thumb|De opgravingen van Holwerda bij Ockenburgh, met de inzet van werklozen.
De Vicus van Ockenburgh is een geromaniseerde nederzetting uit de 2e eeuw na Chr. met een klein Romeins fort, dat gelegen was in de duinen bij de huidige wijk Ockenburg in het uiterste westen van Den Haag. Ockenburgh is daarmee de grootste Romeinse vindplaats in de gemeente Den Haag. Het fort is waarschijnlijk rond het jaar 150 gebouwd en werd ca. 30 jaar later verlaten. Dit blijkt uit het gevonden aardewerk.Voor de basistekst van het artikel is gebruikgemaakt van de tekst op de informatiepanelen van een tentoonstelling over Fort Ockenburgh die in juni 2012 plaatsvond in het atrium van het stadhuis van Den Haag. Zie: Eindproducten Odyssee Den Haag gepresenteerd op romeinsekust.nlDe tekst op de panelen (zie ref. 1) werd voor dit artikel o.m. aangevuld met materiaal van de volgende websites, allen geraadpleegd op 28 en 29 okt. 2012: 'Ockenburg' op romeinsekust.nl en 'Het mini-fort bij Ockenburg' op romeinsekust.nl en 'Landgoed Ockenburg - archeologische vondsten' op vliegveld-ockenburg.nl en Romeinen achter de duinen op museon.nl en Odyssee Ockenburg afgerond op romeinsekust.nl en De militaire context van Forum Hadriani, op thirdcentury.nl
Archeologisch onderzoek Pabon Nicolaas Pabon, conservator bij het Haagse gemeentearchief, deed in de late jaren '20 archeologisch onderzoek naar een oude weg van Romeins-Germaanse oorsprong die van Monster, waar in de Romeinse tijd de Oude Maas in zee uitmondde, naar de Oude Rijn zou hebben gelopen. Langs het hypothetische tracé van deze zogenaamde "Rijnweg" vond hij vanaf Monster noordwaarts over een lengte van 10 km een onafgebroken, aaneengesloten Germaanse bewoning door grondsporen van hutten, omwallingen, grote hoeveelheden scherven en graven met gecremeerde skeletresten (zogenaamde brandgraven). Midden in deze bewoning bevond zich een groot centrum van Romeinse cultuur. Zwaar omwalde terreinen, talloze scherven van Romeinse gebruiksvoorwerpen, stukken van dakpannen, munten ed. leverden daarvoor volgens hem onloochenbaar aanwijzingen. De vondsten werden gezien als een bewijs dat de "Rijnweg" inderdaad bestaan had.Zie het artikel "Germaansche en Romeinsche bewoning in de omstreken van Den Haag", Nieuwe Leidsche Courant, 21 mei 1930, te vinden op: http://leiden.courant.nu/
Holwerda Deze vondsten en duidingen brachten de toenmalige directeur van het Leidse Rijksmuseum van Oudheden, Dr. J.H. Holwerda, ertoe om hier van 1930 t/m 1936 zeven jaar lang elke zomer een aantal weken opgravingen te verrichten, een grootschalig onderzoek met talrijke terreinmoeilijkheden en beperkte middelen. Subsidie kwam van de Gemeente Den Haag. De archeoloog leidde eerder opgravingen bij Nijmegen.Opgravingen te Nijmegen, Leidsch Dagblad, 13 augustus 1922, pag. 5Romeins Nijmegen De Nijmeegse legioensvestingen vanaf 70 na Chr., J.E. Bogaers en J.K. Haalebos,Radboud Universiteit Nijmegen Hij verwachtte een zeer uitgebreide en belangrijke nederzetting te vinden. Het graafwerk werd op voorwaarde van de gemeente gedaan door tewerkgestelde werklozen zonder enige ervaring. Gebruikt werd de zogenaamde Holwerda-methode, het graven van lange sleuven, gedeeltelijk parallel aan elkaar en gedeeltelijk kruisend.De gleuven zijn te zien op een Topografische Militaire Kaart (Bonneblad - Kleur, MONSTER) uit 1934, kaartnummer 458 van het kadaster samengestelde kaart op linnen geplakt met o.a. deel 458 Monster Zo kon met relatief weinig graafwerk een goede indruk worden gekregen van een eventuele nederzetting. Het lukte Holwerda zo, de plattegrond van de nederzetting bloot te leggen, verschillende bouwperioden te onderscheiden met verschillende huizengroepen die door rondlopende palissaden waren beschermd.Een Bataafsch dorp in het duingebied van Den Haag - lezing van Dr. H.J. Holwerda, Leidsch Dagblad, 16 februari 1938, pag. 3 Net als Pabon deed Holwerda diverse vondsten, niet de verwachte resten van Romeinse stenen gebouwen, maar die van een "inheemschen nederzetting" van "groote armelijkheid", zo schreef hij in 1938.Voor het artikel van Holwerda, zie; Holwerda, J.H., 1938. Een Bataafsch dorp op Ockenburgh bij Den Haag. De opgraving der nederzetting. Oudheidkundige Mededeelingen uit het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden 19, 11-60.. De gevonden Bataafse nederzetting lag binnen een groot vierkant omgeven door palissades (een omheining van aaneengesloten houten palen). Daarbinnen lag weer een kern-vierkant. Holwerda leidde uit het grillige verloop van palissades en greppels af hoe de nederzetting gegroeid was. Ook herkende hij bepaalde huizentypen, waaronder eenvoudige paalhutten maar ook menige "typische langgerekte Germaanse woningen". In het centrale vierkant trof hij een groot vierkant gebouw aan dat hem sterk deed denken aan een eenvoudige Romeinse villa; het had 3 lange vertrekken met daarachter een lang smal vertrek over de hele breedte. Tussen de diverse palissades herkende hij een gang naar het centrale deel van de nederzetting. Hij vond ook een gering aantal Romeinse potjes in met as en botten gevulde brandgraven. Dit "goedkope Romeinse goed" duidde erop dat het door de Bataafse nederzetting was geïmporteerd, volgens Holwerda. Holwerda dateerde deze Bataafse nederzetting vanaf de tijd van Hadrianus tot het midden van de derde eeuw na Chr.Voordracht Dr. J.H. Holwerda - "Een Bataafsch dorp in het duingebied van Den Haag", Leidsche Courant van 16 februari 1938, pag. 2 De opgravingen gaven aanleiding met een slag om de arm te veronderstellen, dat deze nederzetting Lugdunum Batavorum kan zijn geweest en niet Leiden zoals eeuwenlang werd aangenomen.Eervol ontslag Dr.H.J. Holwerda, De Leidsche Courant, 31 december 1938, pag. 5
Nadat Holwerda zijn opgravingen had verricht ruimde hij het terrein niet op. De sleuven bleven nog tientallen jaren open liggen en allerlei verzamelaars konden hun slag slaan; dat gebeurde vooral in de jaren 40. Met de aanleg van een gemeentelijk kampeerterrein in 1954 werden de meeste sleuven weer dichtgemaakt; de laatste sleuven volgden bij een uitbreiding van het kampeerterrein in 1962.
Afdeling archeologie Gemeente Den Haag De archeologen Waasdorp en Zee van de afdeling Archeologie gemeente Den Haag, analyseerden vijftig jaar later vondsten uit de periode nà Holwerda. Samen met nieuwe opgravingen van de afdeling Archeologie van Den Haag in de periode 1993-1997 werd een andere betekenis van de archeologische resten van Ockenburgh duidelijk. Dat leverde andere conclusies op dan die van Holwerda, die de ontgraven grond nauwelijks had onderzocht.Voor een indruk van de werkwijze van J.H. Holwerda zie: Antony Kropff, De militaire context van Forum Hadriani, Westerheem 57, blz 2-15, 2008 Hij was vooral een grondsporenspecialist en had belangstelling voor aardewerk; als vondsten had hij diverse stukken aardewerk (waarvan 8 met leesbare graffiti), één gesneden steen en zeventien munten gerapporteerd. Maar geen militaria, met uitzondering van enkele speerfragmenten. In het zand dat door hem uit de sleuven was opgeworpen werd later nog een grote hoeveelheid objecten gevonden: tientallen munten, bronsbeslag, fibulae (mantelspelden), een bronzen beeldje en elf gesneden stenen. Ook werden militaria gevonden, waaronder acht militaire fibulae en delen van militaire uitrustingen: een speerpunt, zwaardschedebeschermers, een zwaardriemhouder, gespen en diverse bronzen beslagplaatjes.Zie: Waasdorp, J.A., en K. Zee, 1988. De vergeten verzamelingen van Ockenburgh. Romeinse vondsten uit ’s-Gravenhage. (VOM-reeks 1988-4). Den Haag. Blz. 17-19 en 26-28.
Mede door deze nieuwe vondsten en inzichten herleefde de belangstelling voor deze vindplaats en kreeg de afdeling Archeologie van de gemeente Den Haag de financiële middelen om het veldwerk voort te zetten, ditmaal grootschalig. De nederzetting bleek niet alleen inheems. De sporen van gebouwen leken niet op boerderijen van Cananefaten, de inheemse bevolking. Armelijk was het evenmin: er werd wederom Romeins aardewerk, munten, militaria, bronzen voorwerpen en sieraden gevonden. Het belangrijkst was de ontdekking van een klein fort aan de rand van de nederzetting.
Romeins mini-fort Met de vondst van een Romeins fort(je) werd het vermoeden bevestigd dat Ockenburgh een vicus moest zijn geweest: een nederzetting bij een Romeinse militaire installatie.
Het fort (mini-castellum) was gebouwd van hout en leem. Het materiaal zelf bleek vergaan; alleen de sporen ervan zijn in de grond teruggevonden. Toch kon een reconstructie van het fort worden gemaakt. Het blijkt dat er Romeinse ruiters gelegerd waren. De gracht om het fort was het best bewaard. Het was een zogenaamde spitsgracht met een V-vormig profiel; er waren sporen te zien van een bekleding met planken. Het was gebruikelijk om met de grond uit de gracht een wal op te werpen met daarop een palissade en een weergang. De gracht omsloot een terrein van ongeveer 42 bij 44 meter. Waarschijnlijk stond er een U-vormig gebouw voor de manschappen en de commandant. Het zuidelijk deel van deze barakken is het best bewaard gebleven. Ook veel andere vondsten tonen aan dat hier militairen gelegerd waren, zoals de vele en kleine spijkertjes afkomstig van schoenen met een bespijkerde zool, typisch soldatenschoeisel. Zo ook een bronzen beslag in de vorm van een boomblad, zoals door ruiters gebruikt, en aardewerken scherven met ingekraste letters. Dit soort graffiti is kenmerkend voor soldaten; het zijn eigendomsmerktekens die vaker in forten worden gevonden.Binnen een legereenheid werd door het plaatsen van een bezittergraffito het gebruik en diefstal door collega’s voorkomen; binnen een civiel woon- en leefverband als een familie werd dat niet gedaan omdat het niet nodig was.
Eén aardewerkfragment is bijzonder omdat het ook de eenheid vermeldt waarin de soldaat diende: het Cohors Britonum: een legeronderdeel dat oorspronkelijk in Engeland geformeerd was. Mogelijk bemande een deel hiervan het fort bij Ockenburgh. Dit idee wordt versterkt door de vondst van een mantelspeld die in Engeland is gemaakt en die in Nederland zeldzaam is.
Archeologische veronderstellingen Het fort is maar ten dele onderzocht: alleen de zuidwesthoek van de gracht en ongeveer een kwart van de bebouwing werden opgegraven. De aangetroffen resten boden voldoende inzicht om, zoals ten aanzien van de U-vorm van de bebouwing, het bovenstaande archeologisch wetenschappelijk te veronderstellen. Die mogelijke U-vorm leidt op grond van een door de Duitse archeoloog Christian Fleer opgestelde typologie van Romeinse mini-fortenFleer, C., 2004: Typisierung und Function der Kleinbauten am Limes, in: E. Schallmayer (Hrsg), Limes Imperii Romani. Beitrage zum Fachkolloquium ‘Weltkulturerbe Limes’ November 2001 in Lich-Arnsburg, Bad Homburg (Saalburg-Schriften 6) tot de daaropvolgende veronderstelling dat het fort slechts één poort had; dat die poort zich tegenover de open binnenhof van het gebouw bevond, en dat de versterking van gracht en wal zowel vierkant als rechthoekig geweest kan zijn. Dit type mini-fort noemt men het Neuwirtshaus-type.