en de stiefmoeder van het personage Arthur Muttah zijn gebaseerd op kennissen van de ouders van de auteur, een Belgisch echtpaar dat zij tijdens hun huwelijksreis in 1913 leerden kennen bij de grotten van Han.Van Straten (1999), 12 Het betreft Henry Baudart, ambtenaar op het ministerie van buitenlandse zaken, en de schooldirectrice Berthe Mocke.
Van 28 juli tot 6 september 1945 verbleef Hermans bij deze vrienden van zijn ouders in Brussel, dat al bijna een jaar bevrijd was. Volgens biograaf Willem Otterspeer werd hier het voornemen geboren om van de pen te leven.Otterspeer (2013), 400 en 411 Het echtpaar zonder kinderen bewoonde een groot herenhuis in de wijk Ukkel in het zuiden van de stad. Hermans bezocht er musea, bioscopen en fuiven van de Canadezen, die volgens Otterspeer de basis vormden van de bordeelscène uit de roman.Otterspeer (2013), 400-401 Na ruim een maand keerde hij weer naar Amsterdam terug, omdat hij de gastvrijheid van de familie, waar hij niets tegenover kon stellen, niet verder wilde uitbuiten. In zijn bedankbrief beschreef hij zijn terugreis, die volgens Otterspeer eveneens nauwkeurig in de roman is verwerkt.Otterspeer (2013), 409
Eind januari en begin februari 1946 verbleef Hermans opnieuw bij deze kennissen in Brussel.Otterspeer (2013), 453 Zij hadden hun dienstmeisje Rose ontslagen wegens onhandigheid; volgens Otterspeer stond dit hitsige meisje model voor het meisje waarover in de roman wordt gezegd dat ze 'ien 'ete kut' was.Otterspeer (2013), 454 Bij dit bezoek nam Hermans contact op met Lily, een meisje dat hij gedurende zijn vorige verblijf had leren kennen en die mogelijk model stond voor Gaby uit de roman.Otterspeer (2013), 455
Voor de grootmoeder van Arthur Muttah stond Hermans' grootmoeder van moederskant model.Van Straten (1999), 17 Volgens Hermans' biograaf Hans van Straten had zij grote invloed op haar kleinkinderen en was zij 'heerszuchtig' en 'uiterst spraakzaam', in staat om ruzies uren vol te houden. Deze grootmoeder stond eveneens model voor de grootmoeder uit In de mist van het schimmenrijk.
Het personage Carola, de halfzuster van Arthur Muttah, is volgens biograaf Van Straten wat haar activiteit in het verzet betreft gebaseerd op Truus, met wie Hermans in de oorlog een liefdesrelatie onderhield hoewel zij verloofd was.Van straten (1999), p. 73 Zij stond ook model voor de Madelon uit In de mist van het schimmenrijk.
Veel verhalen, aldus biograaf Van Straten, ontleende Hermans aan Henk Jonkman, een benedenbuurman in de Eerste Helmersstraat. Jonkman zat bij de verzetsorganisatie Zeemanspot en werd opgepakt. Hij kreeg drie maanden cel. 'Weer thuisgekomen zat hij vol verhalen, die bij Hermans een gretig gehoor vonden. Die zou hij later gebruiken in De tranen der acacia's.Van Straten (1999), 67
Ontstaansgeschiedenis Op 18 mei 1946 begon Hermans aan de roman te schrijven en ruim anderhalf jaar later, op 4 januari 1948, was het boek in de eerste versie af.Huygens ING (2005a), 748 Dit is de scheppingsperiode die onderaan de tekst zelf staat vermeld, maar het verdere bewerkingsproces duurde nog ruim een jaar.
In een brief van 14 november 1946Huygens Instituut der KNAW (2005a), 740Otterspeer (2013), 816 noot 695 schreef Hermans aan Charles B. Timmer dat hij elke dag 'twee smalle foliopagina's compres' typte. Om het als feuilleton in het tijdschrift Criterium te kunnen krijgen, had hij de redacteuren Adriaan Morriën en Adriaan van der Veen 'verteld dat het hele boek al geschreven was', terwijl hij in werkelijkheid naar schatting nog maar ongeveer een vijfde van de roman af had, namelijk 30 van de 150 foliopagina's.Otterspeer (2013), 470 Hermans omschreef zijn roman-in-wording als:
weer een rare perverse geschiedenis. Het is wel verwant aan Conserve, maar doordat het in de bezetting in Nederland speelt (met vermijding van alle pittoreske détails over bonnen) lijkt het realistischer. Er wordt veel in gescholden, vooral veel in gedronken en geneukt en een enkele keer gemoord, terwijl het occulte niet te kort wordt gedaan.Geciteerd bij Huygens Instituut der KNAW (2005a), 740Geciteerd bij Otterspeer (2013), 471
De auteur maakte een 'ruwe opzet', waarvan nog een velletje bewaard is gebleven dat betrekking heeft op een in 1947 voorgepubliceerd gedeelte. Aanvullingen, correcties en doorhalingen wijzen uit dat dit schema in de loop van het schrijfproces werd gewijzigd.Huygens Instituut der KNAW (2005a), 740-741
In een brief van 8 december 1947Calis (1999), 278 schreef Hermans aan Morriën dat hij te druk aan de roman bezig was voor een bezoek:
Ik had graag vanavond naar je toe gekomen en in plaats van geschreven gepraat, maar ik zit zó vol Acacia's dat 't werkelijk niet kan. Misschien sterft Arthur aan een bloedneus, in een bordeel, net als Attila in het huwelijksbed. 't Is alleen een beetje moeilijk die verandering nog aan te brengen, omdat er daarnà nog van alles en nog wat gebeurt. Maar 't zou wel typerend voor hem wezen, vind je niet?Geciteerd bij Calis (1999), 280
Ten tijde van het schrijven, zo deelde de auteur mee in een brief aan Hans van Straten van 10 juni 1987, wist hij nog niet precies hoe een roman in elkaar moest zitten, 'althans een door mij geschreven roman':
Het boek zal wel enige gelijkenis met een roman-fleuve vertonen, maar dit komt doordat het, tot aan het Brusselse gedeelte, echt een feuilleton is geweest. Ik schreef elke maand een stuk, soms in grote haast. De schrijver evolueerde met het boek mee en tegen het eind wordt er toch een echte intrigueroman van gemaakt - wat feuilletonromans trouwens altijd zijn.Geciteerd bij Huygens ING (2005a), 749 en 777 noot 144
Samenvatting
In de oorlog (hoofdstuk 1-7) De belevenissen van Oskar Ossegal Op zijn veertigste verjaardag brengt Oskar Ossegal een koffer met daarin het groene uniform van een SS-officier, inclusief riem met daaraan een tas met een revolver, per trein naar een verzetsgroep in Kampen. Want een knokploeg heeft die nodig om als Duitsers verkleed bureaus te overvallen. Hij overnacht in een hotel, waar hij zich per abuis inschrijft met zijn echte naam in plaats van als: Eduard Rollinet, goochelaar. Voor de politie komt, wisselt de meid van het hotel het formulier om, waarna ze samen de nacht op zijn kamer doorbrengen. 'Er scheen haar maar aan één ding iets gelegen te zijn: eindelijk weer eens flink gefoold te worden.'
De volgende ochtend gaat Oskar met de koffers naar het Laboratorium voor de noordoostpolder. Aldaar is ingenieur De Zoete in conferentie en Rodrigo, een wetenschappelijk medewerker, geeft Oskar een rondleiding door de slibzaal, waar zand wordt gezeefd door studenten die anders in Duitsland te werk zouden zijn gesteld. Dan arriveert De Zoete en neemt Oskar en nog wat anderen mee. Per auto begeeft het gezelschap zich naar afgelegen barakken. Maar daar worden ze opgewacht door de Duitse Feldgendarmerie, die Oskar zijn koffers laat openmaken.
Bij het eerste verhoor ziet Oskar dat ook Rodrigo is opgepakt. De gevangenis is een rond gebouw met een koepel van pantserglas. Oskar verblijft hier maanden, soms met vier man in de eenpersoonscel. Hij denkt vaak aan Parijs, waar hij enkele keren is geweest. Als hij met een boer op de cel zit, komt er een goed geklede persoon binnen die zich voorstelt als Oskar Sörensen uit Denemarken. Hij is na een bombardement met zijn gezin naar Amsterdam gegaan en daar een welgesteld handelaar in uien geworden. Vier dagen later komt er nog een jongen bij, Karel, die al een half jaar op verschillende plaatsen in voorarrest heeft gezeten. Sörensen wordt later overgeplaatst naar een andere cel en Oskar zit weer met de boer die alleen over eten kan praten. Karel probeert zich 's nachts in de cel op te hangen, maar Oskar en de boer maken hem los. Oskar spreekt Karel moed in. De volgende dag komt de jarige Sörensen langs met vier SS'ers om op zijn verjaardag te drinken. Als ze weer vertrokken zijn, bekent Karel dat hij Oskar ervan verdacht dat die alleen in de cel werd gezet om de anderen uit te horen, omdat de verhalen van Oskar nooit klopten.
Een week later is Sörensen ontslagen uit zijn gevangenisbaantje en keert weer terug in de cel, nu niet langer als voorgewende Deen. Karel wordt regelmatig voor verhoor uit de cel gehaald, maar hoopt dat de geallieerde invasie vroeg genoeg zal komen om zijn executie te verhinderen. Oskar zelf wordt nooit ondervraagd. Hij geeft Karel scheikundeles en wordt eenmaal door een bewaker geslagen omdat zijn formules op de muur staan.
Sörensen ontvangt in een pakje sigaretten een bericht over hun ontsnapping. Die zondag moeten zij om half twee op de alarmbel drukken, de bewaker neerslaan en naar beneden gaan. De moeilijkheid is de juiste tijd te weten te komen. Bovendien weten ze niet of de bevrijdingsgroep werkelijk voor de deur zal staan.
Die zondag horen ze schoten en komt een man in een grijze jas de cel binnen die naar Van der Matten vraagt. Sörensen zegt dat hij dat is. Alleen de zwaarste gevallen mogen mee naar buiten en Oskar schuift Karel naar voren, die ter dood veroordeeld is. Karel staat niet op de lijst, waarop de man besluit dat ze dan allemaal maar mee moeten gaan. Beneden komen juist soldaten aan en die drijven de groep weer terug naar hun cel. Maar een Engelse gevangene schoof een briefje in de boord van Oskar. In zijn cel leest hij dat de Engelsman het niet kan lezen en om een vertaling verzoekt. Er staat dat hij overmorgen bevrijd zal worden. Dan wordt hij naar Duitsland vervoerd en moet zorgen in de laatste wagen van het konvooi te stappen, want die zal overvallen worden. Oskar weet echter niet hoe hij hem de vertaling moet bezorgen, omdat beiden op andere tijden gelucht worden.
Oskar licht Karel in, die dan maar in de plaats van de Engelsman moet gaan. Als krijgsgevangene kan de Engelsman toch niks ernstigs gebeuren. Maar dan wordt Karel opgehaald voor executie. Bij zijn vertrek beschuldigt hij Oskar ervan toch een provocateur te zijn die hem moest uithoren. Oskar weet dat hij hem niet op andere gedachten kan brengen en dat Karel dus zal sterven met de overtuiging dat Oskar een verrader is. Dan wordt Oskar zelf opgehaald en 36 uur in een donkere cel opgesloten. Daarna wordt hij in een auto weggevoerd.
De belevenissen van Arthur Muttah