thumb|Ank van der Moer in de Gijsbrecht, 1963 thumb|Mozaïek van Vondels Gijsbrecht in de Stadsschouwburg Amsterdam thumb|Lous Hensen en Hans Boswinkel in de Gijsbrecht, 1966 Gijsbrecht van Aemstel is een toneelstuk van Joost van den Vondel, dat werd opgevoerd ter gelegenheid van de opening van de eerste stenen Amsterdamse schouwburg. De inwijding op 26 december 1637 van dit door Jacob van Campen ontworpen classicistische theater aan de Keizersgracht moest worden uitgesteld vanwege bezwaren van protestantse kerkenraadsleden tegen enkele in de katholieke middeleeuwen spelende passages. Zij protesteerden tegen de mogelijke "vertoning van superstitiën van de paperije als misse en andere ceremoniën". Na enige aanpassingen kon de Gysbrecht op 3 januari 1638, kleurrijk en fraai gekostumeerd in Van Campens schouwburg in première gaan.Vondel, Volledige dichtwerken en oorspronkelijk proza. Verzorgd door Albert Verweij. Opnieuw uitgegeven met een inleiding door Mieke B. Smits-Veldt en Marijke Spies. Becht, Amsterdam, 1986, Inleiding p. XXVIII.

De jaarlijkse Amsterdamse voorstellingen van Gijsbrecht staan (behoudens enige onderbrekingen) sinds 1641 in een eeuwenlange traditie. Aanvankelijk vertoonde men het stuk als kerstspel. In de 19e eeuw ontstond de traditie van een jaarlijkse nieuwjaarspremière, die tot 1968 standhield.

Synopsis

Eerste bedrijf Het eerste bedrijf speelt zich af op een middag voor kerstnacht omstreeks 1300. De stad Amsterdam wordt al een jaar belegerd door de troepen van de Waterlanders en de Kennemers, die de moord op graaf Floris V van Holland willen wreken. Men vermoedt dat Gijsbrecht van Aemstel, stadsheer van Amsterdam, iets met de moord te maken heeft. Gijsbrecht spreekt in de openingsmonoloog zijn dank uit nadat hij hoort dat de vijandelijke troepen zijn weggetrokken. Zijn broer Arend gaat kijken of het waar is. Abt Willebrord van het Kartuizerklooster vertelt Gijsbrecht dat Willem van Egmond en Diederick van Haarlem, twee vijandelijke aanvoerders, na een ruzie het beleg hebben opgegeven en de stad hebben verlaten. Als Arend terugkomt voert hij een gevangene mee. Deze meelijwekkend ogende Vosmeer vertelt dat de vijand in de haast een met rijshout beladen schip, het Zeepaard, is vergeten. Gijsbrecht beveelt het schip de stad binnen te laten halen. Zich niet bewust van het dreigende gevaar besluit een aantal meisjes het bedrijf met de rei van Amsterdamse Maagden, waarin zij de overwinning en de geboorte van Christus bezingen.

Tweede bedrijf ’s Avonds bij het Kartuizerklooster vertellen Willem van Egmond en Diedrick van Haerlem de Hoplieden dat zij van plan zijn Gijsbrechts manschappen te overrompelen met de hulp van in het schip het Zeepaard verborgen soldaten. De hoplieden wordt verteld de monniken niet te storen en zich stil te houden. Laat in de avond vraagt Diedrick Van Haerlem de portier van het klooster de prior Willebrord te halen. Als Diederik toestemming vraagt om soldaten in het klooster te laten overnachten weigert Willebrord aanvankelijk, maar geeft zich later gewonnen. Bij de stadsgracht spreekt Van Egmond met Vosmeer de Spie (de spion). Hij is de gracht overgezwommen en vertelt dat het schip met de soldaten de stad is binnengehaald (vergelijkbaar met de verhalen over het Paard van Troje en het Turfschip van Breda). Egmond zegt dat alles klaar is voor de aanval; de rest van de manschappen ligt klaar in het klooster. Egmond besluit met de woorden: ‘God geef, dat u en my dees aenslagh wel geluck.’ Het bedrijf eindigt met de Rey van Edelingen. In de zang vertelt men dat de Heiland Jezus in Bethlehem is geboren en bezingt men Gods goedheid.

Derde bedrijf Badeloch vertelt geschrokken dat zij in een droom haar overleden nicht Machteld voor zich zag. Machteld was waanzinnig van verdriet, trok zich de kleren kapot, krabde zich en zei dat Gysbrechts strijd tevergeefs was; de vijand is niet verslagen. Machteld spoorde Gijsbrecht aan bisschop Gozewijn en zijn dochter Klaeris te redden en raadt Badeloch aan te vluchten. Badelochs angst dat haar droom de werkelijkheid voorspelde blijkt gegrond als Broeder Peter zegt dat hij en Gysbrecht ten strijde moeten trekken. De vijand kwam met een groter leger terug en de stad staat in brand. Badeloch is bang dat het Gysbrecht te veel zal worden. Hij heeft dit niet verdiend; hij is vroom en heeft een goed hart. Broer Peter zegt dat God slechts zijn uitverkorenen beproeft. Als Gysbrecht vanaf de Schreierstoren heeft gezien hoe de toestand is wil hij vechten. Zijn bondgenoten zeggen hem te zullen steunen. Badeloch bidt God Gysbrecht te beschermen. In de kapel van het Clarissenklooster klinkt de rei van Klaerissen een lied over de kindermoord in Bethlehem en de hoogmoedige Herodes.

Vierde bedrijf Gijsbrecht probeert de oude bisschop Gozewijn over te halen te vluchten voor de snel naderende vijand. Hij wil de bisschop op zijn rug dragen. (Een verwijzing naar Vergilius' Aeneis, waarin Aeneas zijn vader draagt als zij Troje ontvluchten). Gozewijn zegt dat hij klaar is om te sterven en zich bij God te voegen. De nonnen, waaronder Klaeris, willen Gozewijn niet alleen laten. Ook zij zijn bereid te sterven. (De scène werd afgesloten met een ‘stomme vertoning’, waarin men zag hoe bisschop Gozewijn en de nonnen werden vermoord.) In de tweede scène schrikt Badeloch als zij Arend van Aemstel ziet. Arend doet gedetailleerd verslag van het gruwelijk schouwspel dat zich voor zijn ogen afspeelde. Badeloch denkt dat ook Gijsbrecht sneuvelde. In de rei van Burghzaten bezingen de bewoners van de burcht de echtelijke liefde. Men verwoordt het verdriet dat Badeloch door de veronderstelde dood van haar man voelt en eindigt met een bede waarin God gevraagd wordt haar smart te verlichten. De uitroep van Badeloch dat zij Gijsbrechts stem hoorde en dat hij voor de poort staat sluit het bedrijf af.

Vijfde bedrijf Gijsbrecht vertelt Badeloch dat de strijd om het stadhuis verloren is. Een bode meldt dat ook het Clarissenklooster gevallen is; de Witte van Haemstede vermoordde alle nonnen en bisschop Gozewijn. De burgers vluchten naar het slot van de Van Aemstels. De bode spoort Gijsbrecht aan een tegenaanval te doen en daarna de brug af te breken. Men draagt de zwaargewonde Arend, Gijsbrechts broer, binnen. Hij sterft even later. Trompetgeschal kondigt de komst aan van de Heer van Vooren. Hij eist de overgave. Gijsbrecht weigert en probeert Badeloch ertoe te bewegen met de kinderen per boot te vluchten. Badeloch wil niet: ze wil liever sterven dan haar echtgenoot achterlaten. Nadat Gijsbrecht woedend dreigt naar buiten te gaan, is zij bereid zich in te schepen. De engel Rafaël verschijnt en vertelt uit naam van God dat allen moeten vluchten: 'Verlaet uw wettigh erf, en quel u nergens in". Gijsbrecht moet in Pruisen een Nieuw Holland stichten. Amsterdam is verloren gegaan. 'Nu' (in de vroege 14e eeuw) is het zinloos om te blijven vechten; over 300 jaar (ten tijde van de eerste voorstellingen) zal de stad uit haar as zijn herrezen.

Na de dialoog: Helaes! hoe bitter valt het scheiden van zijn land. daer alles loopt verloren! De liefde tot zijn land is yeder aengeboren. Verdelghe stad, wy gaen, en komen nimmer weer. komt het spel tot een einde met Gijsbrechts slottekst: Vaer wel, mijn Aemsterland: verwacht een andren heer.

Achtergrond Vondel gaf het stuk de titel: Gysbregt van Aemstel, d’ondergang van zijn stad en zijn ballingschap. Treurspel. Hij draagt het stuk op aan Hugo de Groot, die in 1638 als balling in Frankrijk leefde. De Groot was verbannen nadat hij betrokken was geraakt bij de religieuze richtingenstrijd tussen remonstranten en contraremonstranten. Zijn ideaal was het herstel van de eenheid van alle christenen in een terugkeer naar de situatie van de oude kerk in de eerste eeuwen na Christus.Ibidem, Inleiding p. XXVI. Vondel besluit zijn, aan de door hem bewonderde Here Huig de Groot gerichte inleiding, met de woorden: Ik offer Uwe Exc. in zyne ballingschap mynen Gysbreght van Aemstel, den godvruchtigen en dapperen balling.

Het stuk speelt in Amsterdam, tijdens een kerstnacht omstreeks 1300Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren. Gysbreght van Aemstel, inleidingen en aantekeningen Mieke B. Smits-Veldt, Amsterdam University Press, Amsterdam 1994. 'Vondel en het vaderlands verleden', noot 18; historisch beleg gesteld op 1304. Gearchiveerd op 5 december 2021.Ibidem, Vierde bedrijf vs. 1000, noot 6. en gaat over de belegering van de stad door manschappen uit omliggende dorpen, verenigd in de Kennemers en Waterlanders. Aanleiding is de vermeende betrokkenheid van Gijsbrecht en zijn bondgenoten Gerard van Velsen en Herman van Woerden bij de ontvoering en moord op Floris V in 1296. De vijandelijke soldaten lijken zich terug te trekken, maar duiken als gevolg van een list onverwacht weer op. Na hevige gevechten is Gijsbrecht gedwongen, met zijn vrouw Badeloch en hun kinderen, naar Pruisen te vluchten, waar hij een Nieuw Holland zal stichten.

Ook de tragedie Geeraerd van Velsen van P.C. Hooft uit 1613 en het treurspel Geraert van Velsen lyende van Suffridus Sixtinus uit 1628 zijn gebaseerd op de verhalen rond de verkrachting van Machteld van Woerden (van Velsens echtgenote en van Woerdens dochter) en de daaruit voortvloeiende moord op Floris V. Deze verwikkelingen vormen de voorgeschiedenis van de handeling in Vondels Gijsbrecht.

De tijd van handeling; de kerstnacht, en de parallel tussen de moord op de onschuldige Klarissen en de kindermoord in Bethlehem benadrukken de Christelijke strekking van de door God opgelegde beproeving, die uiteindelijk zinvol zal blijken te zijn. Gijsbrecht is een toonbeeld van deemoed en godsvertrouwen in tijden van beproeving. Het stuk is een icoon in de tijd van de bezetting. Het herinnerde het publiek aan oorlogsgeweld, de strijd tegen Spanje, belegering van steden en vermiste echtgenoten.

In 1637 tijdens de Tachtigjarige Oorlog, toen in zuidelijker provincies de Spaansgezinde vijandelijkheden nog woedden, schreef Vondel in zijn inleiding van de Gijsbrecht: "Of enige Amsterdammers mochten walgen van de zwaren val hunner muren en ’t verstrooien hunner voorouderen te horen, zo wordt die bittere nasmaak verzoet door Rafaëls voorspelling van de heerlijke verrijzenisse der verdelgde vesten en verstrooielingen; dat wij nu op het allergelukkigste beleven, onder de wijze regering der tegenwoordige burgemeesteren, die het gemeen beste boven hun eigen behartigen en genen oorlog prijzen, dan die om de vrede gevoerd wordt."

Vondel volgt in een drama als Lucifer de Aristotelische uitgangspunten van de klassieke tragedie. Hoewel de Gijsbrecht in een ondertitel een "treurspel" wordt genoemd, is dat hier maar ten dele het geval. Zo is het personage Gijsbrecht niet de tragische held die ten onder gaat door eigen handelen en daarna tot inzicht komt. Er vindt in die zin geen catharsis plaats. Vondel koos in de laatste scène voor een troostende deus ex machina, die het geslacht van de Van Aemstels en de stad een (zij het verre) glanzende toekomst voorspelt. De middeleeuwse tijd van handeling bood Vondel in de claus van Rafaël, "één der zeven Engelen" de gelegenheid een aangenaam visioen van zijn eigen (en de toekomstige) tijd op te roepen. Onder het toeziend oog van het 17e-eeuwse publiek kregen de14e-eeuwse titelheld en de zijnen van de aartsengel de verzekering: Al leit de stad verwoest, en wil daer van niet yzen Zy zal met grooter glans uit asch en stof verrijzen. Ten tijde van de vroege Gouden Eeuw zal het premièrepubliek, waaronder het stadsbestuur en de financiers van de voorstelling (de bestuurders van de charitatieve instellingen het Burgerweeshuis en het Oude Manne- en Vrouwenhuis, waaraan een deel van de inkomsten ten goede kwam)Vondel, Volledige dichtwerken en oorspronkelijk proza. Verzorgd door Albert Verweij. Opnieuw uitgegeven met een inleiding door Mieke B. Smits-Veldt en Marijke Spies. Becht, Amsterdam, 1986, Inleiding p. XXIX, . deze heilsboodschap instemmend hebben aangehoord.

Structuur