Eurhinodelphis is een geslacht van uitgestorven aquatische zoogdieren, dat voorkwam van het Midden- tot Laat-Mioceen. De fossielen zijn gevonden in België, Frankrijk en Maryland.
Ontdekkingsgeschiedenis Eurhinodelphis werd voor het eerst beschreven door burggraaf Bernard Amé du Bus de Gisignies in een voordracht voor de Koninklijke Academie van Wetenschappen van België op 17 december 1867. Hij benoemde twee soorten. De typesoort is Eurhinodelphis cocheteuxi. De geslachtsnaam betekent "dolfijn wel uitgerust met een neus". De soortaanduiding eert kapitein Cocheteux die fossielen aan het licht bracht tijdens het aanleggen van het Fort du Vieux-Dieu (Fort 5) in Edegem, deel van de fortificatiegordel van Antwerpen. Het holotype is IRSNB 3252-M.294, een schedel op 13 september 1861 gevonden in Fort 5.
De tweede soort is Eurhinodelphis longirostris, de "langsnuit", gebaseerd op holotype IRSNB 3248-M.1903.
Othenio Abel bestudeerde en illustreerde de Europese soorten in een reeks artikelen gepubliceerd in 1901, 1902 en 1905; vervolgens konden fossiele schedels gevonden in de Calvertformatie in Maryland en Virginia worden toegewezen aan dit geslacht.
Latere soorten omvatten Eurhinodelphis bossi (USNM 10714) en Eurhinodelphis cristatus (IRSNB 3241-M.1893 uit België}. Beide soorten worden tegenwoordig in Xiphiacetus geplaatst.
Beschrijving Eurhinodelphis was ongeveer twee meter lang. In de meeste opzichten zou hij eruit hebben gezien als een moderne dolfijn of bruinvis.
Heel opvallend was de verlengde snuit van dit twee meter lange dier, die aan de voorkant geen tanden bevatte. Deze snuit werd waarschijnlijk gebruikt om prooien op te spietsen, voordat ze door de met tanden bezette kaken werden gepakt. Op de rug bevond zich een rugvin, die voor stabiliteit zorgde. De bouw van het oor was bij dit dier ook erg complex. Het oor was gemodificeerd en gevoelig voor hoogfrequente geluiden. Werd zo'n signaal opgevangen, dan vormde het brein zich een akoestisch beeld van de omgeving, dat het tot dan toe bestaande visuele beeld verving. Deze evolutie van echolocatie zorgde voor nieuwe vaardigheden wat betreft navigatie en jachttechnieken.
Fylogenie Het dier werd in een eigen Eurhinodelphinidae geplaatst.
Vondsten Resten van dit dier werden gevonden in Europa, Azië en Noord-Amerika (de Grote Oceaankusten).
Categorie:Uitgestorven walvisachtigen Categorie:Mioceen