Mijn kleine oorlog is een roman van de Vlaamse schrijver Louis Paul Boon, geschreven tussen 1944 en 1945 en voor het eerst uitgegeven in 1947. De roman bestaat uit een dertigtal fragmentarische kronieken over het leven in de voorstad van de Vlaamse stad Aalst ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. Elk hoofdstuk eindigt met enkele cursief gedrukte aforismen. In de korte verhaaltjes van Mijn kleine oorlog beschrijft Boon de Tweede Wereldoorlog van de kleine man en schrijft hij over onderwerpen als collaboratie en verzet. Dit boek wordt gezien als het beginpunt van Boons literaire vernieuwing, die met zijn latere roman De Kapellekensbaan (1953) definitief gestalte krijgt.

thumb|alt=Prijsuitreiking Jan Campertstichting te Den Haag, Louis Paul Boon|Louis Paul Boon in 1967 thumb|alt=Monument voor Louis Paul Boon door de beeldhouwer Marc De Bruyn in Aalst. Gelegen in de tuin van het Stedelijk Museum aldaar.|Monument voor Boon bij het Stedelijk Museum van Aalst

Geschiedenis In 1944-1945 verscheen onder de titel Mijn kleine oorlog in het weekblad Zondagspost een reeks kronieken van de Vlaamse schrijver Louis Paul Boon. Het jaar daarop wilde de Nederlandse uitgeverij Het Kompas de reeks als boek uitgeven en verzocht Boon om te proberen niemand minder dan Willem Elsschot te bewegen een inleiding te schrijven. Hoewel Elsschot de inleiding prompt aanleverde, zij is gedateerd 1 april 1946, kwam de uitgave niet tot stand. In 1947 verscheen het boek alsnog bij Boons eigen uitgeefster Manteau, met Elsschots inleiding. Zoals Boon ook aan Elsschot schreef, heeft hij de tekst van de tijdschriftserie bewerkt, maar vooral er allerlei fragmentarische aantekeningen aan toegevoegd. In 1960 verscheen een tweede druk, waarvoor Boon de tekst kuiste en vernederlandste. Ook voegde hij twee nieuwe hoofdstukken toe.

In 2002 verscheen de zogeheten Werkuitgave van het Louis Paul Boon-documentatiecentrum, welke alle drie de versies van het werk bevat en zelfs Boons oorspronkelijke schrift met aantekeningen. In Boons Verzameld werk is gekozen voor de eerste druk.

Paratekst Titel Op de eerste pagina van de roman, die buiten de eigenlijke handeling van de oorlogskroniek valt en als een soort woord vooraf fungeert, vinden we aanwijzingen over wat de titel van de roman kan betekenen. Op de eerste pagina, die Boon start met de woorden "ge schrijft uw kleine oorlog", reflecteert het personage van de schrijver over welk soort literatuur er over de oorlog geschreven kan en moet worden. De schrijversfiguur somt een aantal mogelijk denkbare reacties op de oorlog op en besluit dat de schrijver niet anders kan dan schrijven, zo is zijn natuur. Dan rest de vraag nog hoe een auteur dat hoort te doen. Mag het een boek over de kleine en alledaagse oorlog zijn, beleefd en gezien door de gewone man? Of hoort het een ander en meer visionair boek te zijn dat ook wel de oorlog door de ogen van de kleine man bekijkt, maar dan toch de grote oorlog die hem doet vloeken en bidden? De schrijver bekent dat hij liever dat grote boek had gepend, de zogenaamde bijbel van de oorlog. Maar het lukte niet, hij bleef bij het kleine oorlogsboek. Met alledaagse en korte anekdotes over de kleine man in een grote oorlog.

Voorwoord In de winter van 1946 vraagt uitgeverij Manteau aan Vlaams auteur Willem Elsschot een voorwoord te schrijven bij Boons Mijn Kleine Oorlog. Elsschot geniet dan al erkenning om zijn literaire en humane kwaliteiten en is ook populair in Nederland. Zo hoopt de uitgever meer potentiële lezers te overtuigen om het boek aan te schaffen. Daarnaast hebben beide auteurs nog een andere band: Elsschot geldt als een van Boons literaire ontdekkers. Wanneer de nog onbekende Boon het manuscript van De voorstad groeit in 1942 instuurt om kans te maken op de Leo J. Krynprijs, is Elsschot een van de juryleden. De jury besluit de prijs aan Boon uit te reiken, wat hem niet enkel een geldprijs van 10.000 Belgische frank oplevert, maar ook zijn eerste erkenning bij de literaire goegemeente. In zijn voorwoord herinnert Elsschot aan zijn tijd als jurylid en uit hij zijn appreciatie voor Mijn kleine oorlog. Verder roept de auteur de lezer ook op om niet op de onvolkomenheden van Boons tekst te letten, maar om voorrang te geven aan het hart dat deelt in het 'grootmenschelijk gevoel' van Boon. De inleiding is daarbij ook een poging om de lezer te verleiden om de choquerende taal en opvattingen van Boon als uitingen van een eerlijke en verontwaardigde idealist te interpreteren.

Omslag De eerste editie van Mijn kleine oorlog krijgt een relatief sobere omslag mee. Naast de naam van de auteur en de titel van de roman staat er ook een illustratie op de cover. Het lijkt alsof twee vissen in een plas water naast hun omgevallen kom zwemmen. De illustratie is een verwijzing naar De goudvisschen, een van de anekdotes uit de tekst. Daarin staakt een soldaat zijn vlucht met gevaar voor eigen leven om een omgevallen viskom in een ijswinkel op te rapen. Want "moest GIJ in die cremerie wonen en ge zoudt terugkomen van de vlucht, zoudt ge dan ook niet graag zien dat uw goudvisschen er nog stonden?" Terwijl Boon bij de eerste editie zijn aanklacht wil versterken, kiest uitgeverij Manteau ervoor om met de illustratie op de omslag in te spelen op het ontroerende en humane element. Zelf doet hij het verhaal met de goudvissen af als een verzinsel in het daaropvolgende cursieve gedeelte. De illustratie is van de hand van kunstpaus en culturele duizendpoot Paul-Gustave Van Hecke. Rechts onderaan prijkt zijn handtekening, een hoofdletter 'g'. In de flaptekst van de roman staan wervende quotes van docent en auteur André Demedts en van dichter en journalist Leo Boekraad.

Synopsis In Mijn kleine oorlog is geen eenduidig, laat staan afgewerkt plot te vinden. Het boek is als een mozaïek: ieder hoofdstuk belicht een facet van het leven tijdens en vlak na de Tweede Wereldoorlog. Voor zover bekend staan de stukjes wel in chronologische volgorde.Humbeeck, Kris (2005). Nawoord: Jazz, ziel van onzen kapotten tijd. In L. P. Boon & K. Humbeeck (ed.) et al. De atoombom en het mannetje met den bolhoed / Mijn kleine oorlog. Amsterdam: De Uitgeverspers, p. 132.

Ondanks het fragmentarische gehalte zijn er wel degelijk een aantal rode draden aan te wijzen. Zo leven we in een aantal stukjes mee met de ik-verteller (af en toe aangeduid als Louis en een enkele keer als Boon) tijdens zijn periode als soldaat. Door zijn ogen zien we het lichamelijke en geestelijke lijden van zijn collega-militairen, en we bewegen met hem mee door verwoeste dorpen en steden.

In andere stukjes is de ik-figuur thuis bij zijn vrouw (bijv. Roode nacht). Het wordt duidelijk dat je tijdens de oorlog zelfs in je eigen huis niet veilig bent: er heerst aanhoudende angst vanwege de voortdurende dreiging van bombardementen.

Verder voert Boon enkele burgerlieden op, aangeduid met hun achternaam (bijvoorbeeld Van den Borre) of met een bijnaam (bijvoorbeeld ‘de oude ekster’). Hij laat zien hoe zij te midden van de oorlog een mengeling van overlevingsdrang en bekrompenheid tentoonspreiden. Bijvoorbeeld het hoofdstuk Kleine kolendieven illustreert hoe verschillende bevolkingsgroepen ieder op hun eigen manier kolen van goederentreinen stelen.

Personages Het fragmentarische karakter van Mijn kleine oorlog zorgt ervoor dat er niet echt sprake is van uitgewerkte personages, laat staan van een duidelijk onderscheid tussen een hoofdpersonage en bijpersonages. De ik-figuur komt het vaakst voor, maar hij is niet welomlijnd. Hij heet hier en daar Louis, wat associaties met de auteur oproept; maar soms wordt de ik een gij en lijkt hij de lezer aan te spreken. De ik-figuur representeert ons allen.Libaut, L. (1980). Met “Mijn kleine oorlog” op het kruispunt van twee tradities. Spiegel der Letteren, 2(22), 103–122, pp. 113-114. Het laatste hoofdstuk, Self-defense, stelt het pregnant: "Als ik in dit boek altijd ‘ik’ zegde dan was dat zomaar een manier van voorstellen, dat ‘ik’ betekende veel meer gij – gij arme kleine vertrapte gehoonde bespuwde en met beloften gepaaide kleine man […]"

De meeste hoofdstukken beginnen met een aanloopje, waarin de ik-verteller de lezer laat kennismaken met een ander personage, waarna de lotgevallen van dat personage verteld worden. In een derde van de verhalen blijft de ik-verteller ook na het aanloopje aanwezig. Soms blijft de ik-verteller zelfs het belangrijkste personage van het desbetreffende hoofdstuk. De ik-figuur geeft zijn gedachten en emoties weer. Soms neemt hij meer afstand en registreert hij de zaken objectief als een camera. De ik-verteller is het beeld van Boon als auteur, maar hij treedt ook op als personage: er is een relatie van identiteit tussen die drie instanties.De Wispelaere, P. (2006). Commentaar bij “Mijn kleine oorlog”: functie van de humor, de metaverteller en de lezer. Boelvaar poef, 6 (2), 63-72, p. 63. De ‘gij’ en ‘ik’ verwijzen naar het schrijvende vertellerspersonage en het lezerspersonage, die deelnemen aan de handeling en tegelijk van buitenaf er tegenaan kijken. De ‘ik’ is afwisselend en soms tegelijk zowel getuige als personage. Dat vergroot de authenticiteit en het realisme.

Het heeft geen zin om alle personages een voor een te beschrijven. Het zijn er te veel: slechts enkele personages komen in meer dan één hoofdstuk voor. Bovendien is er geen enkel personage inhoudelijk uitgewerkt. Eerder representeert ieder personage een bepaalde groep. Interessanter is om naar die groepen te kijken. Boon maakt zelf geen expliciete indeling, dus welk onderscheid wordt gemaakt is deel van de interpretatie. Zo is er de klasse van de kleine man te herkennen, die ondanks de ellende van de oorlog zijn best blijft doen. Voor de meest authentieke figuren binnen die groep heeft de ik-verteller het meeste respect. Desondanks lijdt iedere kleine man aan moreel verval; niemand blijft onbesmet in de drang om te overleven.

Structuur Mijn kleine oorlog bestaat uit een losse structuur, met fragmenten van circa drie bladzijden. Het boek is geschreven in dagboekvorm en de fragmenten zijn grotendeels chronologisch geordend en vormen geen sluitend geheel. Elk fragment wordt op zijn beurt verder onderverdeeld in een hoofdanekdote en losse cursiefjes, ongewoon, vanuit een volks perspectief geschreven, "cursief gezette aanzetten tot verhaaltjes, losse notities". Omdat de kronieken eerst gepubliceerd werden in journalistieke setting, vertonen ze weinig samenhang; ze vormen samen een panorama. Het geheel is dus sterk verbrokkeld en bestaat in zijn totaliteit uit herinneringen, anekdotes, brieven, beschouwingen, etc. Deze verbrokkeling hangt samen met het verbrokkelde, gefragmenteerde wereldbeeld dat na de Tweede Wereldoorlog ontstond. Die verbrokkelde structuur kan slechts gedeeltelijk de waarheid weergeven, maar zo lijkt het wel alsof het om getrouwe documentatie draait. De realiteit is dus volgens Boon een reeks brokstukken die niet langer meer samengebracht kunnen worden als een sluitend geheel.Humbeeck, Kris (2005). Nawoord: Jazz, ziel van onzen kapotten tijd. In L. P. Boon & K. Humbeeck (ed.) et al. De atoombom en het mannetje met den bolhoed / Mijn kleine oorlog. Amsterdam: De Uitgeverspers, p. 140.

Vertelstructuur Na de Tweede Wereldoorlog werd er geëxperimenteerd met het verhaal door nieuwe dingen uit te proberen met tijd, ruimte, personage en handeling. De experimenten met romanstructuren dienden om een antwoord te vinden op de nieuwe gefragmenteerde werkelijkheid die na de Tweede Wereldoorlog verwarring zaaide onder schrijvers. Boon droeg zijn steentje bij aan dit experiment door de rol van de verteller dubbelzinnig te maken en zo de autoriteit van die verteller te verkleinen.