thumb|Joodse garantiebrief om niet op transport te hoeven van het ministerie binnenlandse zaken Plan-Frederiks was een plan uit de Tweede Wereldoorlog van leidinggevenden van het Nederlandse onder de Duitse bezetter werkende bestuur om een groep in Nederland verblijvende Joden met medewerking van de Duitse bezetter te beschermen in verband met de maatschappelijke betekenis die zij voorafgaand aan de Tweede Wereldoorlog voor Nederland of Duitsland hadden. Het plan was bedacht en opgesteld door de Nederlandse secretaris-generaal K.J. Frederiks van het ministerie van Binnenlandse zaken.

Frederiks en secretaris-generaal van het departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming Jan van Dam stelden een lijst op van Joden die beschermd dienden te worden tegen transport naar de concentratiekampen. Deze lijst werd in de volksmond bekend als de "Barneveldlijst" of "Barneveldgroep."van den Ende, H. L. (2015). ‘Vergeet niet dat je arts bent’ : Joodse artsen in Nederland 1940-1945. Uitgeverij Boom.

De mensen op de lijst werden geplaatst in een van de drie reserveringskampen Villa Bouchina, Huize De Biezen of Huize De Schaffelaar. Op deze manier zouden zij veilig zijn voor transport naar vernietigings- of werkkampen. Vanuit deze drie reserveringskampen werden ze via doorgangskamp Westerbork alsnog getransporteerd naar Theresienstadt. Niettemin hebben de meesten de oorlog overleefd.

Beschrijving thumb|Seyss-Inquart links en Schmidt rechts thumb|Rauter In de loop van 1941 werd duidelijk dat men alle Joden uit Nederland wilde deporteren naar concentratiekampen. In 1942 begonnen deze deportaties daadwerkelijk onder het mom van Arbeitseinsatz.

Secretaris-generaal van het departement van Binnenlandse Zaken Karel Johannes Frederiks protesteerde plichtmatig bij Generalkommissar für das Sicherheitswesen en Höherer SS-und Polizeiführer Hanns Albin Rauter tegen anti-joodse acties. Volgens Frederiks was Rauter dat uiteindelijk zo zat dat hij te kennen gaf voortaan niet meer met hem over dit onderwerp te willen communiceren.Frederiks (1945), p. 73-74 Frederiks verhaalt dat hij toch iets voor de Joden wilde doen. Vijf van zijn Joodse vrienden hadden hem gevraagd een oplossing voor ze te zoeken.Bron NIOD: "Karel Johannes Frederiks, die tijdens de Tweede Wereldoorlog secretaris-generaal van het Departement van Binnenlandse Zaken was, werd door vijf bevriende joden benaderd met de vraag of hij geen uitweg voor ze wist" (In de beschrijving van de geschiedenis van het Plan Frederiks) De ambtenaar begon hierop een lijst aan te leggen met Joden die beschermd dienden te worden tegen transport naar de concentratiekampen wegens allerlei verdiensten.

Met deze lijst wendde Frederiks zich in de zomer van 1942 tot Generalkommissar zur besonderen Verwendung Fritz Schmidt, de rivaal van Rauter, die om politieke redenen met het plan instemde.Frederiks (1945), p. 74 Volgens Frederiks kon hij Schmidt, een man - in Frederiks' woorden - met een "helder verstand", die, geboren in Westfalen, de "psyche van het Nederlandsche volk beter verstond", vaak uitspelen tegen de Oostenrijker Rauter die volgens hem "ruw en onbekwaam" was.Frederiks (1945), p. 16 De historicus Jacques Presser uit in zijn werk De Ondergang twijfel hierover. Hij vraagt zich af hoe Frederiks zo'n goed beeld zou hebben kunnen krijgen van de verhouding tussen Rauter en Schmidt. Schmidt zou volgens Presser zeker al in eerste instantie toestemming hebben gevraagd aan Arthur Seyss-Inquart, de Reichskommissar für die besetzten niederländischen Gebiete, maar daarover kon Presser geen documenten vinden. Verder achtte Presser het ondenkbaar dat Rauter het zou hebben gewaagd Heinrich Himmler over deze zaak niet in te lichten. Presser oppert dat de Duitsers in feite samenspanden om Frederiks "verzet te kanaliseren" door het tijdelijk sparen van een aantal Joden teneinde zich van zijn blijvende medewerking te verzekeren.Presser (1965) Deel I, p. 440

Volgens historicus De Munnick zou Frederiks in de herfst van 1941 gedreigd hebben af te treden als de deportaties doorgingen. Hoewel hij dit dreigement al na enige maanden introk, zouden de Duitsers bang zijn geweest dat Frederiks alsnog zijn ambt zou neerleggen. Andere secretarissen-generaal zouden zijn voorbeeld kunnen volgen. Omdat de gemeentepolitie en de gemeentelijke vervoersbedrijven onder Binnenlandse Zaken vielen zou onrust in het Nederlandse bestuursapparaat het verloop van de deportaties kunnen schaden. Dit zou het motief geweest zijn om met het Plan-Frederiks in te stemmen. De Munnick bevestigt dat Rauter fel tegen enige coulance was terwijl de ambitieuze Schmidt, die hoopte Reichskommissar van het toen nog militair bestuurde België te worden, ter bevordering van zijn carrière op de een of andere manier bij de Jodenvervolgingen betrokken wilde raken, wat hem gevoelig maakte voor Frederiks argumenten.

Historicus Loe de Jong stelde dat de Duitsers hadden ingestemd met het plan van Frederiks omdat zij meenden hiermee te voorkomen dat duizenden Joden zouden onderduiken.Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog Veel Joden die immers volgens eigen redenering kans zouden maken op een plek in een van de Nederlandse reserveringskampen, zouden hun plek daar opeisen en in hun eigen huis wachten op resultaat, in plaats van dat zij zich zouden verbergen.

Het was slechts een klein percentage van het aantal personen dat volgens het bestek van Frederiks kans zou maken in zijn lijst te worden opgenomen, dat ook daadwerkelijk in een reserveringskamp belandde. Onder anderen de familie van Anne Frank zou een plek hebben kunnen opeisen, omdat Otto Frank in de Eerste Wereldoorlog voor Duitsland had gevochten.

Lijst van Frederiks en Van Dam thumb|Van Dam in 1941 bij de opening van een tentoonstelling over Duitse literatuur thumb|Frederiks in 1941 bij de openingsbijeenkomst van de winterhulpactie thumb|Fragment van de lijsten De lijst van Frederiks bevatte op het moment dat hij toestemming vroeg vijf namen. Frederiks verzocht ook de secretaris-generaal van het departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming Jan van Dam om een lijst op te stellen. Van Dam, een bekend germanist, was Deutschfreundlich, en wilde de "joodse" invloed in het Nederlandse onderwijs, dat hem te intellectualistisch was, terugbrengen. Pas hierna verkregen Frederiks en Van Dam officieel toestemming van Seyss-Inquart.

De lijst van Van Dam werd steeds uitgebreider. De mensen die op de lijsten van Frederiks en Van Dam terechtkwamen, hadden hun plek op verschillende manieren verkregen. Aanvankelijk waren het voornamelijk de namen van Joodse vrienden van de secretarissen-generaal die de lijsten vulden. Frederiks stelt dat hem het verwijt gemaakt is dat hij geen selectie uitoefende en zo "onbelangrijke" mensen op de lijst zette. Hij geeft toe dat hij in het begin Joden die hij toevallig kende van zijn ministerie toevoegde. Al snel echter zou er toch een zekere selectie toegepast zijn doordat hooggeplaatste Nederlanders, "oud-Ministers, leden van de Staten-Generaal, oud-gouverneurs-generaal, oud-opperofficieren, professoren e.a.", Joden bij hem voorstelden. Hij zou ook de jeugd voorrang gegeven hebben boven bejaarden, vooral jonge meisjes gezien de "onzekerheid welk lot haar in Duitschland of Polen te wachten stond".Frederiks (1945), p. 75 Volgens De Munnick was het hoofdcriterium het zijn van "verdienstelijk Joods Nederlander". Onder de personen bevonden zich "juristen, musici (onder andere uit het Concertgebouworkest), hoogleraren, onderwijzers, doktoren en enkele hoge militairen". Dirigent Willem Mengelberg had er voor gezorgd dat enkele musici van het concertgebouworkest op de lijst terechtkwamen.Herman Vandormael, Kinderen van Theresienstadt, 2012 Maar er waren ook mensen bij zonder bijzondere verdienste, die door hun contacten of door toeval op de lijst kwamen. In het algemeen kon de groep getypeerd worden als hogere middenklasse. Er was niemand onder hen van het joodse proletariaat. Er hoefde geen geld betaald te worden om geselecteerd te worden.

Onbedoeld werd er steeds meer ruchtbaarheid aan het Plan-Frederiks gegeven, met als gevolg dat Frederiks en Van Dam honderden smeekbeden van wanhopige Joden ontvingen. De Duitsers stelden limieten aan het aantal. In januari 1943 kreeg Frederiks van Schmidt toestemming de lijst tot driehonderd mensen uit te breiden. Later werd een limiet gesteld van vijfhonderd en uiteindelijk zevenhonderd. Tot dezen behoorden Ralph Prins, Abel Herzberg, Tinus Tels, Robbert van den Bergh, Jacob Heimans, Hans Franco Mendes, Eduard Meijers, Emanuel Moresco, Rosa Spier, Mathilde Cohen Tervaert-Israëls, Heleen Pimentel en Stella Simons. De selectie betekende ook dat mensen afgewezen werden, zoals Heintje Davids en haar familie.

De mensen die in 1942 op de lijst terecht kwamen, bleven eerst gewoon thuis wonen. De lijst fungeerde als een "vrijstelling tewerkstelling". Het bleek al snel dat de SS zich weinig aantrok van de lijst. Van Joodse zijde werd er bij Frederiks op aangedrongen de beschermde status door middel van een toonbaar document te bevestigen. De personen op de lijst kregen een getypte verklaring toegezonden met de tekst "Ik heb de eer U mede te deelen, dat de Commissaris-Generaal voor Bijzondere Aangelegenheden heeft beslist, dat U noch naar Amsterdam op transport gesteld zult worden, noch in een werkkamp of in het buitenland tewerkgesteld zult worden". De "Commissaris-Generaal voor Bijzondere Aangelegenheden" was Schmidt. De verklaring was ondertekend door Frederiks of Van Dam.

In de loop van 1942 begon deze praktijk steeds meer te wringen met het gegeven dat er in Nederland buiten Amsterdam of de kampen nauwelijks meer Joden te vinden waren. Eind 1942 werden enkele mensen op de lijst ondanks hun vrijstelling tijdens een razzia opgepakt en naar Westerbork gestuurd. Het leek Frederiks het beste de mensen op de lijst op één locatie bijeen te brengen. Schmidt gaf daar nog in 1942 toestemming voor.

Gevangenen

Joodse tehuizen in Barneveld Frederiks besloot dat een groep geselecteerde Joden in een tehuis in Gelderland geïnterneerd zouden kunnen worden voor bescherming. Hij stelde tegenover Schmidt als eis dat de burgemeester van de gekozen gemeente "van den ouden stempel" zou zijn, dat wil zeggen: geen NSB'er. Frederiks zocht de locatie Landgoed Schaffelaar in Barneveld zelf uit. Bekend is dat zich van de lijsten op 2 augustus 1943 640 personen in Barneveld bevonden.Presser, J. (1965) Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945, Deel I, p. 441

Joods Tehuis De Schaffelaar thumb|De Schaffelaar eind 19e eeuw In december 1942 betrokken de leden Landgoed Schaffelaar. Joods Tehuis Barneveld stond onder leiding van een Nederlandse commandant, een oud-legerofficier die een zestal zogenaamde controleurs in dienst had die tegelijkertijd als bewakers fungeerden. Bij aankomst moesten de Joden al hun contant geld inleveren. Alle kosten, evenals het zakgeld voor de bewoners van vijf tot tien gulden per maand, werden hieruit betaald. Vanaf eind december 1942 tot begin mei 1943 werd 58.000 gulden ingeleverd. Toen dit in mei op was, werden de overige kosten geput uit het vermogen van de bank Lippmann-Rosenthal,Jong, L. de (1978) Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 8, tweede helft, p. 709-710 dat uit door de Duitse bezettingsmacht ontvreemd geld van Amsterdamse Joden bestond. De Barneveldgroep bestond toen uit bijna 540 leden.

Joods Tehuis De Biezen