Het zevenstippelig lieveheersbeestje (Coccinella septempunctata) is een kever uit de familie lieveheersbeestjes (Coccinellidae).
De kever is als larve en ook als volwassen insect een felle jager die voornamelijk bladluizen eet en is hierdoor geliefd bij tuinders. De kever wordt wereldwijd als biologisch bestrijdingsmiddel ingezet in kassen en boomgaarden om bladluizen te bestrijden.
De kevers houden in de winter een winterslaap en kunnen dan massaal in huizen worden aangetroffen. In België en Nederland is de soort algemeen en kan plaatselijk zeer talrijk voorkomen.
Het zevenstippelig lieveheersbeestje is direct te herkennen aan de helderrode dekschilden met altijd zeven zwarte stippen. Het aantal stippen heeft bij lieveheersbeestjes dus niets met de leeftijd te maken.
Het zevenstippelig lieveheersbeestje wordt soms gezien als brenger van geluk en is een symbool tegen zinloos geweld.
Verspreiding en habitat Het zevenstippelig lieveheersbeestje komt voor in grote delen van Europa en in delen van Azië. In Azië is de soort bekend van het eiland Taiwan en een aantal eilanden van Japan. De Japanse populaties worden als een aparte ondersoort onderscheiden: Coccinella septempunctata brucki.
Ook in het oosten van de Verenigde Staten komt de kever voor. De soort is hier meerdere keren uitgezet en heeft zich verspreid. Andere in Noord-Amerika inheemse soorten worden zelfs verdrongen doordat het zevenstippelig lieveheersbeestje veel effectiever jaagt op bladluizen.
De kever is niet kieskeurig als het gaat om de habitat en komt overal voor waar bladluizen te vinden zijn. Omdat voornamelijk bladluizen gegeten worden die op kruidachtige tot struikachtige planten leven, is ook de kever vaak in lagere begroeiing te vinden maar wordt ook wel aangetroffen in bomen. In bossen is deze soort echter zeldzaam, zeker in naaldbossen waar geen prooidieren leven.
Kenmerken Lichaam thumb|Schematisch overzicht lichaam De kenmerken van het zevenstippelig lieveheersbeestje zijn met letters en cijfers aangegeven op bijgaande afbeelding. De totale lichaamslengte zonder uitsteeksels is 5,2 tot 8 millimeter. (1981–2006) Hiermee is het een van de grootste Midden-Europese soorten uit de lieveheersbeestjesfamilie. Het lichaam is van boven bezien enigszins ovaal: de dekschilden lopen vrijwel naadloos over in het halsschild. Aan de voorzijde is het silhouet wat breder en het heeft een versmalling aan de achterzijde. Van de zijkant bezien is de kever sterk bolvormig,. De kop (A) is grotendeels verborgen onder het brede halsschild, dat aan weerszijden omlaag gekromd is. Het halsschild is hierdoor ook aan de onderzijde zichtbaar. De witte vlekken (1) aan het verder zwarte halsschild (2) zijn kenmerkend. Bij sommige exemplaren ontbreken deze vlekken. Het halsschild is nooit lichtomzoomd zoals bij gelijkende soorten. Aan de voorzijde van de dekschilden zitten twee kleine, witte vlekken (3) die meestal driehoekig van vorm zijn. Hierachter bevindt zich een druppelvormige zwarte vlek (4) die is verdeeld over beide schilden. Ieder dekschild draagt daarnaast drie zwarte, ronde stippen (5). De voorste vlek is aan de voorrand van het dekschild gelegen, de middelste vlek aan de middennaad en de achterste vlek bevindt zich aan de zijrand aan de achterzijde van het dekschild. In totaal heeft de kever dus altijd zeven vlekken, waaraan de Nederlandse en de wetenschappelijke naam zijn te danken. De vorm van de vlekken vertoont enige variatie maar ze zijn nooit licht omzoomd. De dekschilden zijn duidelijk begrensd door de naad in het midden (6). Van het zevenstippelig lieveheersbeestje zijn geen zwarte of gele variaties bekend; alle soorten hebben de lakrode tot oranjerode dekschilden (7).
Kop thumb|Onderdelen van de kop De ogen (1) zijn zwart en kraal-achtig en zijn nauwelijks zichtbaar hoewel ze niet heel klein zijn. De bovenrand van de bovenste monddelen is wit, wat meestal moeilijk te zien is vanwege de naar onder gekromde kop. De antennes (2) zijn geelbruin en hebben een verbreed, golfclub-achtig laatste lid. De kaaktasters (3) zijn zwart, relatief fors, en aan het uiteinde verbreed. De maxillaire palpen (4) zijn nog kleiner en alleen goed zichtbaar met een loep. De kaken zijn met het blote oog nauwelijks te zien. Het labium (5) is sterk behaard. Op de clypeus (6) zitten tegen de ogen aan twee ronde witte vlekjes.
Overige kenmerken De onderzijde van het lichaam is zwart, aan de onderzijde vallen ook de poten op, die van bovenaf goed verborgen blijven. De zes poten zijn allemaal ongeveer gelijk van vorm, ze bestaan uit drie ongeveer even grote delen, waarvan het laatste deel, aan het uiteinde, gesegmenteerd is. Van het lichaam af wordt het eerste deel coxa of heup genoemd, deze is wat verbreed. Het middelste deel is de tibia of scheen en het laatste (gelede) deel is de tarsus of voet. Deze bestaat uit een aantal delen, waarvan de voorste aan de onderzijde voorzien zijn een fluweel-achtige beharing of setae. Aan het uiteinde van iedere poot zijn twee haak-achtige klauwtjes aanwezig.
Het zevenstippelig lieveheersbeestje is te herkennen aan de kleur. De organische pigmenten die voor de felle kleur dekschilden zorgen worden carotenoïden genoemd. Uit de dekschilden geïsoleerde verbindingen zijn onder andere torulene en β-caroteen.. Uit onderzoek blijkt dat de pigmenten niet uit planten worden verkregen, waardoor vermoed wordt dat ze worden aangemaakt door symbiotische micro-organismen. (1977). Carotenoids of the ladybird beetle, Coccinella septempunctata. Insect Biochemistry 7(4): 337–347
Larve thumb|Een wat oudere larve op een bloem Als de larve net uit het ei kruipt, is deze enkele millimeters lang en zeer donker tot zwart van kleur. De larve groeit snel en krijgt na enkele vervellingen een kenmerkende grijsblauwe kleur met oranje vlekken. Na iedere vervelling zijn de poten en het lichaam bleek van kleur, maar na enige tijd kleurt dit terug naar zwart.
De larve heeft een opvallend langwerpig lichaam dat enigszins driehoekig is van vorm; het voorste deel is duidelijk breder dan de achterzijde die in een punt eindigt. De poten zijn altijd zwart van kleur en relatief groot en dik in vergelijking met de poten van keverlarven uit andere families. Het lichaam is duidelijk verdeeld tien segmenten en op ieder segment zijn enkele wrat-achtige bulten aanwezig die voorzien zijn van gestekelde borstels. Op de eerste drie segmenten, die later het borststuk zullen vormen, zijn deze sterk vergroot. De larve heeft twee relatief grote kaken, maar nog geen dekschilden en ook vleugels ontbreken.
Op ongeveer het midden van het lichaam, op het derde segment achter de kop, zijn aan de flanken twee oranje verdikkingen aanwezig. Ook op het zesde segment achter de kop zijn dergelijke structuren aanwezig, op ongeveer een derde van het lichaam gezien vanaf de achterzijde. Dit zijn klieren die dezelfde afweerstof als de volwassen lieveheersbeestjes afscheiden bij gevaar; een bittere, onsmakelijke gele vloeistof. Het voorste lichaamssegment, dat vlak achter de kop is gelegen, is grotendeels oranje van kleur en heeft enkele zwarte vlekken.
De larve wordt afhankelijk van het voedselaanbod ongeveer 8 tot 12 millimeter lang voor de verpopping plaatsvindt, zie ook onder voortplanting.
Onderscheid met andere soorten
Het zevenstippelig lieveheersbeestje kent enige variatie in grootte en kleur en ook de vorm van de zwarte vlekken op de dekschilden kan verschillen. Over het algemeen is de soort dankzij de zeven stippen niet met andere lieveheersbeestjes te verwarren. De zevenstip is een grotere soort (5 tot 8 millimeter). De enige soort die bijna sprekend op het zevenstippelig lieveheersbeestje lijkt, is het zeldzame bosmierlieveheersbeestje. Deze verschillen met name doordat bij het schitterend lieveheersbeestje zich aan de onderzijde witte driehoekjes achter de middelste en achterste potenparen bevinden (bij het zevenstippelig lieveheersbeestje alleen bij het middelste potenpaar).
Vele andere soorten blijven kleiner, zoals het tweestippelig lieveheersbeestje (Adalia bipunctata) die 4 tot 6 mm lang wordt, maar vrijwel altijd twee stippen heeft. Andere lieveheersbeestjes, zoals het elfstippelig lieveheersbeestje (Coccinella undecimpunctata) en het vijfstippelig lieveheersbeestje (Coccinella quinquepunctata), hebben meestal elf respectievelijk vijf stippen. Naast deze twee soorten komen in Europa nog vier andere soorten uit het geslacht Coccinella voor. Deze zijn te onderscheiden aan het aantal stippen.
Levenswijze Het zevenstippelig lieveheersbeestje is overdag actief en trekt zich 's nachts terug in spleten of tussen bladeren. Het is een veel geziene kever die zonbeschenen plekken prefereert en door de rode kleuren tegen de meestal groene achtergrond van de planten waar het dier op leeft goed te zien is.
Het zevenstippelig lieveheersbeestje houdt een winterslaap, aan het einde van de zomer trekt de kever zich terug. De overwintering vindt altijd plaats als volwassen kever, nooit als ei of larve. Geschikte overwinteringsplaatsen zijn in spleten in hout, tussen boomwortels, achter loszittend boomschors, in rotsspleten, onder bladeren, graspollen of mos en andere plaatsen waar de kever kan schuilen tegen de kou. Net als een aantal andere lieveheersbeestjes kan het zevenstippelig lieveheersbeestje in geschikte winterkwartieren massaal overwinteren met tientallen tot honderden exemplaren tegelijk. Ook in menselijke bebouwing kunnen soms grote groepen worden aangetroffen.
Voortplanting en ontwikkeling Net als alle kevers behoort het zevenstippelig lieveheersbeestje tot de Endopterygota, dit zijn insecten met een volledige gedaanteverwisseling. Het jeugdstadium of larve van deze insecten is wormachtig en lijkt niet op het volwassen insect. Pas in het popstadium wordt het lichaam volledig omgebouwd. De tegenhanger van de Endopterygota zijn de Exopterygota, die een onvolledige gedaanteverwisseling kennen. De jeugdstadia van deze insecten worden nimfen genoemd en zijn miniatuurversies van de ouderdieren maar zijn kleiner en hebben nog geen vleugels, ze kennen geen popstadium.
thumb|Paring, mannetje boven. Lieveheersbeestjes zoeken elkaar op in het voorjaar om te paren, vaak is er aan het eind van de zomer een tweede generatie.Natuur.be - Zevenstippelig lieveheersbeestje - Website Bij de paring klimt het mannetje half op het vrouwtje waarbij de cloaca contact maken en de bevruchting plaatsvindt.
De eitjes worden rond mei in groepjes gelegd tussen bladluizenkolonies, vrijwel altijd aan de onderzijde van bladeren. De eitjes zijn langwerpig ovaal van vorm en oranjegeel van kleur, ze hebben een lengte van ongeveer twee millimeter.
De langwerpige larven kruipen na enkele dagen uit het ei, ze vreten zich zo snel mogelijk vol en doorlopen het larvale stadium in ongeveer vier weken. Het larvestadium bestaat uit vier stappen, die de instar worden genoemd en gescheiden worden door een vervelling. Het eerste instar is klein en zwart van kleur, het tweede is iets groter en lichter van kleur en bij het derde instar zijn de oranje bulten aan weerszijden al goed zichtbaar. Het vierde instar is het laatste stadium en zal zich aan het eind van het larvestadium verpoppen. De larve hecht hierbij zijn achterlijfspunt aan de ondergrond, meestal een stengel of een blad, waarna de lichaamsvorm drastisch verandert. De pop of chrysalis is druppelachtig van vorm en is in eerste instantie oranjegeel van kleur en glad. Later kleurt de pop bij en heeft een gerimpeld, mummieachtig uiterlijk, de kleur is oranje met rijen zwarte stippen. Als de pop wordt aangeraakt zal deze op- en neergaande bewegingen maken.