thumb|Getijhoogtemeter in Oporto thumb|Zelfschrijvende getijhoogtemeter van het San Marcoplein in Venetië De geschiedenis van de getijdentheorie is een onderdeel van de wetenschapsgeschiedenis. Dit deel beschrijft het ontstaan van de theorie die een verklaring geeft voor het optreden van de getijden, en die voorspellingen daarover mogelijk maakt.

Zoutwaterkusten staan onder invloed van de getijden (grote binnenzeeën als de Middellandse Zee en de Oostzee in mindere mate) en de kustbewoners hebben met het rijzen en dalen van het water, en de ermee samenhangende stromingen te maken. Voor de bereikbaarheid van havens en de bevaarbaarheid van riviermondingen maar ook vanwege het gevaar van overstromingen, is kennis over het getij van wezenlijk belang. Uit oude geschriften en overleveringen van veel kustbewonende of zeevarende naties blijkt dan ook dat er kennis over het getij werd verzameld. Al ruim vóór het begin van de christelijke jaartelling werd het verschijnsel beschreven, onder andere door Herodotus, en geprobeerd het te verklaren. De kennis uit de klassieke oudheid over het verschijnsel werd in 77 n.Chr. opgetekend door Plinius de Oudere in zijn Naturalis historia, een werk dat bewaard is gebleven. Baanbrekende bijdragen aan een verklarende theorie zijn geleverd door Isaac Newton (1687) en Pierre-Simon Laplace (1776). Daarna deden William Thomson (Lord Kelvin) (1867) en Arthur Thomas Doodson (1921) pionierswerk met betrekking tot het voorspellen van de getijden.

Oudheid: van Pytheas tot Ptolemaeus thumb|Pytheas, de eerste Griek die over getijden schreef.thumb|Wereldkaart volgens Strabo De oudst bekende vondsten die erop wijzen dat mensen het getij kenden en ermee om konden gaan, zijn de restanten van een getijdendok bij Lothal aan de Golf van Khambhat, in India, daterend van ongeveer 2000 v.Chr. (Harappabeschaving) en vanaf 1958 opgegraven (1999), p. 6 door Indiase archeologen.Hier: archeologen, verbonden aan de Archaeological Survey of India.

Eerste geschreven bronnen Veel van onze oudste geschreven bronnen zijn afkomstig uit het gebied rondom de Middellandse Zee. Die zee zelf is een van de weinige grote wateren die nauwelijks een waarneembaar getij kennen. Door schrijvers uit dat gebied werd er dan ook maar sporadisch over het getij geschreven omdat het er bijna nergens invloed had op het dagelijks leven. Het zijn dan ook bewoners van het gebied rond de Perzische Golf en reizigers van wie de eerste beschouwingen daarover vermeld worden of bewaard zijn gebleven. De oudst bekende klassieke geschreven bron over het getij is Herodotus, die ergens tussen 450 en 420 v.Chr. in zijn Histories over het getij in de Rode Zee schreef. (1926), p. 15 (ca. 450-420 v.Chr.). Histories 2, 11: "In Arabia, not far from Egypt, there is a long and narrow gulf running inland from the sea called the Erythraean, [...] In this sea there is an ebb and flow of the tide every day." (vertaling en uitleg: In Arabië, niet ver van Egypte, is een lange nauwe zeearm van de Eritreïsche Zee, [...] In deze zeearm gaat het getij iedere dag af en komt het ook weer op. De bedoelde zeearm is de Rode Zee, de Eritreïsche Zee is hier de Indische Oceaan; zie ook: Periplus van de Erythreïsche Zee).

De eerste van wie bekend is dat hij als ooggetuige over het getij rapporteerde was de Griekse ontdekkingsreiziger Pytheas van Massalia, die rond 325 v.Chr. vanuit Marseille naar Noord-Europa en de Britse Eilanden trok en veel per schip reisde. Hij moet ook een van de eersten zijn geweest die noteerde dat het getij samenhangt met de Maan, al is niet meer te achterhalen of hij daarbij doelde op de dagelijkse afwisseling van hoog- en laagwater of op de afwisseling van spring- en doodtij.Van Pytheas' originele werk is niets bewaard gebleven en wat rest zijn fragmenten ervan die, zonder de oorspronkelijke context, door andere auteurs geciteerd of geparafraseerd zijn. Geminus van Rhodos noemt in zijn (Eisagoge eis ta phainomena, letterlijk: "Inleiding in de fenomenen", waarmee astronomie wordt bedoeld) wél een titel van Pytheas' werk: (Ta peri tou okeanou, letterlijk: "Dingen over de oceaan") maar het werk wordt ook onder andere titels genoemd, waaronder "Rondreis om de Aarde" en "Rondvaart". Wat we verder van Pytheas weten is wat Plinius de Oudere, in Naturalis historia, Diodorus Siculus, in Bibliotheca Historica, en vooral Strabo, in Geographika, over hem hebben opgetekend. De 1e- of 2e-eeuwse filosoof Aëtius parafraseert in de Placita een waarneming van Pytheas over de samenhang van de getijden met de fasen van de Maan (in Engelse vertaling: the fulness of the moon gives the flow, the wane the ebb) maar Pytheas' tekst is hier uit z'n verband gerukt, wellicht zelfs ingekort en daardoor misschien fout aangehaald, en het is de vraag of hij hier doelde op de samenhang tussen de fasen van de Maan en spring- en doodtij of op het verband tussen de Maan en de dagelijkse getijdenbeweging.

Volgens Strabo en Plutarchus gaf de Babylonische astronoom Seleucus van Seleucia al in de tweede eeuw v.Chr. een correcte beschrijving van het getij, met de Maan als veroorzaker ervan. Hij merkte op dat de getijden in hoogte varieerden en op verschillende momenten optraden in verschillende delen van de wereld.Van Seleucus' oorspronkelijke werk is niets bewaard gebleven, dus ook bij hem moeten we ons baseren op wat er van hem geciteerd en geparafraseerd is door andere auteurs, onder wie Strabo (zie Geographika I.1.9 en volgende noot). Volgens Strabo was Seleucus de eerste die het optreden van spring- en doodtij in verband bracht met de positie van de Maan ten opzichte van de Zon. (ca. 7-24 n.Chr.). Geographika III.5.9 . Wat uit de Geographika verder ook blijkt, is dat Strabo bepaald geen bewonderaar van Pytheas was en het is niet ondenkbaar dat hij diens aantekeningen over de fasen van de Maan "over het hoofd heeft gezien" en daarom Seleucus vermeldt als eerste die dit verband zag.Seleucus is ook bekend als aanhanger van het heliocentrisch model van Aristarchus. Plutarchus schrijft dat Seleucus het bewijs voor de theorie van Aristarchus leverde maar zegt er niet bij hoe. Volgens onder anderen Lucio Russo, in Flussi e riflussi, indagine sull'origine di una teoria scientifica (2003): 70 e.v., gebruikte Seleucus daarvoor zijn kennis van het getij. Van der Waerden betoogt middels analogieën echter in The Heliocentric System in Greek, Persian and Hindu Astronomy, Annals of the New York Academy of Sciences 500: 525-545, dat Seleucus het bewijs vermoedelijk met astronomische waarnemingen leverde. Strabo citeerde ook uitgebreid het werk van Posidonius.Nog een auteur wiens oorspronkelijke geschriften geheel verloren zijn gegaan, bij de brand in de bibliotheek van Alexandrië. (1999), p. 7 (ca. 7-24 n.Chr.). Geographika II.2.1 Deze gaf onder andere een vrij nauwkeurige beschrijving van het getij bij Gades (= Cádiz), ook weer in connectie met de positie van de Maan en met logische verklaringen voor het optreden van spring- en doodtij maar ook voor de dagelijkse ongelijkheid. (ca. 7-24 n.Chr.). Geographika I.1.7 en 8

Samenvatting door Plinius In 77 n.Chr vatte Plinius de Oudere de toen bestaande kennis over de getijden samen in een tamelijk nauwkeurige beschrijving. Hij noemde daarbij dat ze door zowel de Maan als de Zon worden veroorzaakt, dat het ritme ervan dat van de Maan volgt en dat ze iedere dag iets later optreden dan de dag ervoor. Hij noemde de afwisseling van springtij en doodtij, en de samenhang daarvan met de fasen van de Maan. Hij vermeldde zelfs dat de getijden sterker zijn tijdens de dag- en nachtevening, en minder sterk tijdens de zonnewendes. Voorts gaf hij aan dat er enige tijd verloopt tussen het optreden van een bepaalde maanstand en het daarbij behorende getij, "als bij bliksem en donder", en dat in Gallia het springtij volgens hem anderhalve dag na volle en nieuwe maan valt, een verschijnsel dat later weinig toepasselijk "de leeftijd van het getij" werd genoemd. (77). Naturalis historia boek 2, hoofdstuk 99 (in de Engelse vertaling van 1855 door John Bostock en H.T. Riley).De leeftijd van het getij (age of the tide) is een term die werd geïntroduceerd door William Whewell, in of kort na 1833. Whewell doelde daarmee op hetgeen wij tegenwoordig het "gemiddeld havengetal" noemen: de tijd die gemiddeld verloopt tussen de passage van de Maan door de plaatselijke meridiaan en het eerstvolgende hoogwater. Die periode kan maximaal 12 uur en 25 minuten zijn. Whewell was ook degene die veronderstelde dat er in de Zuidelijke Oceaan een gordel van sterke getijden bestond, die zich van daaruit in noordelijke richting over de Atlantische Oceaan zouden voortplanten. Hij kwam tot die veronderstelling onder andere door het fout opgegeven getijdenverschil voor Tristan da Cunha: 2,6 meter, waar het in werkelijkheid minder dan een halve meter bedraagt; zie Cartwright, D.E. (1999), p. 112. In Nederland wordt, door Rijkswaterstaat, de term "leeftijd van het getij" gebruikt voor de periode die verloopt tussen volle of nieuwe maan en het eerste daaropvolgende springtij, een periode van gemiddeld 2¼ dag. Abusievelijk wordt daarbij de link gelegd met Whewells, inmiddels onjuist gebleken, veronderstelling over het sterke getij in de Zuidelijke Oceaan dat als motor voor de getijden in de andere oceanen zou fungeren.

Ptolemaeus Claudius Ptolemaeus geniet vooral grote bekendheid vanwege het naar hem genoemde Ptolemeïsche stelsel, het geocentrische wereldmodel, opgesteld in de 2e eeuw n.Chr. Tot na de middeleeuwen was dit het gangbare model om de hemelverschijnselen te verklaren en te voorspellen. In zijn bekendste werk, de Almagest, deed hij zijn theorieën over de beweging van Zon, Maan, planeten en sterren om de Aarde uit de doeken. Aan de getijden besteedde hij daarin echter geen aandacht. Hij vermeldde ze wel in zijn Tetrabiblos. (ca. 145-168 n.Chr). Tetrabiblos boek I, hoofdstuk 2, boek II, hoofdstuk 12 . Merk op dat Ptolemaeus het getijde noemde in zijn werk over astrologie, waaronder hij al die verschijnselen op aarde schaarde, die de invloed van de hemellichamen ondervinden. Ook Ptolemaeus noemde de Maan als belangrijkste veroorzaker van de getijden, maar in hetzelfde werk kende hij ook aan Saturnus een sterke invloed op de getijden toe. (ca. 145-168 n.Chr). Tetrabiblos boek II, hoofdstuk 8 Ptolemaeus noemde het verschijnsel overigens zeer terloops en gaf er geen beschrijving van, noch deed hij een poging het te verklaren.

Reeds in de oudheid waren de verschijnselen van het getij dus tamelijk correct beschreven en was het verband met de Maan en de Zon gelegd. Voor de klassieken waren Zon en Maan goden, die hun invloed op hun eigen, goddelijke, manier lieten gelden.Volgens Plutarchus, in zijn essay "Over het schijnbare gezicht in de bol van de Maan" uit Moralia, p. 203, meende de stoïcijnse filosoof Cleanthes nog dat de Grieken Aristarchus van Samos wegens goddeloosheid hadden moeten veroordelen omdat hij voorstelde dat de Aarde bewoog. De vraag op welke wijze die hemellichamen het getij veroorzaakten was daarom nog vrijwel onaangeroerd gebleven. In Europa werd in de ruim 1000 jaar die op Ptolemaeus volgden nog maar sporadisch over de getijden geschreven. De monnik Bede was begin 8e eeuw waarschijnlijk de eerste die opmerkte dat hoogwater zich als een golf van noord naar zuid langs de Engelse Noordzeekust verplaatst. (703). Opera de temporibus, sectie XXIX, volgens Cartwright, D.E. (1999), p. 13-14 Andere nieuwe inzichten werden niet verworven. De bestaande kennis werd in de kloosters bewaard.

Arabieren