Het wereldkampioenschap wegrace seizoen 1961 was het dertiende in de geschiedenis van het door de FIM georganiseerde wereldkampioenschap wegrace.

Algemeen FIM In 1961 werd de kalender uitgebreid met vier Grands Prix: DDR, Zweden, Argentinië en Spanje, maar alleen bij de TT's van Man en Assen kwamen alle klassen aan de start. De 125- en de 250cc-klassen waren de enigen die elf wedstrijden hadden.

Uiteindelijk betekende 1961 een mijlpaal in het wereldkampioenschap wegrace: Terwijl het er eerst naar uitzag dat MV Agusta zonder concurrentie de soloklassen kon domineren, gingen in dit jaar voor het eerst in de geschiedenis wereldtitels naar een Japans merk: Honda won de 125- en de 250cc-klasse. Aan het einde van het seizoen deed graaf Domenico Agusta een slimme zet toen hij Hailwood voor de laatste twee wedstrijden zijn viercilinders aanbood. Hailwood, die de Honda-fabrieksrijders met een privé-Honda had verslagen in de 250cc-klasse, kreeg van Honda als "dank" de rekening voor de huur van de motorfietsen, maar van MV Agusta de waardering voor zijn talent. Dit was het begin van de haat-liefdeverhouding tussen Hailwood en Honda. Merken/teams Ook kleinere merken richtten zich nu wat meer op het 125cc-wereldkampioenschap, zoals EMC en Bultaco. Dat laatste merk huurde Ralph Rensen in, maar die verongelukte op 16 juni tijdens de Senior TT met een Norton Manx. Honda begon aan het seizoen met de 125cc-2RC 143, die eigenlijk een tussenmodel moest zijn tussen de Honda RC 143 en de Honda RC 144. In de 250cc-klasse zette het de RC 162 in. Daarnaast bouwde men een groot fabrieksteam op met Tom Phillis, Jim Redman, Sadao Shimazaki, Kunimitsu Takahashi, Teisuke Tanaka, Naomi Taniguchi en Luigi Taveri. De Honda RC 144 bleek echter niet te voldoen en werd slechts één keer ingezet. In de 125cc-klasse ging de titel bijna naar Ernst Degner (MZ), maar die koos voor zijn vrijheid door uit de DDR te vluchten waardoor hij in de laatste GP zonder motorfiets zat. Tom Phillis greep daar de wereldtitel. In de 250cc-klasse moest het fabrieksteam buigen voor Mike Hailwood, die was begonnen met een 125cc-EMC en een 250cc-Mondial, maar die met steun van vader Stan Honda's huurde. Ook Bob McIntyre en (tegen het einde van het seizoen) John Hartle huurden Honda's, maar privérijder Hailwood werd wereldkampioen. Honda maakte aan het einde van het seizoen een fout: in plaats van Hailwood's talent te waarderen stuurde het de rekening voor de huur van de motorfietsen. Hailwood tekende vervolgens voor MV Agusta, dat hem in de laatste GP's al van fabrieksracers voorzag. MV Agusta liet de lichte klassen schieten en concentreerde zich op de 350- en de 500cc-klasse met aanvankelijk slechts één rijder, Gary Hocking. Het zag echter ook het talent van Mike Hailwood, die de laatste twee races fabrieksracers kreeg als voorbereiding van zijn contract in het seizoen 1962. MZ begon het seizoen met de Oost-Duitse coureurs Walter Brehme, Ernst Degner, Hans Fischer en Werner Musiol, maar ook Alan Shepherd en de Hongaar László Szabó kregen machines. In de 250cc-klasse kwam het er niet aan te pas, maar Degner werd op een haar na wereldkampioen 125 cc. MZ had echter ook te lijden onder de toenemende spanningen tussen het Oostblok en het Westen, die in 1961 hun dieptepunt bereikten door de bouw van de Berlijnse muur en het IJzeren Gordijn. De Oost-Duitse rijders werden strikt begeleid en hun families moesten ook toen de grenzen nog open waren thuisblijven om te garanderen dat de coureurs naar huis kwamen. Zij zagen door hun reizen de grote verschillen tussen oost en west ontstaan en Degner wist zijn gezin te laten vluchten en deed meteen daarna, met steun van Suzuki, hetzelfde. Daarmee verloor MZ de 125cc-titel aan Tom Phillis (Honda) en al haar belangrijke technische informatie aan Suzuki. Suzuki, dat in 1960 nog onder de naam "Colleda" met de 125cc-Colleda RT 60 was aangetreden tijdens de TT van Man, verscheen daar nu met de 125cc-Suzuki RT 61 en de 250cc-Suzuki RV 61. Er werden geen resultaten geboekt, behalve het feit dat Suzuki in de persoon van teammanager Jimmy Matsumiya de vlucht van Ernst Degner voorbereidde en uitvoerde. Daardoor kwam de technische kennis van MZ-constructeur Walter Kaaden in handen van Suzuki en dat leidde tot negen wereldtitels in de jaren zestig. Yamaha reisde voor het eerst af naar Europa. Voor de lichte klassen was de Franse Grand Prix in Clermont-Ferrand al de derde wedstrijd, en daar verscheen Yamaha voor het eerst op het toneel met de 125cc-RA 41 en de 250cc-RD 48. In de 125cc-klasse werden geen punten gescoord, maar in de 250cc-klasse haalde Fumio Ito er 7 en Yoshikazu Sunako 1. Cees van Dongen kreeg een RA 41 voor de TT van Assen, waarmee hij dertiende werd. Hierna trok Yamaha zich tot 1963 terug om de machines verder te ontwikkelen. Coureurs Florian Camathias had een echt pechseizoen. In de Spaanse Grand Prix viel hij uit en vervolgens kregen hij en bakkenist Hilmar Cecco een ernstig ongeluk in Modena. Cecco overleed en Camathias was zodanig gewond dat hij het hele seizoen niet meer aan de start kon komen. Ernst Degner zag de spanningen tussen het Oostblok en het Westen toenemen en begon al tijdens de TT van Man samen met Suzuki-teammanager Jimmy Matsumiya aan de voorbereiding van zijn vlucht naar het Westen. Die vlucht slaagde op 17 september, de avond naar de Zweedse Grand Prix. Degner stond op dat moment aan de leiding van de 125cc-stand, nipt voor Honda-rijder Tom Phillis. Degner kreeg vanzelfsprekend geen MZ meer en leende een EMC voor de Argentijnse Grand Prix. Die machine arriveerde te laat waardoor Phillis wereldkampioen was. Degner, die ook zijn gezin had laten vluchten, had zijn wereldtitel ingeleverd voor zijn vrijheid. Helmut Fath en bakkenist Alfred Wohlgemuth wonnen de openings-Grand Prix in Spanje. Tijdens de Eifelrennen op de Nürburgring kregen zij een ongeval, dat Alfred Wohlgemuth het leven kostte. Fath zelf was zwaargewond en moest om aan geld te komen zijn complete race-uitrusting inclusief zijspancombinatie verkopen. Mike Hailwood begon zijn seizoen met een 500cc-Norton 30M, een 350cc-AJS 7R, een 250cc-FB Mondial en een 125cc-EMC. Al vroeg in het seizoen huurde vader Stan twee Honda's, een 125cc-2RC 143 en een 250cc-RC 162. Met die laatste machine reed hij naar de wereldtitel, waarop MV Agusta hem fabrieksracers voor de laatste races én een contract voor het seizoen 1962 aanbood. Gary Hocking was, nu Carlo Ubbiali en John Surtees gestopt waren, eerste en feitelijk enige rijder bij MV Agusta. Hij hoefde zich alleen op de zwaarste klassen te concentreren, want MV liet de 125- en 250cc-klasse schieten. Hij werd in twee klassen wereldkampioen en kreeg pas aan het einde een nieuwe teamgenoot in Mike Hailwood. Luigi Taveri bood zijn diensten aan bij Honda toen MV Agusta zich uit de lichte klassen terugtrok. Hij was nog nooit wereldkampioen geweest, maar was wel bijna altijd op het podium geëindigd. Toch stapte hij niet graag over als gevestigd topcoureur die moest vragen om een motorfiets (in feite had zijn vrouw dat gedaan door een brief aan Soichiro Honda te sturen). Debutanten Gustav Havel debuteerde tijdens de Duitse Grand Prix met een tiende plaats in de 250cc-race en een tweede plaats in de 350cc-race. Heinz Luthringshauser debuteerde in de GP van Spanje met een vijfde plaats in de zijspanklasse. Gyula Marsovszky debuteerde in de GP van Frankrijk met een vierde plaats in de 500cc-race. Phil Read debuteerde in de TT van Man met een overwinning in de Junior TT. Colin Seeley debuteerde in de TT van Man met een zesde plaats in de Sidecar TT. Yoshikazu Sunako debuteerde in de TT van Man maar viel in twee klassen uit.

Gestopt Bob Anderson beëindigde zijn motorcarrière en reed in de jaren zestig in de Formule 1. In het seizoen 1966 reed hij nog één keer met een fabrieks-Yamaha RD 05 in de TT van Assen, waar hij vijfde werd. John Hempleman, Emilio Mendogni, Alberto Gandossi en Giichi Suzuki beëindigden hun carrière ook. Overleden Tijdens de Eifelrennen op de Nürburgring op 30 april verongelukte Dickie Dale, die in dat jaar nog slechts als privérijder met een Norton in internationale wedstrijden verschenen was. In hetzelfde weekend kregen Helmut Fath en Alfred Wohlgemuth een ongeluk tijdens de zijspanrace, dat aan Wohlgemuth het leven kostte. Na de Spaanse Grand Prix verongelukte Hilmar Cecco, de bakkenist van Florian Camathias. Op 12 juni verongelukte de Zwitserse Marie Lambert, die als bakkeniste voor haar man Claude optrad, tijdens de Sidecar TT. Op 16 juni verongelukte Ralph Rensen tijdens de Senior TT. Hij werd postuum zesde in de 350cc-klasse van het wereldkampioenschap, o.a. omdat hij in de Junior TT nog derde geworden was. Op 9 augustus verongelukte de Australiër Ron Miles tijdens de 350cc-training voor de Ulster Grand Prix met een Norton. Puntentelling  1e   2e   3e   4e   5e   6e Punten:864321Aantal (tellende) wedstrijden  125 cc 250 cc 350 cc 500 cc ZijspanAantal races:11117106Tellend: 66464 In de 500cc-klasse werden tien, in de 350cc-klasse zeven, in de 250- en 125cc-klassen elf en in de zijspanklasse zes wedstrijden gereden. De telling van het aantal wedstrijden was opnieuw erg ingewikkeld. Bij een even aantal wedstrijden werd het aantal wedstrijden gehalveerd en daar werd er één bij opgeteld. Races GP van Duitsland, Hockenheim Behalve de vijf WK-klassen kende de Duitse Grand Prix ook een wedstrijd om de Coupe d' Europe voor 50cc-machines. Deze race werd gewonnen door de Joegoslaaf Miro Zelnik op een Tomos. Er waren 120.000 toeschouwers. De vernieuwing in de racerij werd duidelijk met overwinningen van de Oostblokmerken Jawa en MZ en van Honda. Voor het eerst won een Japanse coureur een WK-race. Mike Hailwood had inmiddels een 125- en een 250cc-Honda gehuurd, maar was er nog niet succesvol mee. De Grand Prix moest het doen zonder de zijspan-coryfeeën Helmut Fath en Florian Camathias. Zij hadden in verschillende wedstrijden ongelukken gehad, waarbij de bakkenisten Alfred Wohlgemuth en Hilmar Cecco het leven verloren en beide rijders ernstig gewond raakten. GP van Frankrijk, Clermont-Ferrand De Franse Grand Prix kende geen 350cc-race, maar er vond wel een nationale 50cc-race plaats, die werd gewonnen door Jean-Claude Serre met een Itom. De MV Agusta's verschenen in de baan met het MV Privat-logo op de tank. Yamaha verscheen voor het eerst als fabrieksteam in een WK-wedstrijd: Fumio Ito en Tansharu Noguchi startten met Yamaha RD 48's in de 250cc-race en Tansharu Noguchi met een Yamaha RA 41 in de 125cc-klasse. Isle of Man TT, Mountain Course MV Agusta, grossier in overwinningen, won tijdens deze TT geen enkele race. De enige fabriekscoureur Gary Hocking was officieel privérijder geworden en de machines waren omgedoopt tot "MV Privat". De TT werd overschaduwd door het overlijden van drie coureurs: Michael Brookes tijdens de trainingen, Ralph Rensen tijdens de Senior TT en Marie Lambert tijdens de Sidecar TT. Records: De "ton": De Britten hadden lang geaasd op het bereiken van de "Ton", een gemiddelde snelheid van meer dan 100 mijl per uur. In 1955 leek het zover te zijn: Geoff Duke werd geklokt met meer dan 100 mph gemiddeld, maar die tijd werd gecorrigeerd naar 99,97 mph. Het publiek protesteerde hiertegen, waarna de hele Mountain Course werd nagemeten en toen werd het alleen maar erger: 97,93 mph. In 1957 reed Bob McIntyre de ton met een viercilinder Gilera 500 4C. In dit jaar reed Mike Hailwood 100,61 mph met een Norton Manx en daar wist men ook een record van te maken: de eerste ton met een eencilinder. Drie race overwinningen in een week: Mike Hailwood werd de eerste coureur in de geschiedenis die drie races in één week won: de Lightweight 125 cc TT, de Lightweight 250 cc TT en de Senior TT. Eerste vrouwelijke slachtoffer: Marie Lambert vestigde een wat macaber record: zij was het eerste vrouwelijke slachtoffer van een ongeval tijdens de Isle of Man TT. Ze was niet het laatste: in de TT van 1999 verongelukte de Nederlandse Bernadette Bosman.