De gerenoek of girafgazelle (Litocranius walleri) is een Oost-Afrikaanse antilope met schofthoogte van 90-105 cm, lange poten, een lange nek en een lange, platte schedel. De kop van de gerenoek heeft witte lippen, kin en keel, een zwarte klier in de binnenooghoek en zwarte ogen met ruim daaromheen een witte ring. De lange oren hebben een zwart-witte markering aan de binnenkant. Op de rug is een relatief donkerbruin zadel. De flanken en buitenkant van de poten zijn lichtbruin, terwijl de binnenkant en de buik wit zijn. De bokken hebben grijze, liervormige hoorns. De dieren staan vaak op de achterpoten om hoog groeiende bladeren te kunnen afbijten. De levensduur in het wild wordt geschat op 7 tot 8 jaar. De maximumleeftijd van een gerenoek in gevangenschap was 17 jaar.

Beschrijving De gerenoek is van 165–195 cm lang van neus tot staartpunt. Hij heeft karakteristieke gezichtsmarkeringen: een brede witte ring rond de zwarte ogen, zwarte preorbitale klieren in de binnenhoek van de ogen, witte lippen, kin en keel, en lange oren met zwart-witte markeringen aan de binnenkant. Een donkerbruine streep loopt van tussen de oren en over de nek. Deze streep wordt breder tot een zadel langs de hele stuit, voordat hij weer smaller wordt richting de staart. De flanken en buitenste delen van de benen zijn lichtbruin, de buik en de binnenkant van de benen zijn wit. Een dunne, lichte streep is vaak te vinden tussen het zadel en de flanken. De gerenoek heeft een smalle, witte stuitvlek en donkerbruine tot zwarte kniepluimen. De bovenkant van de staart is wit bij de basis en heeft een zwarte punt, terwijl de onderkant zwart en haarloos is. Bokken zijn groter en zwaarder, vooral in het voorlichaam. De nek van mannetjes heeft over de hele lengte dezelfde breedte, terwijl de nek van vrouwtjes over het algemeen slanker is en in breedte afneemt richting de kop. Bokken hebben zware, liervormige hoorns van 32–44 cm lang met sterke ringen die na ongeveer 5 maanden beginnen te groeien, en vrouwtjes zijn hoornloos. Bokken wegen 31–52 kg, zijn 155–160 cm lang van neuspunt tot staartaanzet, schofthoogte 89–105 cm. Hindes wegen 28–45 kg, hebben een kop-romplengte van 140–155 cm en schofthoogte van 80–100 cm. Staartlengte bij beide geslachten is 22–35 cm. De gerenoek heeft 30 paar homologe chromosomen (2n=60).

Anatomie thumb|Detail van de kop De gerenoek heeft de typische klieren van gazellesoorten. De klieren bij de binnenooghoek zijn erg opvallend bij bokken en produceren een dikke olieachtige afscheiding. Dan zijn er nog klieren in de pols en enkel, en tussen de vingers en tenen. Primaire en secundaire haarzakjes komen verspreid en in gelijke hoeveelheid voor in de huid. De secundaire haren zijn erg kort en hun haarzakjes reiken niet onder het niveau van de talgklieren die geassocieerd worden met de primaire haarzakjes. De zweetklieren zijn kronkelig en ongeveer even groot als die van de beisa en de kleine koedoe. Hindes hebben vier tepels. De tandformule van de volwassen gerenoek is , dat wil zeggen geen snij- of hoektanden, drie valse kiezen en drie ware kiezen in elke helft van de bovenkaak, en drie snijtanden, een hoektand, drie valse kiezen en drie ware kiezen in elke helft van de onderkaak. Hoewel de gerenoek is ingedeeld als een bladeter, lijkt de tandmorfologie meer op die van fruiteters vanwege het verdikte glazuur. Het dier heeft relatief kleine frontale bijholtes die worden gescheiden van de traanklieren door een dun, benig schot. De rechtopstaande houding is mogelijk door een holle rug, die mogelijk is door korte doornuitsteeksels van de lendewervels. De soort heeft de langste voorpoten van alle gazellensoorten (90% van de lengte van de achterpoten) en is de enige waarbij de middenhandsbeentjes langer zijn dan de middenvoetsbeentjes. Vergeleken met andere antilopen zijn de ledematen extreem dunwandig. De wervelkolom bestaat uit 7 nekwervels, 13 borstwervels, 6 lendenwervels, 4 heiligbeenwervels en 7 staartwervels, 37 in totaal. De zevende halswervel heeft een robuust, kamvormig doornuitsteeksel dat bij andere antilopen vrij dun en puntig is. De oppervlakken van de wervelgewrichten in de nek zijn erg groot en bijna horizontaal gerangschikt, wat uitgebreide knikbewegingen mogelijk maakt. Ondanks zijn vermogen om alleen op de achterpoten te staan zijn de spieren van de achterpoot van de gerenoek bijna hetzelfde als bij de thomsongazelle of gedomesticeerde runderen. Het opperarmbeen is gemiddeld 16,5 cm, de ellepijp 15,6–19,4 cm, het spaakbeen gemiddeld 22,1 cm, het dijbeen 19,2–23,4 cm, het scheenbeen 26,3–30,1 cm en het middenvoetsbeentje 26,4–29,4 cm. De tonglengte is 13,2 cm, relatief het kortst van alle bladeters ten opzichte van hun grootte.

Verschillen tussen de ondersoorten thumb|Noordelijke ondersoort, Litocranium walleri subsp. sclateri, het best te herkennen aan de bruine knieën De zuidelijke ondersoort, Litocranium walleri subsp. walleri is kleiner en heeft kortere neusbeenderen en premaxillae, met een schedellengte bij hindes van 20,5–21,6 cm en bij bokken van 22,5–23,8 cm, een meer roodachtige vachtkleur en zwarte kniepluimen. De noordelijke ondersoort, Litocranium walleri subsp. sclateri is merkbaar groter en heeft langere neusbeenderen en premaxillae, met een schedellengte bij hindes van 22,4–23,1 cm en bij bokken van 24,7–25,6 cm, een meer grijze vacht en bruine kniepluimen. Deze kenmerken kunnen geleidelijk van noord naar zuid verschuiven.

Ontwikkeling Ovulatie vindt ongeveer elke 19 dagen plaats, tenzij de hinde zwanger wordt. Zwangerschap duurt ongeveer 210 dagen. Er worden alleen eenlingen geboren, maar één vrouwtje kan twee geboortes per jaar hebben, met een gemiddeld interval van 248 dagen (222–321) in gevangenschap. Het lichaamsgewicht van pasgeborenen is 2,8–3,4 kg. Het spenen in gevangenschap vond plaats tussen de 50 en 90 dagen. Hinds bereiken meestal de geslachtsrijpheid na 1,5–2 jaar. Lammeren scheiden zich van hun moeders na 1–1,5 jaar en worden territoriaal na 2,75–3,5 jaar.

Verschillen met andere antilopesoorten De gerenoek onderscheidt zich van de nauw verwante gazellen en springbokken door zijn zeer lange poten, nek, oren en schedel, met name in het deel achter de hoorns. De schedel heeft een afgeplat schedeldak, dat nauwelijks naar achteren buigt zoals bij gazellen. Het extreem langgerekte bovenste achterhoofdsbeen (supraoccipitale) reikt tot de lengte van het wandbeen. Het vormt een kegelvormige bult die verder reikt dan het hellende deel van het achterhoofdsbeen. De hersenpan van mannetjes is zwaar verbeend en draagt extreem zware hoorns. De gerenoek is het enige holhoornige met laagkronige kiezen. In tegenstelling tot alle andere gazellen behalve berggazelle, reiken de premaxillae van de gerenoek niet tot aan de neusvleugels. De nauw verwante dibatag heeft een lichaamsbouw die het midden houdt tussen gazellen en de gerenoek, zowel wat betreft de lengte van de schedel als kroonhoogte van de kiezen. De dibatag kan echter gemakkelijk worden onderscheiden doordat bij deze soort de hoorns naar achteren ontspringen en dan in een boog omhoog en naar voren krommen, vergelijkbaar met de hoorns van de rietbok. De gewoonte van de gerenoek op de achterpoten te gaan staan om bladeren tot 2 m boven de grond te af te bijten is uniek.

Taxonomie thumb|Tekening van de gerenoek uit The book of antelopes (1894). De gerenoek is voor het eerst wetenschappelijk beschreven door Victor Brooke in 1878 en hij gaf deze de naam Gazella walleri. De Oostenrijkse entomoloog Franz Friedrich Kohl meende in 1886 dat de soort zodanig afwijkt van andere gazellesoorten dat hij deze in een eigen geslacht plaatste en zo ontstond de huidige combinatie Litocranius walleri. In 1899 onderscheidde de Duitse ornitholoog Oscar Rudolph Neumann gerenoeks van noordelijk Somalië en noemde deze Lithocranius sclateri, waarmee hij tevens de onterechte correctie in de geslachtsnaam die in 1891 door Michael Rogers Oldfield Thomas was gemaakt overnam. De Britse bankier, politicus en zoöloog Lionel Walter Rothschild bracht de rang van deze Noord-Somalische dieren terug tot ondersoort en hij creëerde zo de naam Lithocranius walleri subsp. sclateri, waarmee de typische ondersoort de naam Lithocranius wallerisubsp. walleri. Aangezien de oorspronkelijke spelling van de geslachtsnaam gegeven door Brooke geen "h" bevat, is de juiste wetenschappelijke naam derhalve Litocranius walleri.

Naamgeving In de oorspronkelijke beschrijving van het geslacht benadrukte Kohl de buitengewoon langgerekte en afgeplatte schedel vergeleken met andere gazellesoorten. Latere auteurs gingen ervan uit dat de naam "stenen schedel" moest betekenen, een samentrekking van de Griekse woorden λιθοs (lithos) en κρᾱνίον (krāníon). Daarom werd geconcludeerd dat er een drukfout ontstaan was, en werd de naam veranderd in Lithocranius. De naam komt twee keer voor in Kohls beschrijving, dus een drukfout lijkt onwaarschijnlijk, en de naam is afgeleid van λιτός wat glad, egaal, vlak betekent. De naam gerenoek is afgeleid van het Somalische woord garanuug. In het Swahili noemt men het dier Swala twiga.

Leefwijze De girafgazelle eet geen gras of kruidachtige planten, maar is aangepast om de kleine blaadjes te eten van doornige struiken en bomen zoals Acacia's en Commiphora. Om dit te doen, bezit het een lange, puntige tong, beweeglijke lippen, lepelvormige onderste snijtanden en ogen beschermd door lange wimpers en tastharen. Er worden tot 68 verschillende soorten planten gegeten in Nationaal Park Tsavo, waaronder wat fruit en bloemen. Het dieet varieert gedurende het jaar, met veel klimplanten zoals Dalechampia ipomoeifolia en Thunbergia guerkeana, bladverliezende bomen zoals Premna resinosa en Hymenodictyon parvifolium in het regenseizoen. Tijdens het droge seizoen staan er voornamelijk groenblijvende planten op het menu zoals Thylachium thomasii, Maerua endlichii en Boscia coriacea. Vetplanten worden vermeden. Gerenuks drinken zelden. Ze zijn voornamelijk in de schemering actief. Op het heetst van de dag rust het dier als het mogelijk is in de schaduw.

Interacties met andere dieren De gerenoek komt voor samen met onder meer giraffen, kleine koedoes, grantgazelle, beisa en grévyzebra, hirola en burchellzebra. De aanwezigheid van vee kan de draagkracht voor gerenoeks aanzienlijk verminderen, net als veranderingen in de vegetatie als gevolg van meer savanneolifanten. Jachtluipaarden, gevlekte en gestreepte hyena's, leeuwen en luipaarden jagen op gerenoeks, maar luipaarden lijken de voorkeur te geven aan andere prooien. Afrikaanse wilde honden doden ook af en toe gerenoeks.

Gedrag De gerenoek staat bekend om zijn eetgedrag omdat hij vaak op twee benen graast en zelfs een paar stappen zijwaarts op zijn achterpoten kan lopen terwijl hij graast. Een lam vertoonde dit gedrag al na slechts 1 maand. Hij gebruikt draaiende galop tijdens het rennen (na de tweede achterpoot raakt de voorpoot aan dezelfde lichaamszijde de grond). Hoe hoger de temperatuur, hoe minder tijd het dier besteedt aan eten. Het is bekend dat hij gaat liggen en wacht tijdens regen, waarschijnlijk om warmteverlies te beperken. Overdag wisselen normaal gesproken eten en herkauwen elkaar af. Wanneer het dier gealarmeerd is, maakt het een laag kort geluid. Buikcontracties zijn duidelijk zichtbaar tijdens dit proces. Bij predatierisico zal het zich verstoppen of vluchten. Verstoppen bestaat uit een typische lichaamshouding waarbij het zijn nek hoog zal strekken, met de neus in de lucht en de oren plat op het hoofd. Bij het vluchten galoppeert het dier weg, en sommige dieren laten hun witte stuit extra goed zien door de haren te spreiden. De topsnelheid is 56 km per uur.

Groepsgedrag